Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI5958

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
05/801405-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer legt aan militair een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf op wegens een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/801405-08

Datum zitting : 20 april 2009

Datum uitspraak : 29 april 2009

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. S.O. Roosjen, advocaat te Drachten.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer toegestane vordering wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 november 2008 te Scheemda aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hoofdwonden en/of een hersenschudding (met misselijkheid) en/of hoofdpijn) heeft toegebracht, door deze toen aldaar opzettelijk met een (metalen) ketting, althans met een (metalen) kettingslot, in elk geval met een zwaar en/of hard voorwerp, (met kracht) op/tegen het hoofd te slaan.

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 16 november 2008, te Scheemda, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] met een (metalen) ketting, althans met een (metalen) kettingslot, in elk geval met een zwaar en/of hard voorwerp, (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 16 november 2008, te Scheemda, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een (metalen) ketting, althans met een (metalen) kettingslot, in elk geval met een zwaar en/of hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden ;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 20 april 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S.O. Roosjen, advocaat te Drachten.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- [slachtoffer].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een agressieregulatietraining en/of toezicht op zijn alcoholgebruik en voorts tot een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie verzocht deze toe te wijzen tot een bedrag van € 1019,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en hij heeft gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal van genoemd bedrag te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De militaire kamer is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat het letsel dat aangever [slachtoffer] bij het voorval heeft opgelopen, zoals blijkt uit de zich in het dossier bevindende medische informatie over [slachtoffer], kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

De militaire kamer is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiar tenlastegelegde, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 16 november 2008, te Scheemda, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] met een metalen kettingslot, (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging zware mishandeling.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 25 maart 2009;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, unit Arnhem, opgemaakt door Heutinck, reclasseringswerker, gedateerd 16 april 2009, betreffende verdachte.

- een pro justitia rapportage van het Commando Diensten Centra, afdeling psychiatrische advisering, opgemaakt door drs. Versteeg en kolonel-arts Mooren, gedateerd 23 maart 2009, betreffende verdachte.

- een briefconsult van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, opgemaakt door Van der Woerdt, psychiater, gedateerd 28 november 2008, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft na een avond stappen gepoogd om aangever [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een kettingslot op zijn hoofd te slaan. Zonder dat daartoe enige relevante aanleiding bestond, heeft verdachte de confrontatie met aangever gezocht en heeft hij daarbij het zware kettingslot dat op zijn fiets lag als wapen gebruikt. Dit is een zeer ernstig feit. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met kracht slaan op het hoofd van een persoon met een zwaar kettingslot tot ernstig lichamelijk letsel kan leiden. Aangever en verdachte hebben geluk gehad dat dit gevolg niet is ingetreden.

Deze vechtpartij heeft nog lang gevolgen gehad voor aangever in de vorm van angst en lichamelijke beperkingen. Daarbij komt dat verdachte militair is en zich zodanig heeft gedragen dat hij de goede naam van het Ministerie van Defensie in gevaar heeft gebracht. Van een ieder mag worden verwacht dat hij of zij zich kan beheersen in het uitgaansleven en dit geldt in het bijzonder voor een militair die getraind is in het niet onnodig en slechts op gepaste wijze toepassen van geweld.

Verdachte is eerder aangehouden voor een geweldsdelict en heeft toen een transactie betaald voor mishandeling. De Reclassering acht mede daarom een agressieregulatietraining geïndiceerd en ook verdachte lijkt het belang van een behandeling in te zien, alsook het belang van een eventuele behandeling gericht op het tegengaan van overmatig alcoholgebruik.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer, evenals de officier van justitie, dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van nader te noemen duur. Zij acht het feit dermate ernstig dat afdoening door de oplegging van uitsluitend een werkstraf niet passend is. Zij zal daarom, naast de werkstraf, aan verdachte tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De voorwaardelijke gevangenisstraf dient enerzijds om de ernst van het feit uit te drukken en anderzijds om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden om dergelijke feiten te plegen. De militaire kamer onderschrijft in dat verband het door de Reclassering genoemde belang dat verdachte zijn agressie ook buiten zijn functie in het leger beter leert te reguleren en dat aandacht wordt besteed aan zijn alcoholgebruik en het effect daarvan op ontremming. Daarom zal zij bij de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een agressieregulatietraining en/of een training gericht op het tegengaan van overmatig alcoholgebruik.

Zij zal het thans geschorste bevel tot voorlopige hechtenis tegen verdachte opheffen.

6.a De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van de geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 1.019, 50.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij de vordering van de benadeelde partij redelijk vindt, met uitzondering van het gedeelte van de vordering dat ziet op de kosten van het abonnement op de sportschool, ten bedrage van € 89,70.

De militaire kamer acht het gedeelte van de civiele vordering van [slachtoffer] dat ziet op de materiele schade voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Zij zal dit gedeelte van vordering geheel toewijzen, te weten de gevorderde schade aan de kleding en het abonnement op de sportschool. Weliswaar voert de raadsman terecht aan dat een benadeelde partij een schadebeperkende verplichting heeft, doch de militaire kamer acht de abonnementskosten van de sportschool gedurende een periode van drie maanden niet zodanig onredelijk dat deze schade vanwege een dergelijke verplichting van vergoeding zou moeten worden uitgesloten. Dat de benadeelde wellicht voor deze drie maanden in de gelegenheid is geweest om dit abonnement tijdelijk stop te zetten bij de sportschool, doet hieraan niet af.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit ook rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar het oordeel van de militaire kamer is niet mogelijk om in deze strafprocedure de exacte omvang van de immateriële schade vast te stellen. De militaire kamer acht wel aannemelijk gemaakt dat de totale immateriële schade van de benadeelde, voor dit moment naar maatstaven van billijkheid in ieder geval moet worden geschat op € 400.-. De militaire kamer zal dit bedrag toewijzen.

Het overige deel van de vordering is daarmee niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in het strafgeding. De militaire kamer zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Wat betreft het toe te wijzen deel van de vordering, groot € 819,50 zal de militaire kamer daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, bij gebreke van betaling en verhaal van genoemd bedrag te vervangen door 16 dagen hechtenis, en daarbij bepalen dat de wettelijke rente dient te worden betaald vanaf 16 november 2008.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiar tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit mocht inhouden een agressieregulatietraining en/of een training gericht op het voorkomen van overmatig drankgebruik, voor zolang dat door deze instelling(en) noodzakelijk wordt geacht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

B. Het verrichten van een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 100 (honderd) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 3 dagen, zijnde 6 uren geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis tegen verdachte.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], woonachtig aan de [adres], te betalen € 819,50 (zegge: achthonderdnegentien euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2008.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 819,50, subsidiair 16 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], woonachtig aan de [adres], te betalen € 819,50 (zegge: achthonderdnegentien euro en vijftig cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter,

mr. A.G. Broek - de Stigter, rechter,

kolonel mr. J.P.M. Schwillens, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.A.M. Janssen, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2009.