Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI4997

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
180740 /FA RK 09-10287
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot X is een voorwaardelijk machtiging verleend. In verband met het niet naleven van de voorwaarden, dan wel het niet langer kunnen afwenden van het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis, is X weer opgenomen. Op het moment van opname van X ontbrak een beslissing van de geneesheer-directeur. Er was slechts een beslissing tot opname van X van de behandelend psychiater. Voorts bleek dat de opname van X had plaatsgevonden in een instelling die niet was aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Bij eerdere beschikking van de rechtbank is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om voor X een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen omdat de voorwaardelijke machtiging niet was geconverteerd in een voorlopige machtiging (LJN: BH2467).

In deze zaak wordt het verzoek van X tot schadevergoeding ex artikel 35 Wet Bopz afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband tussen het niet in acht nemen van de bepalingen van de Wet Bopz door de officier van justitie en de gestelde schade.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 14d
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2009/39 met annotatie van Prof. mr. H.E. Bröring
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: 180740 / FA RK 09-10287

Datum uitspraak:

beschikking ex artikel 35 Wet Bopz

naar aanleiding van het verzoek van

[X],

wonende te [woonplaats], verblijvende in psychiatrisch ziekenhuis Stichting De Gelderse Roos, locatie De Braamberg te Arnhem,

advocaat mr. M.A. Smits te Nijmegen.

1. De procedure

1.1 Bij verweerschrift van 26 januari 2009, naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie te Arnhem strekkende tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoekster (hierna ook: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis, heeft mr. M.A. Smits namens betrokkene een zelfstandig verzoek ingediend strekkende tot schadevergoeding op grond van artikel 35 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz).

1.2 Bij beschikking van 4 februari 2009 van deze rechtbank in de zaak met betrekking tot het verzoek tot het verlenen van voormelde rechterlijke machtiging (179856 / BZ RK 09-38), is het zelfstandige verzoek tot schadevergoeding afgesplitst en is bepaald dat dit verzoek als afzonderlijk verzoek zal worden behandeld.

1.3 Ter terechtzitting van 25 maart 2009 zijn gehoord:

- namens betrokkene, mr. M.A. Smits voornoemd;

- de heer [Y], geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis Stichting De Gelderse Roos, locatie De Braamberg te Arnhem (hierna: De Braamberg);

- de officier van justitie.

2. De vaststaande feiten

2.1 Bij beschikking van deze rechtbank van 5 augustus 2008 is een voorwaardelijke machtiging verleend met betrekking tot betrokkene voor de duur van zes maanden, met als voorwaarde dat zij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het aan die beschikking gehechte behandelingsplan.

2.2 Op grond van een geneeskundige verklaring van 8 januari 2009, die “met het oog op het doen opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis bij een voorwaardelijke machtiging” is afgegeven door [Z], de behandelend psychiater van betrokkene, is betrokkene op 8 januari 2009 opgenomen in De Braamberg. In die verklaring is vermeld dat betrokkene zich niet houdt aan de in het behandelingsplan beschreven voorwaarde en/of dat er gevaar is ontstaan dat niet meer buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Op deze geneeskundige verklaring is handgeschreven vermeld: “gezien [Y]”.

2.3 Op 16 januari 2009 heeft de heer [A], als behandelend psychiater van betrokkene, een verzoek gedaan aan de officier van justitie ter verkrijging van een machtiging tot voortzetting van het verblijf.

2.4 Bij verzoek van de officier van justitie van 16 januari 2009, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 19 januari 2009, is verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen met betrekking tot betrokkene. Bij het verzoek van de officier van justitie is een geneeskundige verklaring van 16 januari 2009 gevoegd, afgegeven door de geneesheer-directeur van De Braamberg, de heer [Y]. Tevens is daarbij een behandelingsplan van

15 januari 2009 gevoegd, ondertekend door de behandelend psychiater [Z].

2.5 Op de geneeskundige verklaring van 8 januari 2009 is bij latere vermelding van

22 januari 2009 van de geneesheer-directeur van De Braamberg, de heer [Y], vermeld dat is besloten om betrokkene op te nemen voor de resterende termijn van de voorwaardelijke machtiging omdat zij zich niet houdt aan de in het behandelingsplan beschreven voorwaarde en/of er gevaar is ontstaan dat niet meer buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

2.6 Bij beschikking van 27 januari 2009 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) aan het bestuur van de Gelderse Roos te Wolfheze een aanmerking als psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder h van de Wet Bopz afgegeven voor de locatie RGC De Braamberg te Arnhem. Dit besluit is op 4 februari 2009 gepubliceerd in de Staatscourant.

2.7 Bij beschikking van 4 februari 2009 van deze rechtbank (179856 / BZ RK 09-38) is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.8 Vanaf 4 februari 2009 verblijft betrokkene vrijwillig in De Braamberg.

3. De beoordeling van het verzoek

3.1 Betrokkene verzoekt om bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking aan haar ten laste van de Staat op grond van artikel 35 Wet Bopz een schadevergoeding toe te kennen van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2009. Zij legt daaraan ten grondslag dat zij in de periode van 8 januari 2009 tot en met 4 februari 2009 wederrechtelijk van haar vrijheid is beroofd doordat de officier van justitie de bepalingen van de Wet Bopz niet in acht heeft genomen en doordat de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden in De Braamberg, welke instelling in die periode niet was aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Voorts verzoekt zij veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3.3 De rechtbank is, zoals reeds is overwogen in voormelde beschikking van 4 februari 2009, van oordeel dat de beslissing van de geneesheer-directeur tot opneming van betrokkene in De Braamberg eerst op 22 januari 2009 is genomen. De opname van betrokkene in de periode van 8 januari 2009 tot 22 januari 2009 was niet gebaseerd op een beslissing van de geneesheer-directeur, maar op een beslissing van de behandelend psychiater, en was in die periode dus in strijd met het bepaalde in artikel 14d lid 1 Wet Bopz en onrechtmatig. Bovendien staat vast dat De Braamberg eerst met ingang van

4 februari 2009 is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van artikel 1 lid 1 sub h Wet Bopz, aangezien de daartoe strekkende beschikking van de Minister op laatstgenoemde datum is gepubliceerd in de Staatscourant. Ook om die reden was de opname van betrokkene in De Braamberg in de voornoemde periode en in de aansluitende periode tot 4 februari 2009 onrechtmatig.

3.4 Op grond van artikel 35 Wet Bopz kent de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten laste van de Staat aan degene ten aanzien van wie door de officier van justitie een verzoek is gedaan, voor zover hier van belang, tot het verlenen van een rechterlijke machtiging als bedoeld in hoofdstuk II Wet Bopz en die nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen vervat in dat hoofdstuk niet in acht heeft genomen.

3.5 Namens betrokkene is aangevoerd dat zij door de “tekortkoming” van de officier van justitie nadeel heeft geleden, welk nadeel bestaat uit immateriële schade, aangezien zij door de onrechtmatige vrijheidsbeneming en de dwangbehandeling in haar persoon is aangetast en haar grondrechten zijn geschonden.

3.6 De rechtbank overweegt het volgende.

Voor toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 35 Wet Bopz is vereist dat de gestelde schade aannemelijk is en kan worden aangemerkt als gevolg van de niet in acht genomen bepalingen van, voor zover hier van belang, hoofdstuk II van de Wet Bopz.

Hoewel de opname van betrokkene in de periode van 8 januari 2009 tot 4 februari 2009 in formele zin onrechtmatig was, acht de rechtbank aannemelijk dat een gedwongen opname van betrokkene in die periode feitelijk wel noodzakelijk en gerechtvaardigd was. Uit de geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur van 16 januari 2009 en uit het behandelingsplan van 15 januari 2009 volgt genoegzaam dat er bij betrokkene sprake was van een stoornis van de geestvermogens (schizofrenie met recidiverende paranoïde psychoses), die haar gevaar deed veroorzaken (zelfverwaarlozing), welk gevaar niet langer kon worden afgewend door de naleving van de voorwaarden of door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.

Met betrekking tot de dwangbehandeling is het volgende van belang. In het behandelingsplan van 27 augustus 2008, dat in het kader van de aanvraag van een voorwaardelijke machtiging is opgesteld, is met betrekking tot de medicatie vermeld: Cisordinol 40 mg. In het behandelingsplan van 15 januari 2009, dat in het kader van de aanvraag van een machtiging tot voortgezet verblijf is opgesteld, is met betrekking tot de medicatie vermeld: Temazepam 20 mg en Zuclopentixol 40 mg 1dd4. Op de zitting van 22 januari 2009, in het kader van de beoordeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, is door de behandelaar verklaard dat betrokkene op dat moment dwangmedicatie kreeg, te weten: antipsychotica en sederende medicatie (benzodiazepine), welke medicatie zij intramusculair kreeg toegediend. Ter zitting van 25 maart 2009 heeft de heer [Y] verklaard dat Temazepam een benzodiazepine is, die slechts oraal kan worden toegediend en dat deze medicatie dus niet met dwang kan worden toegediend. Voorts heeft hij verklaard dat Zuclopentixol een antipsychoticum is, waarvan Cisordinol de merknaam is. Dit laatste middel kan zowel oraal als intramusculair worden toegediend, aldus de heer [Y].

Anders dan namens betrokkene is aangevoerd is niet gebleken dat betrokkene andere medicatie toegediend heeft gekregen dan in het behandelingsplan van 15 januari 2009 was vermeld. Kennelijk heeft betrokkene in het kader van haar opname naast het antipsychoticum, dat zij reeds in het kader van de voorwaardelijke machtiging kreeg, een sederend middel gekregen, te weten Temazepam, zoals ook is vermeld in het behandelingsplan van 15 januari 2009. Anders dan namens betrokkene is gesteld, is er dan ook geen sprake geweest van noodmedicatie in de zin van artikel 39 Wet Bopz. Het behandelingsplan behoefde dan ook niet gewijzigd te worden. Hoewel de opname van betrokkene in formele zin onrechtmatig was en haar derhalve formeel geen gedwongen medicatie kon worden toegediend, is niet gebleken dat de gedwongen medicatie in materiële zin niet gerechtvaardigd was. De (dwang)medicatie was immers voorzien in het behandelingsplan. Niet gesteld of gebleken is dat de noodzaak om dwangmedicatie toe te dienen, zoals bedoeld in artikel 38c lid 1 Wet Bopz, ontbrak.

Voorts is niet gesteld of gebleken dat De Braamberg in materiële zin niet voldeed aan de vereisten om aangemerkt te worden als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van artikel 1 lid 1 sub h Wet Bopz. Integendeel, nadat ter zitting van 22 januari 2009 was gebleken dat De Braamberg formeel niet als zodanig was aangemerkt heeft de Minister bij beschikking van 27 januari 2009 alsnog deze omissie hersteld.

3.7 Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat betrokkene door de op zichzelf onrechtmatige vrijheidsbeneming en dwangbehandeling in materieel opzicht niet in een andere situatie is komen te verkeren dan wanneer de hier relevante bepalingen van de Wet Bopz wel zouden zijn nageleefd. Met andere woorden: er is geen sprake van een causaal verband tussen het niet in acht nemen van die bepalingen door de officier van justitie en de door betrokkene gestelde schade. Namens betrokkene is geen ander nadeel gesteld dan aantasting van haar persoon en schending van haar grondrechten, noch is van ander nadeel gebleken. Het had op de weg van betrokkene gelegen om het door haar geleden nadeel nader te concretiseren en te onderbouwen. Zij heeft echter volstaan met de stelling dat zij in haar persoon is aangetast en dat haar grondrechten zijn geschonden. De rechtbank acht dit onvoldoende.

3.8 De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Hetgeen overigens namens betrokkene is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden, zodat dat onbesproken kan blijven. Nu het verzoek wordt afgewezen, bestaat er geen grond om de Staat in de proceskosten te veroordelen.

De beslissing

De rechtbank,

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Peerdeman, rechter, in tegenwoordigheid van R. van den Berg als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.