Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI5917

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
05/600192-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 06 februari 2009 getracht haar zus opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven te brengen. Zij heeft met een mes aan haar zus een fors aantal diepe en oppervlakkige steekwonden en voorts ernstige snijwonden, onder andere in het hoofd, de borst en de rug, toegebracht. Zij heeft haar zus op een onbewaakt moment thuis aangevallen en heeft haar achtervolgd tot op straat waar ze is door gegaan met steken. Het is slechts te danken aan de interventie van een voorbijganger op straat dat het handelen van verdachte geen dodelijke afloop tot gevolg heeft gehad, immers verdachte hield eerst toen op met het steken van het slachtoffer. Ze heeft daarop het mes weggegooid en is weggerend. Verdachte liep al geruime tijd met het idee rond om haar zus, haar vader en haar stiefmoeder om het leven te brengen. Zij heeft hier met verschillende vrienden en een leraar van haar school over gesproken. Haar zus heeft ten gevolge van verdachtes daad letsel opgelopen en daarvoor een medische behandeling moeten ondergaan. Voorts diende zij zich onder behandeling te stellen van een psycholoog. Zij ondervindt nog steeds de fysieke gevolgen van de aan haar toegebrachte verwondingen. Verdachte heeft haar zus onbeschrijfelijk leed, angst en verdriet toegebracht, zoals ter terechtzitting uit de slachtofferverklaring van de zus is gebleken. Een delict als het onderhavige deels gepleegd op de openbare weg in aanwezigheid van andere mensen draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter. Daarnaast draagt het bij aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Promis II

Parketnummer : 05/600192-09

Datum zitting : 19 mei 2009

Datum uitspraak: 02 juni 2009

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans verblijvende in JJI de Hunnerberg te Nijmegen, Berg en Dalseweg 287,

6522 CH Nijmegen.

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A. Kilic-Sahin, advocaat te Lent.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Primair

zij op of omstreeks 06 februari 2009 te Zetten, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (geboren op 22 juni 1992) van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, die [slachtoffer] meerdere malen in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt (onder andere in het hoofd en/of de borst en/of de rug), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op of omstreeks 06 februari 2009 te Zetten, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op 22 juni 1992) van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, die [slachtoffer] meerdere malen in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt (onder andere in het hoofd en/of de borst en/of de rug), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 19 mei 2009 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A. Kilic-Sahin, advocaat te Lent.

Tevens is ter terechtzitting verschenen als getuige-deskundige de heer C.T.H.M. Salet, GZ-psycholoog.

3. De beslissing inzake het bewijs

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

- het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], (p. 21-23);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 mei 2009.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Primair

zij op 06 februari 2009 te Zetten, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (geboren op 22 juni 1992) van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, die [slachtoffer] meerdere malen in het lichaam heeft gestoken en geprikt (onder andere in het hoofd en de borst en de rug), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot moord.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportages.

Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en waarbij onder meer is gelet op:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie d.d. 27 april 2009, betreffende verdachte;

- een voorlichtingsrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 09 februari 2009, betreffende verdachte;

- een voorlichtingsrapport van de afdeling Jeugdreclassering van de Bureaus Jeugdzorg Gelderland, d.d. 14 mei 2009, betreffende verdachte;

- een briefrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 15 mei 2009, betreffende verdachte;

- een pro justitia rapport opgemaakt door A.A.C.M. Lenssen, kinder- en jeugdpsychiater, gedateerd 07 mei 2009;

- een pro justitia rapport opgemaakt door C.T.H.M. Salet, GZ-psycholoog, gedateerd 08 mei 2009.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 27 april 2009 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door de kinderrechter is veroordeeld.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 06 februari 2009 getracht haar zus opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven te brengen. Zij heeft met een mes aan haar zus een fors aantal diepe en oppervlakkige steekwonden en voorts ernstige snijwonden, onder andere in het hoofd, de borst en de rug, toegebracht. Zij heeft haar zus op een onbewaakt moment thuis aangevallen en heeft haar achtervolgd tot op straat waar ze is door gegaan met steken. Het is slechts te danken aan de interventie van een voorbijganger op straat dat het handelen van verdachte geen dodelijke afloop tot gevolg heeft gehad, immers verdachte hield eerst toen op met het steken van het slachtoffer. Ze heeft daarop het mes weggegooid en is weggerend. Verdachte liep al geruime tijd met het idee rond om haar zus, haar vader en haar stiefmoeder om het leven te brengen. Zij heeft hier met verschillende vrienden en een leraar van haar school over gesproken. Haar zus heeft ten gevolge van verdachtes daad letsel opgelopen en daarvoor een medische behandeling moeten ondergaan. Voorts diende zij zich onder behandeling te stellen van een psycholoog. Zij ondervindt nog steeds de fysieke gevolgen van de aan haar toegebrachte verwondingen. Verdachte heeft haar zus onbeschrijfelijk leed, angst en verdriet toegebracht, zoals ter terechtzitting uit de slachtofferverklaring van de zus is gebleken. Een delict als het onderhavige deels gepleegd op de openbare weg in aanwezigheid van andere mensen draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter. Daarnaast draagt het bij aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

De officier van justitie heeft primair ter zake van het tenlastegelegde gerekwireerd, gelet op de ernst van het delict en het recidivegevaar, dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 116 dagen, met aftrek, en voorts tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ maatregel). De officier van justitie heeft subsidiair geëist dat de zaak voor onbepaalde tijd wordt aangehouden, zodat het civiele traject opgestart kan worden en gekeken kan worden of verdachte in de door de deskundigen aangegeven instelling (de Lindenhorst) geplaatst kan worden en dat geëvalueerd kan worden hoe het haar daar vergaat. De officier van justitie heeft tot slot aangegeven dat de optie die door de deskundigen is aangedragen, te weten een intramurale behandeling gekoppeld aan een voorwaardelijke PIJ maatregel, gelet op artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht, niet mogelijk is.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aan alle voorwaarden van een PIJ maatregel is voldaan. Immers, ingevolge het eerste lid onder sub c van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, kan een PIJ maatregel slechts opgelegd worden indien de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Nu de deskundigen een voorwaardelijke PIJ maatregel met een machtiging tot gesloten plaatsing adviseren, met als voorwaarde dat betrokkene zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering is de raadsvrouw van mening dat eerst deze lichtere optie geprobeerd moet worden. Immers, een PIJ maatregel is de laatste en zwaarste optie.

Door kinder- en jeugdpsychiater A.A.C.M. Lenssen is op 07 mei 2009 een rapport uitgebracht omtrent de persoon van de verdachte. De psychiater concludeert in bovengenoemd rapport als volgt.

“Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een Reactieve Hechtingsstoornis, geremde type. Tevens is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een Obsessief-Compulsieve Stoornis. Zij is ernstig gestagneerd in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Gerelateerd hieraan is bij betrokkene sprake van een gestoorde impuls- en agressieregulatie. Betrokkene heeft een gebrek aan emotioneel verbaliserend vermogen en er bestaat een onvermogen om op adequate wijze gevoelens van onvrede of agressie te ventileren en te reguleren.”

De psychiater concludeert voorts dat betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde (indien bewezen) heeft gehandeld op basis van bovengenoemde gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis. Zij heeft gehandeld bij gebrek aan empathische vermogens, waarbij zij niet geremd werd door adequate gewetensfuncties. Vanwege bovengenoemde factoren had betrokkene in de periode van het haar tenlastegelegde niet voldoende gedragsalternatieven, ondanks het besef van de ontoelaatbaarheid van het tenlastegelegde. Derhalve kan zij ten tijde van het haar tenlastegelegde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt..

De psycholoog, C.T.H.M. Salet, komt tot dezelfde conclusie in zijn bovengenoemd rapport.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De psychiater concludeert met betrekking tot de kans op recidive als volgt.

“Betrokkene’s gebrekkige vermogen tot mentaliseren en emotioneel verbaliseren, waarbij haar impuls- en agressieregulatie gestoord zijn, zijn van belang van het recidiverisico. Tevens zijn hierbij van belang haar inadequate empathische vermogens en haar inadequaat functionerende gewetensfuncties. Betrokkene is vanwege haar hechtingsproblematiek niet in staat tot het adequaat reguleren van emoties in de relationele sfeer, met name wanneer zij zich gefrustreerd of afgewezen voelt in intieme relaties. De (…) toegelichte traumatische sfeer waarin betrokkene is opgegroeid is een recidiveverhogende factor. Vanwege betrokkene’s onvermogen om emoties adequaat te delen, alsmede vanwege het loyaliteitsconflict met betrekking tot vader (…) is betrokkene nooit toegekomen aan een adequate verwerking. Dit is zo verweven met betrokkene’s hechtingsproblematiek, dat het reeds onderdeel is van haar persoonlijkheidsproblematiek, welke dientengevolge hardnekkig is en moeilijk te behandelen zal zijn. Haar neiging tot dwanggedachten na frustratie op het gebied van relaties vormt een recidiverisico. De recente intrede van de pubertijd met de ontwikkelingstaak van individuatie en separatie maakt haar extra kwetsbaar (…) en dit vormt een recidiverisico, vanwege de (onbewuste) herbeleving van (traumatische) separatie in eerdere levensfasen met de onmacht en radeloosheid van dien. De thuissituatie vormt dusdanig onderdeel van de problematiek van betrokkene, dat deze een belangrijke instandhoudende factor is van betrokkene’s problematiek en recidiveverhogend is. Vooral juist in de intiemere relatiesfeer, zoals familie of mogelijke intieme (seksuele) relaties, die betrokkene zal aangaan, is het recidiverisico hoog, vanwege de vergrote kans op de (onbewuste) herbeleving van afwijzing bij betrokkene in dergelijke relaties.(…)”

De psychiater adviseert met betrekking tot de op te leggen straf als volgt.

“Vanwege de ernstige bedreigde ontwikkeling van betrokkene, de ernst van het delict en het gevaar dat betrokkene met het geschetste recidiverisico vormt voor haar omgeving (met name voor de mensen in de relationele sfeer) is een intramurale behandeling binnen een gesloten setting op zijn plaats. (…) Een dergelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een machtiging tot gesloten plaatsing (in een jeugdzorg plus instelling), met als voorwaarde dat betrokkene zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering.”

Ten aanzien van de jeugdzorg plus instelling adviseert de psychiater de Lindenhorst te Zeist. Hier zou verdachte een langdurige behandeling kunnen ondergaan en de komende jaren kunnen verblijven. De Lindenhorst biedt een therapie (de pessotherapie) die aansluit op de specifieke problematiek van verdachte, aldus de psychiater in de rapportage van 07 mei 2009.

De diagnose en dit advies worden gedeeld door de mederapporteur, C.T.H.M. Salet, GZ-psycholoog.

Door de afdeling Jeugdreclassering van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland is een voorlichtingsrapport uitgebracht omtrent de persoon van de verdachte. De jeugdreclassering concludeert in haar rapport d.d. 14 mei 2009:

“Gezien de grote kans op recidive en de problematiek die langdurige, intensieve behandeling vraagt, adviseert de jeugdreclassering een onvoorwaardelijke PIJ maatregel.”

Bij brief van 15 mei 2009 heeft de Raad voor de Kinderbescherming aangegeven dat zij het preadvies van de jeugdreclassering overnemen.

Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige, de heer C.T.H.M. Salet, onder meer verklaard dat hij en kinder- en jeugdpsychiater A.A.C.M. Lenssen hebben geconcludeerd tot bovenstaand strafadvies op basis van de hieronder beschreven omstandigheden. Verdachte is nog nooit eerder behandeld voor haar stoornissen, verdachte is een onmachtig en beperkt meisje dat moeite heeft haar leven op de rails te krijgen, maar ze is niet een gecriminaliseerd meisje. De getuige-deskundige vreest dat verdachte in een PIJ instelling zal criminaliseren. Verdachte is voorts bereid mee te werken aan behandeling als dat geïndiceerd wordt geacht. Tot slot acht de getuige-deskundige van belang dat de vader van verdachte achter de behandeling van verdachte staat en hieraan wil meewerken. Desgevraagd heeft de getuige-deskundige aangegeven dat mocht het voorgestelde strafadvies niet mogelijk zijn (vanuit wettelijk dan wel praktisch oogpunt) een onvoorwaardelijke PIJ maatregel als enige optie overblijft.

De rechtbank is anders dan de raadsvrouw van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en mede gelet op het feit dat verdachte een feit heeft gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en voorts in aanmerking genomen dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte is en de noodzakelijke behandeling kan bieden, het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Weliswaar hebben beide deskundigen geadviseerd een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een machtiging tot gesloten plaatsing bij de Lindenhorst, met als voorwaarde dat betrokkene zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, op te leggen, doch dit is gelet op artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht geen wettelijke mogelijkheid. De getuige-deskundige heeft ter terechtzitting bevestigd dat indien het strafadvies geen mogelijkheid is, de andere optie een onvoorwaardelijke PIJ maatregel is.

Nu er bij verdachte sprake is van ernstige problematiek, de kans op recidive groot is en uit de rapportages van de gedragsdeskundigen en de verklaring van de getuige-deskundige ter zitting duidelijk naar voren is gekomen dat de behandeling die verdachte nodig heeft jaren kan duren acht de rechtbank een PIJ maatregel geïndiceerd. In het kader van een PIJ maatregel is de continuïteit van de behandeling gewaarborgd. De maatregel wordt dan ook in het belang van de verdachte geacht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in een PIJ instelling geplaatst dient te worden die een behandeling biedt die aansluit op de specifieke problematiek van verdachte.

Naast de voormelde maatregel zal, gelet op de ernst van de feiten, een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest worden opgelegd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 289 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een jeugddetentie voor de duur van 116 (honderdzestien) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

en voorts tot

de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Aldus gewezen door:

mr. R.M.H. Pennings, kinderrechter, als voorzitter,

mr. C.M. Vinck, kinderrechter,

mr. A.G. van Doorn, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Huberts, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 02 juni 2009.