Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI5721

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
05/508166-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuld in de zin van art. 6 WVW. Zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam? Vaststellen mate van schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/508166-08

Datum zitting : 8 mei 2009

Datum uitspraak : 20 mei 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. B.G.M. Frencken, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 22 april 2008, te Well, gemeente Maasdriel,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker

met oplegger) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, de Bernseweg,

zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam

- terwijl het zicht voor verdachte op die kruising en/of op het voor verdachte

liggende weggedeelte werd belemmerd en/of gehinderd door de laagstaande zon -

bij de kruising van die weg met de Weigraaf in strijd met artikel 18 lid 1 van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 naar links heeft gestuurd

en/of links af is geslagen teneinde de Weigraaf op te rijden en/of (daarbij)

in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 de binnenbocht heeft genomen, terwijl op de vluchtheuvel, die zich bevond

op de wegas van de Weigraaf een bord model D2 van de bijlage 1 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst, inhoudende het

gebod die vluchtheuvel aan de rechterzijde voorbij te gaan, en/of (daarbij) de

bestuurder van een bromfiets, die hem, verdachte, tegemoet kwam over de

rijbaan van de Bernseweg, niet voor heeft laten gaan, en/of (vervolgens) is

gebotst, althans in aanrijding is gekomen met de bestuurder van die bromfiets,

door welke botsing en/of aanrijding de bestuurder van die bromfiets werd terug

geworpen en/of tegen een op eerder genoemde vluchtheuvel staande lantaarnpaal

is terecht gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander

(G.C.M. [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk

letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de

normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 22 april 2008 te Well, gemeente Maasdriel, als bestuurder

van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de

Bernseweg, bij de kruising van die weg met de Weigraaf in strijd met artikel

18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 naar links

heeft gestuurd en/of links af is geslagen teneinde de Weigraaf op te rijden

en/of daarbij in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 de binnenbocht heeft genomen, terwijl op de vluchtheuvel,

die zich bevond op de wegas van de Weigraaf een bord model D2 van de bijlage 1

van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst,

inhoudende het gebod die vluchtheuvel aan de rechterzijde voorbij te gaan,

en/of (daarbij) de bestuurder van een bromfiets, die hem, verdachte, tegemoet

kwam over de rijbaan van de Bernseweg, niet voor heeft laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met de bestuurder

van die bromfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg

werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 mei 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B.G.M. Frencken, advocaat te 's-Hertogenbosch.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 april 2008 te Well, gemeente Maasdriel, reed verdachte als bestuurder van een trekker met oplegger op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Bernseweg en stuurde bij de kruising met de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Weigraaf naar links om af te slaan en is hij afgeslagen in de richting van de Weigraaf. Hij heeft daarbij in strijd met het op de vluchtheuvel, die zich op de weg-as van de Weigraaf bevond, aangebrachte bord model D02 van bijlage 1 RVV 1990 de binnenbocht genomen en is de vluchtheuvel niet, zoals dit gebodsbord aangaf rechts voorbij gereden. De zon stond laag. Hij heeft daarbij een bestuurder van een bromfiets die hem tegemoet kwam op de rijbaan van de Bernseweg geen voorrang verleend en heeft die bestuurder van de bromfiets aangereden. Als gevolg daarvan is de bestuurder van de bromfiets, G.C.M. [slachtoffer] terug geworpen en tegen een lantaarnpaal, staande op eerder genoemde vluchtheuvel, terecht gekomen waarbij hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen door op een zeer overzichtelijke verkeerskruising tijdens het afslaan de binnenbocht, links in plaats van rechts van de verkeersheuvel, te nemen en bovendien geen voorrang te verlenen aan de hem tegemoet komende bestuurder. Hij heeft daarmee grove schuld aan het ontstane ongeval. In verband met de laagstaande zon, had verdachte, die een ervaren beroepschauffeur is, extra oplettend dienen te zijn en naast het opzetten van zijn zonnebril extra maatregelen moeten treffen voordat hij afsloeg. Het feit dat de bestuurder van de bromfiets zich op de rijbaan bevond en niet op het voor hem verplichte (brom)fietspad, doet daar niet aan af. Indien nader onderzoek naar de schaduwwerking van de laagstaande zon op dat moment nodig is, omdat dit van invloed zou zijn op de mate van schuld dan wel de strafmaat, verzoekt hij om aanhouding van de zaak.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. De verdediging merkt daarbij op dat het inderdaad een overzichtelijke kruising is, maar dat verdachte geen haast had en niet hard reed. Verdachte heeft de bromfietser niet gezien. Hij had zijn aandacht op het laatst meer bij de bijzondere manoeuvre van het linksaf slaan. De verdediging is echter van oordeel dat het gebeurde slechts aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam is geweest. Naar het oordeel van de verdediging spelen de volgende omstandigheden een mitigerende rol bij de bepaling van de mate van schuld van verdachte aan het ongeval. De laagstaande zon heeft het zicht van verdachte belemmerd. De bromfietser kwam namelijk uit de schaduw van de bomen en behoefde niet verwacht te worden op die plaats op de rijbaan. Verder is er ook geen duidelijkheid over de snelheid van de brommer. Subsidiair verzoekt hij, indien de rechtbank de zaak zou aanhouden voor nader onderzoek naar de invloed van de laagstaande zon, ook onderzoek te laten doen naar de constructiesnelheid van de bromfiets.

Beoordeling van het tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel op grond van de hierboven vastgestelde feiten, dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

De officier van justitie en de verdediging verschillen van mening over de mate van schuld. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de effecten van de zonnestand op dat moment en de snelheid van de brommer een mitigerende invloed dienen te hebben op de mate van schuld van verdachte.

Bij het vaststellen van de schuldgraad kunnen alle omstandigheden van de zaak een rol spelen, mits een en ander uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De stelling van de verdediging is, dat de bromfietser heeft gereden op de rijbaan in plaats van op het (brom)fietspad met een onbekende snelheid en mogelijk heeft gereden in de schaduw van een rij bomen die langs de weg stonden en daardoor minder zichtbaar zou zijn geweest en daardoor onverwacht voor verdachte zou zijn verschenen.

De rechtbank overweegt op dit punt dat de fout van de bromfietser niet leidde tot het foutieve verkeersgedrag van verdachte. Voorts was deze omstandigheid voor verdachte redelijkerwijs te voorzien. De verdachte had ermee rekening moeten houden dat zich tegemoetkomend verkeer op de rijbaan bevond en had, indien hij werd gehinderd door de laagstaande zon extra voorzichtig en oplettend moeten zijn bij het uitvoeren van de onderhavige bijzondere manoeuvre.

Verdachte heeft aangegeven dat hij een bijzondere manoeuvre ging maken en dat hij zich, hoewel hij ver van te voren al had gekeken of de kruising vrij was, dichterbij gekomen, meer op het afslaan heeft geconcentreerd. Hij heeft behoudens het opzetten van zijn zonnebril geen andere maatregelen genomen om zich ervan te vergewissen of er nog tegemoetkomende verkeersdeelnemers aankwamen vlak voordat hij afsloeg terwijl hij van bovenstaande omstandigheden op de hoogte was. Hij heeft geen voorrang gegeven aan het slachtoffer die op zijn brommer op de rijbaan reed. Hij zag ineens een brommer voor zich verschijnen maar zijn remmen had toen geen effect meer. Dat het slachtoffer zelf een verkeersfout maakte door op de rijbaan te rijden in plaats van het voor hem verplichte (brom)fietspad te rijden doet daaraan niet af.

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen hierboven is overwogen niet noodzakelijk de zaak aan te houden voor nader onderzoek.

Op grond van de hiervoor gerelateerde vaststaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onoplettendheid en onachtzaamheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, nu verdachte bij het afslaan de binnenbocht heeft genomen en het slachtoffer geen voorrang heeft verleend omdat hij hem veel te laat heeft gezien.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 22 april 2008, te Well, gemeente Maasdriel,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker

met oplegger) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, de Bernseweg, aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam

- terwijl het zicht voor verdachte op die kruising en op het voor verdachte

liggende weggedeelte werd gehinderd door de laagstaande zon -

bij de kruising van die weg met de Weigraaf in strijd met artikel 18 lid 1 van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 naar links heeft gestuurd

en links af is geslagen teneinde de Weigraaf op te rijden en (daarbij)

in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 de binnenbocht heeft genomen, terwijl op de vluchtheuvel, die zich bevond

op de wegas van de Weigraaf een bord model D2 van de bijlage 1 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst, inhoudende het

gebod die vluchtheuvel aan de rechterzijde voorbij te gaan, en (daarbij) de

bestuurder van een bromfiets, die hem, verdachte, tegemoet kwam over de

rijbaan van de Bernseweg, niet voor heeft laten gaan, en (vervolgens) is

gebotst, met de bestuurder van die bromfiets,

door welke botsing de bestuurder van die bromfiets werd terug

geworpen en/of tegen een op eerder genoemde vluchtheuvel staande lantaarnpaal

is terecht gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander

(G.C.M. [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel of gedeeltelijk uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte ter zake van zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag een werkstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk moet worden opgelegd. Hij heeft bij zijn strafeis mede rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is ZZP-er/beroepsvrachtwagenchauffeur en zou zwaarder worden getroffen door de ontzegging van de rijbevoegdheid dan een willekeurige andere burger. Op grond hiervan eist hij een groot deel van de ontzegging voorwaardelijk op te leggen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van een lagere schuldgraad en dat daarom de werkstraf gematigd dient te worden en de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk dient te worden opgelegd, nu verdachte ZZP-er is en behoud van zijn werk en inkomen direct verbonden is met zijn werk. Indien de rechtbank zou overwegen een geldboete op te leggen, pleit hij, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor oplegging van een boete te betalen in termijnen. Verdachte heeft begrepen dat het ongeval grote impact heeft gehad en nog steeds heeft op het slachtoffer en diens familie en hij heeft spijt van hetgeen hij heeft aangericht.

De beoordeling

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 24 maart 2009.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Het ongeval heeft ernstige gevolgen gehad voor het slachtoffer. Hij is nog steeds niet volledig hersteld. Hij zit nog steeds in de ziektewet en kan slechts beperkt werkzaamheden verrichten op arbeidstherapeutische basis. Ook heeft hij recentelijk opnieuw een chirurgische ingreep moeten ondergaan ten einde de stand van zijn oog te verbeteren/herstellen.

Ten gunste van verdachte speelt dat hij oprecht spijt heeft van hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan en dat hij geprobeerd heeft met het slachtoffer zelf in contact te treden. Verder blijkt uit de documentatie dat het de eerste keer is dat hem dit soort verkeersgedrag wordt verweten.

De rechtbank ziet gelet op ernst van het ongeval, de justitiële documentatie en de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten het behoud van werk waarvoor het rijbewijs benodigd is, aanleiding om met inachtneming van de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren een werkstraf in plaats van een gevangenisstraf op te leggen en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91 van het Wetboek van Strafrecht en voorts de artikelen 6, 175, 176, 178, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

En voorts tot

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze ontzegging niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. A.M. van Gorp, rechter als voorzitter, mrs. C.N. Dijkstra en W. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 mei 2009.