Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI6704

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
601540 VV Expl. 09-8027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In kort geding (voorlopige voorziening) vordering van verhuurder tot ontruiming flat door huurster wegens (geluid)overlast afgewezen nu huurster i.v.m. voorgenomen sloop van haar vorige flat gedwongen werd te verhuizen naar flat in geschil en verhuurder er verantwoordelijk voor is te houden dat zij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat de leefsituaties huurster (moeder met twee kleine kinderen) en omwonenden (veelal kinderloze echtparen, of alleenstaande ouderen) tot klachten van die omwonenden aangaande verstoring van hun huurgenot zouden kunnen leiden.

Verhuurder moet naar een structurele oplossing zoeken en huurster zal daar haar medewerking aan hebben te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 601540 \ VV EXPL 09-8027 \ MB/24/AS

uitspraak van 29 april 2009

vonnis in kort geding

in de zaak van

de stichting Stichting Woonstede

gevestigd te Ede

eisende partij

gemachtigde mr. R. Boekhoff

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

toevoeging nr. [nummer]

gemachtigde mr. J.W. Koekebakker

Partijen worden hierna Woonstede en [gedaagde partij] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- de dagvaarding van 12 maart 2009 met producties

- de door [gedaagde partij] op voorhand toegezonden producties

- de door Woonstede op voorhand toegezonden producties

- de mondelinge behandeling van 14 april 2009 en de daarvan door de griffier gemaakte aantekeningen en de pleitaantekeningen van Woonstede.

De feiten

Partijen hebben sinds 24 oktober 2008 een huurovereenkomst met betrekking tot de huur van een flatwoning aan [straat en nummer] te [woonplaats]. De flatwoning is aan [gedaagde partij] toegewezen als vervangende woonruimte wegens de voorgenomen sloop van de flat aan de [straatnaam] [woonplaats] waar [gedaagde partij], tot haar scheiding, met haar echtgenoot en haar twee kinderen van 2 en 4 jaar heeft gewoond.

In artikel 6.4. van voormelde huurovereenkomst is als verplichting van de huurder opgenomen: “Huurder dient er voor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.”

Al snel na de intrek van [gedaagde partij] en haar twee kinderen heeft Woonstede klachten ontvangen van omwonenden over overlast in de zin van geluidsoverlast overdag en ’s nachts. Met name de bewoners van [straatnaam] huisnummers [diverse huisnummers] klagen erover dat de kinderen van [gedaagde partij] overdag en vrijwel dagelijks herrie veroorzaken in de vorm van rennen, stampen, schreeuwen, gillen, gooien met voorwerpen en bonken/slaan op verwarmingen en muren. [gedaagde partij] en haar ex-man, die nog veel bij haar verblijft, veroorzaken ook overlast. Zij maken vrijwel dagelijks, zowel overdag als in de avond en nacht, veel ruzie, waarbij veel wordt geschreeuwd. Ook wordt er veel met deuren en (kennelijk) huisraad gegooid en af en toe is er sprake van harde muziek.

Naar aanleiding van deze klachten heeft Woonstede in zowel november als december 2008 en in januari 2009 gesprekken gevoerd met [gedaagde partij] en haar begeleider van het RIBW. Ook is er diverse keren politiebemoeienis geweest.

Bij brief van 22 januari 2009 heeft Woonstede [gedaagde partij] laten weten dat zij met het oog op de belangen van de buren niet anders kon dan [gedaagde partij] voor de laatste keer sommeren tot het staken van het veroorzaken van overlast.

[gedaagde partij], die de klachten van de buren zwaar overtrokken acht, heeft vervolgens een verzoek ingediend om van woning te mogen ruilen met haar schoonmoeder. Dat ging niet door omdat de woningcorporatie van de ruilhuurder (schoonmoeder) de medewerking weigerde.

Bij brief van 2 maart 2009 heeft Woonstede aan [gedaagde partij] vervangende woonruimte aangeboden. [gedaagde partij] heeft dat aanbod niet geaccepteerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de buren ten onrechte klagen. Zij stelt voorts dat zij niet de financiële middelen heeft om opnieuw te verhuizen.

De vorderingen, de grondslagen en de verweren.

Woonstede vordert bij wege van voorlopige voorziening de veroordeling van [gedaagde partij] om de van Woonstede gehuurde flatwoning vrij van personen en goederen te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonstede te stellen en Woonstede te machtigen die ontruiming zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde partij], zonodig met behulp van de sterke arm, kosten rechtens.

Aan haar vordering legt Woonstede, kort samengevat, ten grondslag dat [gedaagde partij] ernstig tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Al haar (Woonstedes) inspanningen ten spijt, is het haar niet is gelukt om [gedaagde partij] te bewegen tot goed huurderschap. De min of meer dagelijkse overlast aan de andere bewoners kan niet langer worden getolereerd.

Met het oog op een (naar vaste jurisprudentie) afweging van belangen meent Woonstede dat het veroorzaken van overlast en hinder op de schaal en wijze als gesteld, niet als van geringe betekenis kan worden aangemerkt. Evenmin kan, volgens Woonstede, worden gezegd dat de bijzondere aard van de tekortkoming aan ontbinding in de weg staat.

Woonstede zegt een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering omdat in het gedrag van [gedaagde partij] geen verbetering optreedt terwijl de buren hebben aangegeven hierdoor diep in hun woongenot te worden geschaad en sommigen klagen over hun gezondheidsklachten als gevolg van slaapgebrek en psychische spanningen.

[gedaagde partij] betwist de gestelde overlast door haar en haar gezinsleden. Zij is van mening dat zij zich als goed huurder gedraagt. Zij realiseert zich dat zij met jonge kinderen meer lawaai maakt dan een gezin zonder kinderen of een alleenstaande. Zij wijst erop dat Woonstede haar deze flatwoning heeft verhuurd in de wetenschap dat zij twee jonge kinderen heeft. Daarmee, zo vindt [gedaagde partij], mocht zij er vanuit gaan dat deze flatwoning voldoende bestand is tegen woongeluiden. Als dat niet zo is dan kan haar dat niet worden verweten, zo vindt [gedaagde partij].

Zij stelt zich voorts op het standpunt dat in een dichtbebouwde woonomgeving, zoals in flats, het onontkoombaar is dat men elkaars aanwezigheid waarneemt, hoort en ziet en er mee leert omgaan. Waar last eindigt en overgaat in overlast is volgens [gedaagde partij] subjectief. Aan de objectiviteit van de klachten van de buren kan volgens [gedaagde partij] worden getwijfeld nu de opmerkingen in de desbetreffende klachtenlijsten grote gelijkenis vertonen. De door de buren ingeschakelde politie heeft nimmer een situatie aangetroffen die aanleiding gaf tot ingrijpen of opmaken van een proces-verbaal.

[gedaagde partij] zegt in overleg met Woonstede de nodige maatregelen te hebben getroffen om mogelijke geluidsoverlast tegen te gaan maar Woonstede heeft het effect daarvan nimmer gecontroleerd. De door [gedaagde partij] voorgestane buurtbemiddeling is door de buren afgewezen waardoor zij het recht op spreken en klagen hebben verspeeld, zo vindt [gedaagde partij].

[gedaagde partij] vindt al met al dat voor zover bewoners “last”hebben van haar en de andere gezinsleden dat nog niet hoeft te betekenen dat er sprake is van overlast in de zin van de huurovereenkomst. Indien er sprake is van een mate van tekortschieten dan is deze gering, afgezet tegen de overige omstandigheden, waaronder haar financiële positie. Het rechtvaardigt in ieder geval niet dat van haar kon worden gevergd om te verhuizen.

[gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van vordering.

De beoordeling

Uit de aard van het geschil blijkt in voldoende mate dat Woonstede een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

Gelet op de waarborgen waarmee de wet de rechten van huurders van woonruimte omkleedt dient de nodige terughoudendheid te worden betracht bij de vraag of op grond van de gestelde tekortkoming, bij wege van voorlopige voorziening in kort geding, een vordering tot een zeer ingrijpende maatregel als ontruiming kan worden toegewezen.Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan slechts plaats zijn indien met grote mate van waarschijnlijkheid aangenomen moet worden dat in een bodemprocedure de ontruiming zal worden bevolen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming en van zodanige omstandigheden dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.

Voldoende blijkt uit de stellingen van partijen dat [gedaagde partij] en de omwonenden waar het gaat om elkaars aanwezigheid in de flat last hebben van elkaar. De omwonenden vinden dat [gedaagde partij] teveel herrie veroorzaakt en [gedaagde partij] vindt dat de omwonenden weinig kunnen hebben. Dat de klachten van de omwonenden qua “format”, zoals [gedaagde partij] stelt, veel op elkaar lijken, valt samen met hun daadwerkelijke gelijkenis, zoals Woonstede voldoende aannemelijk heeft gemaakt en zegt, voorzover [gedaagde partij] dat met haar verweer beoogt, niets over de ernst daarvan.

De kantonrechter is van oordeel dat de problemen tussen partijen voor een groot deel hun oorzaak vinden in de verschillende leefwijzen van [gedaagde partij] en de omwonenden, zoals ook wel enigszins is gebleken op de zitting van de mondelinge behandeling waar een aantal omwonenden bij aanwezig was. [gedaagde partij] staat, zo is ook ter zitting gebleken, door de gehorigheid van de flatwoningen letterlijk met de rug tegen de muur als het gaat om het intomen van het door haar en haar kleine kinderen veroorzaakte geluid tot een voor de omwonenden, veelal alleenstaanden of samenwonenden zonder kinderen, acceptabel niveau.

In die omstandigheid moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat [gedaagde partij] in onvoldoende mate het verwijt treft dat door haar toedoen Woonstede aan de buren niet het genot kan verschaffen dat zij als huurders mogen verwachten van hun gehuurde woningen.

Anders gezegd: Woonstede is er meer dan [gedaagde partij] verantwoordelijk voor te houden dat [gedaagde partij], die gedwongen was te verhuizen, met haar gezin in een voor haar minder geschikte woonomgeving is beland. In die zin ontbeert haar vordering in dit kort geding voldoende grondslag en dient die derhalve te worden afgewezen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat op Woonstede de plicht rust aan een structurele oplossing voor de ontstane situatie te gaan werken. Tot die tijd kan [gedaagde partij] blijven zitten waar ze zit. Op [gedaagde partij] rust de plicht volledige medewerking te verlenen aan de door Woonstede geboden oplossing. Dat kan ook meebrengen dat zij moet verhuizen en in dat verband kosten moet maken. Op [gedaagde partij], maar ook op de omwonenden rust de verplichting zoveel mogelijk als goede buren met elkaar om te gaan en waar mogelijk met elkaar rekening te houden.

De vordering zal, zoals hiervoor al overwogen, worden afgewezen met veroordeling van Woonstede in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter

wijst de gevorderde voorlopige voorziening af;

veroordeelt Woonstede in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] tot aan deze uitspraak begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor een acceptgirokaart wordt toegezonden.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009.