Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI6725

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
178601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitoefening erfdienstbaarheid van weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 178601 / KG ZA 08-803

Vonnis in kort geding van 14 april 2009

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. G.O. Groeskamp te Gorinchem,

tegen

[gedaagden]

gedaagden,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven.

Eisers zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd, gedaagden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

- de pleitnota van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

- de pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

- het proces-verbaal van aanhouding van 5 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn eigenaar van een perceel met daarop een woonboerderij met vrijstaande schuur, erf, grond, weiland, dijk, berm en verder aanbehoren, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 615, voorheen nummer 159.

2.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een perceel met daarop een woning gelegen te [woonplaats] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 474, voorheen nummer 159.

2.3. Het perceel van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] grenst aan het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

2.4. Blijkens aankomsttitel van 1 juli 1975 is ten behoeve van het perceel van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en ten laste van het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. Deze erfdienstbaarheid van weg is daarbij als volgt omschreven:

Ten behoeve van het bij deze akte overgedragene enerzijds en ten laste van het nabij

gelegen perceel, hetwelk bij verkoper in eigendom verblijft en deel uitmaakt van het

kadastrale perceel [woonplaats], sectie E, nummer 159 anderzijds, wordt volgens verklaring

van de comparanten bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te

gaan naar de [adres] langs de kortste weg en op de minst bezwarende wijze, over een

strook grond welke reeds thans door verkoper als weg is aangelegd en wordt onderhouden,

met dien verstande dat, indien een beroep of bedrijf op het heersend erf wordt uitgeoefend,

deze erfdienstbaarheid niet ten dienste van dit beroep of bedrijf mag worden uitgeoefend;

zijnde de vorm en ligging van vermelde weg op de aan deze akte gehechte als voormeld

over te schrijven tekening, met zwarte opvulling globaal aangegeven.

2.5. Enige tijd geleden hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het oude toegangshek van de weg waarop de erfdienstbaarheid rust vervangen door een nieuw toegangshek. In verhouding tot het oude toegangshek is dit nieuwe toegangshek twee meter smaller en staat het twee meter dichter aan de weg. Voorts hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op de weg waarop de erfdienstbaarheid rust op twee plaatsen betonnen drempels geplaatst.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op straffe van een dwangsom worden veroordeeld om uiterlijk drie dagen na betekening van dit vonnis:

a. met betrekking tot het toegangshek de oude situatie zodanig te herstellen dat het nieuwe hek op een afstand wordt geplaatst van drie meter te rekenen vanaf de [adres] in de richting van de woonboerderij van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en dat het hek wordt verbreed tot een afstand van vijf meter,

b. de betonnen drempels te verwijderen en verwijderd te houden,

c. de weg te herstellen door het op deugdelijke wijze opvullen van de gaten.

Ten slotte vorderen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij door de handelwijze van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet langer in de gelegenheid zijn het hun toekomende recht van erfdienstbaarheid uit te oefenen. Door het verplaatsen en versmallen van het toegangshek kunnen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] immers niet meer met een tractor mest laten afvoeren of met een vrachtwagen hooi en stro aanvoeren. Evenmin kunnen zij met een paardentrailer hun paarden vervoeren. Door het plaatsen van betonnen drempels is het [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voorts onmogelijk gemaakt om met hun personenauto over de weg te komen en te gaan naar de [adres]. Deze drempels zijn namelijk te hoog en bovendien ook gevaarlijk voor de kinderen die met hun (brom)fiets over de weg gaan. Ten slotte hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onderhoud aan de weg achterwege gelaten, waardoor de weg vol zit met gaten en deze bij of na regen vanwege de modder alleen met laarzen en een terreinwagen begaanbaar is.

3.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben hun spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen vanwege het verplaatsen en versmallen van het toegangshek door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op zichzelf voldoende aannemelijk gemaakt.

4.2. Niet in geschil is dat ten behoeve van het perceel van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een erfdienstbaarheid van uitweg bestaat ten laste van (een deel van) het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Het gaat in dit kort geding om de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dit recht van uitweg van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op onredelijke wijze bemoeilijken en daarmee inbreuk maken op de ten behoeve van het perceel van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gevestigde erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de [adres].

ten aanzien van het toegangshek

4.3. Vaststaat dat het toegangshek door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] twee meter naar voren is geplaatst, dichter naar de [adres] toe. Omdat aan de andere kant van de op zichzelf smalle [adres] een rij met bomen staat, waardoor aan die kant in ieder geval geen ruimte bestaat om een ruime bocht te maken, is vooralsnog voldoende aannemelijk dat door het naar voren plaatsten van het toegangshek voertuigen met een aanhanger, zoals een paardentrailer of een tractor met aanhanger, de bocht ter plaatse nagenoeg niet, althans zeer moeilijk kunnen maken. Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is dit zelfs onmogelijk, terwijl [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf ook erkennen dat het voor voertuigen met een aanhanger lastig manoeuvreren is. Gelet hierop, alsmede op het verhandelde ter zitting en de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in het geding gebrachte foto’s, die een duidelijk beeld geven van de situatie ter plekke, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door het verplaatsen van het toegangshek het recht van uitweg van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op onredelijke wijze hebben bemoeilijkt. In zoverre is er dan ook sprake van inbreuk op de ten behoeve van het perceel van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gevestigde erfdienstbaarheid van uitweg. Dat het gebruik van de weg door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] leidt tot een verzwaring van de erfdienstbaarheid, is vooralsnog op geen enkele wijze gebleken.

4.4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben nog gesteld dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ook via de andere kant van hun perceel met zwaar materieel hun woning kunnen bereiken over een weg die daarvoor geschikt is. Zij hebben deze stelling evenwel niet nader met stukken onderbouwd, terwijl [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gemotiveerd hebben betwist dat die weg daarvoor geschikt is. De voorzieningenrechter zal aan deze stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan ook voorbij gaan. Met betrekking tot het versmallen van het toegangshek van vijf naar drie meter door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het recht van uitweg van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daarmee niet op onredelijke wijze wordt bemoeilijkt. Drie meter is op zichzelf krap, maar niet te krap. Daarbij is met name van belang de onbetwiste stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], dat vrachtwagens een maximale breedte mogen hebben van 2,55 meter inclusief spiegels.

4.5. Een en ander betekent dat het gevorderde onder 3.1 sub a zal worden toegewezen, voor zover dit ziet op het in de oude toestand herstellen van het toegangshek, in zoverre dat het nieuwe hek op een afstand wordt geplaatst van drie meter te rekenen vanaf de [adres] in de richting van de woonboerderij van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dienen dit te hebben gerealiseerd binnen twee weken na betekening van dit vonnis. Er bestaat aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren in voege zoals hierna aan te geven.

ten aanzien van de betonnen drempels

4.6. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op twee plaatsten op de bewuste weg

betonnen drempels hebben geplaatst. Zij stellen dit te hebben gedaan omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] met hoge snelheid over die weg rijden waardoor de kinderen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevaar lopen. Los van de vraag óf de geuite beschuldiging op waarheid berust, hetgeen in dit kort geding niet kan worden uitgemaakt, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorshands geoordeeld een gerechtvaardigd belang bij het plaatsen van betonnen drempels als snelheidsbeperkende maatregel. Bovendien hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2], gelet op de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het geding gebrachte foto’s, vooralsnog onvoldoende aangetoond dat de betonnen drempels zodanig veel hinder veroorzaken dat daarmee het recht van uitweg op onredelijke wijze wordt bemoeilijkt. Van inbreuk op de ten behoeve van het perceel van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gevestigde erfdienstbaarheid van uitweg is dan ook, voorshands geoordeeld, geen sprake. Het gevorderde onder 3.1 sub b zal worden afgewezen.

ten aanzien van het onderhoud van de weg

4.7. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een factuur in het geding gebracht van Verhuurbedrijf W.C. den Hartog van 20 oktober 2007, waaruit blijkt dat op 22 september 2007 onderhoudswerkzaamheden aan de weg zijn uitgevoerd, te weten het egaliseren en aantrillen van de weg. Bovendien blijkt uit een door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het geding gebrachte verklaring van de heer [betrokkene], de vorige eigenaar van het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en het dienende erf, dat in de periode dat hij daar woonde (gedurende tien jaren tot 2001) het onderhoud aan de weg bestond uit het slechts eenmalig hier en daar opbrengen van wat grind. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] na september 2007 onmogelijk gebruik hebben kunnen maken van de weg. Onder deze omstandigheden kan vooralsnog niet worden geoordeeld dat als gevolg van slecht onderhoud aan de weg door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het recht van uitweg van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op onredelijke wijze is bemoeilijkt. Dat de weg er na een regenbui wellicht anders en slechter uitziet, maakt op zichzelf nog niet dat er sprake is van slecht onderhoud. Het gevorderde onder 3.1 sub c zal dan ook worden afgewezen.

ten aanzien van de kosten van dit geding

4.8. Aangezien partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van dit kort geding tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om uiterlijk twee (2) weken na betekening van dit vonnis met betrekking tot het toegangshek de oude situatie zodanig te herstellen dat het nieuwe hek op een afstand wordt geplaatst van drie (3) meter te rekenen vanaf de [adres] in de richting van de woonboerderij van [eiser sub 1] en [eiser sub 2],

5.2. bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een dwangsom verbeuren van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 10.000,00,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 14 april 2009.