Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI5673

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
05/900010-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beslissing ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering. Namens verzoeker heeft de raadsman verzocht het vastgestelde ontnemingsbedrag te verminderen met het bedrag dat het UWV aan WAO-uitkering en toeslag heeft teruggevorderd. De raadsman heeft aangevoerd dat de ontnemingsmaatregel er toe strekt dat verzoeker in dezelfde financiele situatie wordt teruggebracht als voor het plegen van het strafbare feit. Nu verzoeker voor het strafbare feit een uitkering genoot zal verzoeker door terugvordering van de genoten uitkering feitelijk in een slechtere financiele situatie worden gebracht. Om dubbele bestraffing te voorkomen dient het door het UWV teruggevorderde bedrag in mindering te worden gebracht op de ontnemingsvordering. De rechtbank verklaart het verzoek ongegrond. Op grond van artikel 577b Wetboek van Strafvordering jo artikel 36e, lid 6, Wetboek van Strafrecht, is de rechter alleen verplicht die vorderingen van schuldeisers die rechtstreeks benadeeld zijn door het feit waarvoor de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank kan het UWV niet als zodanig worden beschouwd, nu de schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het door verzoeker gepleegde strafbare feit waarvoor de ontnemingsmaatregel is opgelegd. Het ontnemingsbedrag heeft immers betrekking op het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij heeft verkregen uit het strafbare feit met betrekking tot de hennepkwekerijen en het bedrag dat het UWV heeft teruggevorderd ziet op ten onrechte aan hem verstrekte uitkeringen omdat hij verzuimd had opgave te doen van zijn inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Raadkamer

Parketnummer : 05/900010-06

Zaaknummer : 09/150

Datum zitting : 8 mei 2009

Datum uitspraak : 20 mei 2009

Beslissing ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering

Beschikking van de rechtbank Arnhem, meervoudige raadkamer, naar aanleiding van het op 3 maart 2009 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering van

naam : [verzoeker],

geboren op : [geboortedatum] te Rheden,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

ter zake van dit verzoekschrift woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. P.J.C. Cremers, Jansbinnensingel 24-25 te Arnhem (postbus 1258, 6801 BG).

De procedure

De raadkamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift, dat strekt tot vermindering van de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, opgelegd bij uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem d.d. 6 juni 2007, met bijlagen;

- voornoemde uitspraak waaruit blijkt dat verzoeker op 6 juni 2007 door de meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.797,87;

- brief van het Centraal Justitieel Incasso Bureau d.d. 25 maart 2009 waaruit blijkt dat verzoeker de opgelegde maatregel van ontneming in zijn geheel heeft voldaan.

In raadkamer van 8 mei 2009 zijn gehoord:

- verzoeker en zijn raadsman mr. P.J.C. Cremers, kantoorhoudende te Arnhem;

- de officier van justitie.

De standpunten

De raadsman van verzoeker heeft het verzoekschrift toegelicht en daarbij gepersisteerd. Kort gezegd komt het verzoekschrift neer op het volgende. Het UWV heeft een bedrag van ten onrechte uitgekeerde WAO-uitkering, alsmede alleenstaandentoeslag, over de periode van 1 juni 2005 tot en met 1 juni 2006 van verzoeker teruggevorderd omdat verzoeker in die periode inkomsten had uit hennepteelt en zijn inkomsten hieruit niet op de inkomstenformulieren van het UWV had ingevuld. Bij beslissing op bezwaar d.d. 27 september 2007 heeft het UWV het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 9.990,11. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door de bestuursrechter ongegrond verklaard. Naar het standpunt van de verdediging heeft dit er toe geleid dat verzoeker zowel het wederrechtelijk verkregen voordeel als zijn inkomsten uit de WAO-uitkering is ontnomen en hij op die manier feitelijk dubbel wordt gestraft. Dit is naar de mening van de verdediging in strijd met de bedoeling van de ontnemingsmaatregel. Die maatregel strekt er namelijk toe dat verzoeker wordt teruggebracht in dezelfde financiële situatie als voor het plegen van het strafbare feit. Echter, voor het plegen van het strafbare feit genoot verzoeker een uitkering. Aldus wordt verzoeker niet teruggebracht in dezelfde financiële situatie als voor het bewezen verklaarde feit, maar in een slechtere positie. Hierbij verwijst hij ook naar een uitspraak van het Hof Arnhem (Raadkamer) van 19 mei 2008, 1024-07 waarin zijn standpunt wordt bevestigd. Gezien het voorgaande heeft de verdediging verzocht het vastgestelde ontnemingsbedrag te verminderen met het bedrag dat het UWV aan WAO-uitkering en toeslag heeft teruggevorderd en te bevelen dat dit bedrag zal worden teruggegeven. Het restant van het ontnemingsbedrag zou derhalve € 10.797,87 – € 9.990,11 = € 807,76 bedragen. De raadsman verzoekt tot dit bedrag het vastgestelde ontnemingsbedrag te verminderen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. De officier heeft betoogd dat bij vaststelling van het wederrechtelijk genoten voordeel geen rekening dient te worden gehouden met de ontvangen inkomsten uit een uitkering. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat verzoeker in de pleegperiode van het bewezenverklaarde feit er bewust voor gekozen heeft zijn neveninkomsten niet op te geven aan de uitkeringsinstantie. Op het moment van het valselijk invullen van de inkomstenformulieren had verzoeker moeten beseffen dat hij uiteindelijk (een deel) van zijn uitkering zou moeten terug betalen.

De beoordeling

Het verzoekschrift is tijdig ingediend. Verzoeker is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

De raadkamer overweegt verder als volgt. Op grond van artikel 577b Wetboek van Strafvordering (Sv) verzoekt betrokkene vermindering van zijn betalingsverplichting die hem bij de ontnemingsmaatregel is opgelegd met het bedrag dat betrokkene moet terugbetalen aan het UWV. Artikel 577b Sv ziet enerzijds op een mogelijkheid tot vermindering indien er aan een derde benadeelde is betaald, daarnaast kan vermindering plaatsvinden bij zogenaamde betalingsonmacht. De regeling van artikel 577b Sv beoogt evenals artikel 36e, lid 6, Wetboek van Strafrecht te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat dit thans aan de orde is, hij heeft immers de ontnemingsvordering betaald en daarnaast terug moeten betalen aan het UWV. Door ook de terugbetaling aan het UWV komt hij in een ongunstigere financiële positie te verkeren dan voor het plegen van het strafbare feit. En door betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt hij met terugwerkende kracht als het ware weer in de situatie waarin hij recht zou hebben op een uitkering.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een dubbele inning nu het ontnemingsbedrag betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij heeft verkregen uit het strafbare feit met betrekking tot de hennepkwekerijen en het bedrag dat het UWV heeft teruggevorderd ziet op ten onrechte aan hem verstrekte uitkeringen omdat hij verzuimd had opgave te doen van zijn inkomsten.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat verzoeker voorbij aan het feit dat de rechter alleen, op grond van artikel 577b Wetboek van Strafvordering jo artikel 36e, lid 6, Wetboek van Strafrecht, verplicht is die vorderingen van schuldeisers die rechtstreeks benadeeld zijn door het feit waarvoor de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank kan het UWV, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet worden beschouwd als een benadeelde derde ex artikel 36e, lid 6, Wetboek van Strafrecht, nu de schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het door verzoeker gepleegde strafbare feit waarvoor de ontnemingsmaatregel is opgelegd maar uit valsheid in geschrifte.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank geen termen aanwezig om het ontnemingsbedrag te verminderen.

Vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank op grond van artikel 577b Wetboek van Strafrecht net als op grond van artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht -ambtshalve- gebruik kan maken van haar algemene bevoegdheid het ontnemingsbedrag te verminderen op grond van een niet toereikende draagkracht. Hiertoe ziet de rechtbank echter geen aanleiding mede nu het verschuldigde bedrag al is voldaan.

De beslissing

Verklaart het verzoek ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. A.M. van Gorp, rechter als voorzitter, mrs. C.N. Dijkstra en W. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 mei 2009.