Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI5980

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
05/501239-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval doordat bestuurder van een vrachtauto rijdend op de A15 een file voor hem te laat heeft opgemerkt en met nagenoeg onverminderde snelheid met zijn trekker met oplegger in botsing is gekomen met een voor hem langzaam rijdende personenauto, als gevolg waarvan 2 inzittenden zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De verdediging stelt dat het maken van een enkele verkeersfout nog niet betekent dat er sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het bij de beoordeling of er sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt dat mede gelet op de in het vonnis opgenomen omstandigheden verdachte zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld door bij nadering van een zich op korte afstand voor hem bevindende file niet zijn motorvoertuig tot stilstand te brengen en tegen zijn voorligger aan te rijden. Volgt een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit op grond van art. 6 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/501239-08

Datum zitting : 13 februari 2009 en 17 april 2009

Datum uitspraak : 29 april 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 06 april 2007, te Tiel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger) daarmede heeft gereden in de richting Rotterdam, over de rechter rijstrook van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de Rijksweg A15, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl hij, verdachte op voormelde dag, voorafgaande aan het hierna te omschrijven ongeval, niet de verplichte wettelijke rusttijd in ogenschouw genomen had en/of op voormelde weg, op korte afstand een stilstaande, althans langzaam rijdende file was genaderd, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (trekker met oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of met een snelheid gelegen tussen de 70 en 79 kilometer per uur tegen een voor hem, verdachte uit over die rechter rijstrook rijdend, ander motorrijtuig (personenauto) is gebotst, in elk geval is aangereden en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en ([slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 06 april 2007, te Tiel, als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger) daarmede heeft gereden in de richting Rotterdam, over de rechter rijstrook van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de Rijksweg A15 en/of met een snelheid gelegen tussen de 70 en 79 kilometer per uur tegen een voor hem, verdachte uit over die rechter rijstrook rijdend ander motorrijtuig (personenauto) is gebotst, in elk geval is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 13 februari 2009 en 17 april 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte telkens verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde strafbare feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 april 2007 reed verdachte als bestuurder van een trekker met oplegger op de Rijksweg A15 op de rechterrijstrook in de richting van Rotterdam. Te Tiel is verdachte met een snelheid gelegen tussen 70 en 79 kilometer per uur in botsing gekomen met een voor hem langzaam rijdende personenauto. Als gevolg van deze botsing hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het standpunt van de officier van justitie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een grove verkeersfout. Verdachte heeft een file vóór hem te laat opgemerkt en hij is met nagenoeg onverminderde snelheid met zijn trekker met oplegger achterop de auto vóór hem gereden. Voorafgaand aan dit ongeval heeft verdachte zich niet gehouden aan de wettelijk verplichte rusttijden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De verdediging heeft daartoe de volgende verweren gevoerd:

1. Gelet op de afstand tussen Enschede en Moerdijk, de tijd waarin verdachte die afstand kon afleggen en de afstand die verdachte had afgelegd vóór het ongeval, is het aannemelijk dat verdachte heeft gerust tussen Enschede en Moerdijk. Daarnaast heeft verdachte vóór de betreffende rit meerdere momenten in de ochtend niet gereden en hij was fit. Niet kan worden aangetoond dat er causaal verband is tussen het niet in acht nemen van de formele rij- en rusttijden door verdachte op 6 april 2007 en het ongeval;

2. Het voorbereidend onderzoek is dermate gebrekkig dat niet kan worden vastgesteld wat de omstandigheden van het geval waren. Zo is niet duidelijk of er wel een filevorming was op de A15, of de matrixborden in werking waren en of de personenauto stilstond op het moment van het ongeval. Dit is van belang nu volgens vaste jurisprudentie het maken van een enkele verkeersfout nog niet betekent dat er sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 en het begrip ‘schuld’ wordt ingekleurd door alle omstandigheden van het geval. In dit geval kan de schuld van verdachte onvoldoende worden vastgesteld.

De beoordeling

Ad 1.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is vast komen staan dat er causaal verband is tussen de rusttijden die verdachte in de ochtend van 6 april 2007 in acht heeft genomen en het plaatsgevonden ongeval in de middag van die 6 april 2007. De rechtbank zal verdachte voor dit gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken. De rechtbank laat verder dan ook onbesproken of verdachte al dan niet heeft voldaan aan die wettelijk verplichte rusttijden.

Ad 2.

De raadsman beroept zich in zijn verweer op een arrest van de Hoge Raad. Van dat arrest is de volgende overweging in casu van belang:

“Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.”

De rechtbank is, gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van oordeel dat het bij de beoordeling of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank acht het volgende van belang:

Verdachte is een beroepschauffeur sinds 2004, hij is aan te merken als een zogenaamde ‘beginnend bestuurder’. Hij reed met wisselende vrachtwagens en hij wist dat de remweg per vrachtwagen kon verschillen; verdachte was niet bekend met de remweg van de vrachtwagen in kwestie en deze vrachtwagen was ook nog eens volgeladen met slib, welke omstandigheid – als feit van algemene bekendheid – een langere remweg met zich brengt. Verdachte reed met zijn vrachtwagen over een rechte weg bij daglicht en de weersomstandigheden waren droog. Het uitzicht op plaats ongeval was vrij en onbeperkt. Daarnaast zat verdachte in de cabine van zijn vrachtwagen en dus hoger dan in een personenauto. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte overzicht kon hebben op de verkeerssituatie vóór hem. Desondanks is verdachte op een file vóór hem ingereden.

Verdachte heeft verklaard dat hij plotseling zag dat het verkeer voor hem aanzienlijk langzamer ging rijden en hij uit volle macht heeft geremd en heeft geprobeerd naar rechts uit te wijken doch toen tegen de achterzijde van een auto is gereden. Verder heeft hij verklaard het gewoon veel te laat gezien te hebben.

Als verklaring hiervoor geeft verdachte dat hij wellicht enig moment was afgeleid; een moment van onoplettendheid. Het overige verkeer wat stilstond of nagenoeg stilstond heeft wel tijdig tot stilstand kunnen komen.

Aan de hand van de bovenstaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte op wie als bestuurder van een vrachtwagen bijzondere oplettendheid in het verkeer wordt verwacht, zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld door bij nadering van een zich op korte afstand voor hem bevindende file niet zijn motorvoertuig tijdig tot stilstand te brengen en tegen zijn voorligger aan te rijden. Verdachte heeft aldus een grove verkeersfout begaan.

De conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde strafbare feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 06 april 2007, te Tiel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger) daarmede heeft gereden in de richting Rotterdam, over de rechterrijstrook van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de Rijksweg A15, zeer, onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam, terwijl hij, verdachte op voormelde weg, op korte afstand een langzaam rijdende file was genaderd, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (trekker met oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en waarover deze vrij was en met een snelheid gelegen tussen de 70 en 79 kilometer per uur tegen een voor hem, verdachte uit over die rechterrijstrook rijdend, ander motorrijtuig (personenauto) is gebotst, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor ander/en ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire feit:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat aan verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk moet worden opgelegd. De officier van justitie heeft zijn strafeis gebaseerd op de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarbij heeft hij in zoverre rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte dat hij van deze oriëntatiepunten is afgeweken en de gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden heeft omgezet in een werkstraf omdat hij een gevangenisstraf in deze zaak niet passend acht. In de tweede plaats zou verdachte als vrachtwagenchauffeur zwaarder worden getroffen door de ontzegging van de rijbevoegdheid dan een willekeurige andere burger. Op grond hiervan heeft de officier van justitie een groot deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk geëist. In het nadeel van verdachte zou kunnen werken dat genoemde oriëntatiepunten geen rekening houden met meerdere slachtoffers. Daar staat tegen over dat het tijdsverloop tussen het ongeval en de terechtzitting ten voordele van verdachte moet strekken.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, gelet op het tijdsverloop tussen het ongeval en de terechtzitting, een ontzegging van de rijbevoegdheid niet meer op zijn plaats is. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou verdachte werkeloos maken. Het ongeval heeft grote impact op verdachte gehad en hij begrijpt dat dit eveneens het geval is voor de slachtoffers en de familie van de slachtoffers. De verdediging verzoekt aan verdachte een werkstraf op te leggen al dan niet in combinatie met een voorwaardelijk strafgedeelte.

De beoordeling

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, d.d. 16 april 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is met vrijwel onverminderde snelheid op een file gereden. Hierdoor heeft hij een verkeersongeval veroorzaakt waarbij meerdere auto’s betrokken waren en waardoor twee personen zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Dit terwijl verdachte een vrachtwagenchauffeur is en van een vrachtwagenchauffeur in het verkeer meer voorzichtigheid mag worden verwacht dan van een willekeurige andere verkeersdeelnemer. Er is dan ook sprake van een ernstig feit.

Het verzoek van de raadsman om aan verdachte geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, zal niet worden gehonoreerd omdat dit onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Hierbij betrekt de rechtbank dat verdachte ten tijde van het ongeval was aangemerkt als ‘beginnend bestuurder’.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie bij het bepalen van zijn strafeis voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en is dan ook van oordeel dat de geëiste straf passend en geboden is.

6a. Beslissing inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de drie inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven tachograafschijven aan de rechthebbende zullen moeten worden teruggegeven.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4a.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 140 (honderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 70 (zeventig) dagen.

En voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 12 (twaalf) maanden

Bepaalt dat van deze ontzegging 10 (tien) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten drie tachograafschijven, aan de rechthebbende.

Aldus gewezen door:

mrs. P.J. van den Broeke (voorzitter), C.N. Dijkstra en M. Jurgens, in tegenwoordigheid van

mr. S.P.H. Brinkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2009.