Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI6392

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/4411
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4:6 van de Awb en artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Overgelegde verklaring geen nieuw feit of veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4411

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 7 mei 2009

inzake

[naam eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. F.W. Drost,

tegen

het Dagelijks Bestuur van <Breed>, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.P.J. Rubens

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 augustus 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft verweerder het verzoek van eiser om terug te komen op een besluit van 28 juni 2006 betreffende een afwijzing van een verzoek om vergoeding van reiskosten woon-werkverkeer, afgewezen omdat eiser geen nieuwe feiten heeft aangevoerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het eerder genoemde besluit van 13 mei 2008 gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 maart 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Drost voornoemd, advocaat te Baarn. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.P.J. Rubens, advocaat te Boven-Leeuwen, vergezeld van de heer [X], algemeen directeur bij <Breed>.

3. Overwegingen

Eiser is sinds 1 februari 2000 bij (de rechtsvoorganger van) <Breed> werkzaam. Bij zijn aanstelling is eiser een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toegekend voor een periode van twee jaar. Bij besluiten van 3 april 2002 en 24 februari 2004 is deze vergoeding steeds voor 2 jaar voorgezet. In 2006 heeft eiser wederom voorzetting van de reiskostenvergoeding verzocht. Hierbij heeft eiser een verklaring overgelegd van zijn voormalig leidinggevende, de heer [A] van 20 mei 2006. [A] verklaart hierin:

“Tijdens de onderhandelingen aangaande de arbeidsvoorwaarden heb ik de heer [naam eiser] toegezegd, in overleg en met goedkeuring van de algemeen directeur de heer [B], een reiskostenvergoeding woon/werkverkeer voor de duur van twee jaar, met stilzwijgende continuering van telkens twee jaren.”

Bij brief van 28 juni 2006 heeft verweerder eiser te kennen gegeven dat geen aanleiding bestaat om terug te komen op een eerder ingenomen standpunt over deze kwestie en dat het verzoek van eiser wordt afgewezen.

Bij brief van 29 augustus 2006 heeft eiser op voormelde brief gereageerd.

Bij brief van 16 januari 2007 maakt eiser bezwaar bij de “Commissie klachten en bezwaar Breed” (hierna: de commissie) tegen de stopzetting dan wel het niet langer toekennen van de reiskostenvergoeding. Op 21 maart 2007 vindt een hoorzitting plaats en brengt de commissie advies uit. Hierbij geeft de commissie aan dat zij het te laat ingediende bezwaar toch ontvankelijk achten omdat op voorhand niet duidelijk is dat in de brief van 28 juni 2006 een eenduidig herkenbaar besluit is geformuleerd.

Bij besluit op bezwaar van 26 april 2007 neemt verweerder nadrukkelijk het standpunt in dat zijn brief van 28 juni 2006 aangemerkt moet worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dit eiser als zodanig kenbaar moest zijn. Voorts acht verweerder, in afwijking van het advies van de commissie, de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Het bezwaar van eiser wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank van 15 januari 2008, registratienummer AWB 07/2162, is dit beroep ongegrond verklaard omdat naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij indiening van het bezwaarschrift.

Vervolgens heeft eiser bij brief van 11 april 2008 verweerder verzocht om terug te komen op het besluit van 28 juni 2006. Eiser overlegt hierbij een nieuwe verklaring van de heer [A], opgesteld in april 2008. Hierin verklaart [A]:

“Ik begrijp nu dat de heer [B] heeft gezegd dat een continuering niet vanzelfsprekend was. Ik kan met klem mededelen dat hij destijds volledig akkoord is gegaan met de gekozen methode van stilzwijgende verlenging.”

Eiser stelt dat deze verklaring een relevant nieuw gegeven is.

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft verweerder het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 28 juni 2006, afgewezen. Verweerder stelt primair dat de nieuwe verklaring van [A] geen nieuw feit is. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat tegenover de verklaring van [A] andersluidende verklaringen, besluiten en rechtspositiereglementen staan. Verweerder ziet geen zwaarwegende redenen om hiervan af te wijken.

Eiser maakt bij brief van 25 mei 2008 bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek.

De commissie deelt verweerder op 14 juli 2008 per email mee dat de zaak buiten zitting als kennelijk ongegrond kan worden afgedaan. Naar de mening van de commissie is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voorts meent de commissie dat de verklaring van [A] ook in de eerdere procedure naar voren had kunnen worden gebracht.

Bij het bestreden besluit verklaart verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie van 14 juli 2008, het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en is, kort gezegd, de mening toegedaan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden alsmede dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat over het feit dat de kennelijk niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar bij het bestreden besluit, op een kennelijke misslag berust. Partijen zijn het erover eens dat verweerder heeft bedoeld het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond te verklaren. Ook de rechtbank zal bij haar beoordeling hiervan uitgaan.

De rechtbank overweegt voorts dat het in geding zijnde verzoek van eiser van 11 april 2008, een verzoek is om terug te komen van het besluit van 28 juni 2006, waarbij de aanvraag van eiser om voortzetting van de reiskostenvergoeding is afgewezen.

Ingevolge hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit.

De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de door eiser overgelegde verklaring van [A] van april 2008 is aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat de verklaring van eisers voormalig leidinggevende, [A], van april 2008 vrijwel gelijkluidend is en dezelfde strekking heeft als de door eiser ter onderbouwing van zijn eerdere aanvraag ingebrachte verklaring van [A] van 20 mei 2006. Immers, in de verklaring van 20 mei 2006 schrijft [A] dat de reiskostenvergoeding met stilzwijgende continuering in overleg en met goedkeuring van de heer [B] aan eiser is toegezegd. Ook de verklaring van april 2008 gaat om het feit dat [A] de mening is toegedaan dat de heer [B] akkoord was met de methode van stilzwijgende verlenging van eisers reiskostenvergoeding. Dat [A] in zijn brief van april 2008 één en ander iets anders formuleert en daarbij de goedkeuring van [B] heeft willen benadrukken zoals door eiser ter zitting is toegelicht, kan hieraan niet afdoen.

Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake en derhalve was verweerder bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen, onder verwijzing naar het eerdere besluit van 28 juni 2006. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

Gezien voorstaande treft het betoog van eiser dat ten onrechte geen hoorzitting is gehouden, geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank was er, mede gelet op het feit dat het een herhaalde aanvraag betreft, in redelijkheid geen twijfel over mogelijk dat het bezwaar van eiser geen stand kon houden. Ook overigens was er voor verweerder geen aanleiding om te veronderstellen dat behandeling van het bezwaar ter hoorzitting nog nieuwe, relevante gezichtspunten zou kunnen opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook niet ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.

Met betrekking tot het standpunt van eiser dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder het advies van de commissie van 14 juli 2008 niet bij het bestreden besluit heeft gevoegd, overweegt de rechtbank ten slotte dat zij eiser hierin evenmin volgt. De inhoud van het advies van de commissie - namelijk het afzien van een hoorzitting omdat geen sprake is van nieuwe feiten, en dat voorts aan het besluit van 28 juni 2006 niet zodanige gebreken kleven dat verweerder op het besluit moest terugkomen - is volledig weergegeven in het bestreden besluit.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.M. Overbeeke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 mei 2009