Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI4802

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
177359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(non)conformiteit parketvloer.

Volgens de parlementaire geschiedenis van artikel 3:171 BW behoeft in de dagvaarding niet te worden gesteld dat degene die ageert zijn eis instelt ten behoeve van de deelgenoten (zie TM, PG Boek 3, p. 590). Verder verhindert volgens vaste rechtspraak de omstandigheid, dat eiser de vordering niet mede namens zijn echtgenote heeft ingesteld, niet dat deze vordering strekt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (vgl. HR 17 juni 1994, NJ 1995, 367). Daarom geldt de hoofdregel van artikel 3:171 BW dat iedere deelgenoot en dus ook eiser, bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Het gevolg hiervan is wel dat de uitspraak bindende kracht heeft voor alle deelgenoten (vgl. HR 24 april 1992, NJ 1992, 461).

Voorts verjaringsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 177359 / HA ZA 08-1934

Vonnis in verzet van 6 mei 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. O. Diemel te Leusden,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[ged.1],

gevestigd te [vest.plaats],

2. [ged.2],

wonende te [woonplaats],

3. [ged.3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

eisers in het verzet,

advocaat mr. W.R.H. Jager te Ede.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 23 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben in 2004 een overeenkomst gesloten voor het leggen van een parketvloer in de woonkamer en keuken van een nieuwbouwwoning van [eiser] voor een bedrag van € 5.100,--.

2.2. De niet gedateerde schriftelijke orderbevestiging van [gedaagden] is gericht aan [familie eiser]. Als legdatum staat vermeld 10 mei 2004. In de rechter boevenhoek van de orderbevestiging staat als adres van [gedaagden] vermeld: [adres].

Onderaan de orderbevestiging staat het volgende:

Hout is gevoelig voor wisselingen in de luchtvochtigheid en reageert daar op in de vorm van naden, scheuren en kromtrekken, hier is Multi Vloer niet voor aansprakelijk en adviseert u de luchtvochtigheid op “peil” ± 60% te houden.

2.3. De parketvloer is gelegd op 10 tot 13 mei 2004.

2.4. [eiser] heeft in september 2005 telefonisch voor het eerst bij [gedaagden] geklaagd over de kwaliteit van de vloer. Er zijn toen medewerkers van [gedaagden] naar de vloer gaan kijken.

2.5. Op 17 januari 2006 is de vloer geïnspecteerd door dhr [betrokkene] namens [gedaagden]. Deze schrijft op 18 januari 2006 aan [eiser] het volgende.

De krimpnaden die er in uw vloer zitten zijn te wijten aan de veel te lage luchtvochtigheid die er in uw woning heeft geheerst. (…) Multi Vloer is voor de gevolgen van een te lage luchtvochtigheid niet aansprakelijk.

U heeft onlangs een luchtbevochtiger aangeschaft teneinde de luchtvochtigheid nu wel te kunnen regelen. (…).

Wel willen wij u bij deze voorstellen om na het stookseizoen een tiental panelen te vervangen. (…). Wij verzoeken u vriendelijk om tegen eind maart contact op te nemen met Multi Vloer Arnhem teneinde de genoemde werkzaamheden in te plannen.

2.6. Op 17 november 2006 is de heer [ged.2] van [gedaagden] bij [eiser] geweest met de bedoeling de vloer te repareren. Dat is niet gebeurd. [ged.2] heeft toen een plank meegenomen om de lijm te kunnen onderzoeken en hij heeft er verder voor gezorgd dat de fabrikant van het parket naar de vloer van [eiser] is gaan kijken. Deze fabrikant heeft [eiser] op 5 december 2006 bezocht.

2.7. Bij de stukken bevindt zich een aangetekende brief van 29 januari 2007 van [eiser] gericht aan Multi Vloer Arnhem, [gedaagden], [adres]. Bij die brief is ook gevoegd een verzendbewijs van TPG Post van 29 januari 2007 dat als geadresseerde vermeldt Multi Vloer Arnhem en de hiervoor vermelde postcode van [gedaagden]. Deze brief is niet door TPG Post geretourneerd aan [eiser].

In die brief wordt [gedaagden] een laatste kans geboden om de klachten over de parketvloer te verhelpen.

2.8. Op 15 februari 2007 schrijft [eiser] nogmaals een aangetekende brief gericht aan Multi Vloer Parketzaken, [adres]. Ook bij deze brief is een verzendbewijs van TPG Post gevoegd. De inhoud van die brief is nagenoeg gelijk aan de inhoud van de brief van 29 januari 2007.

2.9. Dhr [betrokkene] van [gedaagden] heeft [eiser] diverse malen bezocht in verband met de problemen van de parketvloer. Zijn vierde bezoek was op 19 maart 2007.

Op 23 maart 2007 schrijft [betrokkene] aan [eiser] het volgende.

Naar aanleiding van mijn bezoek (inspectie) van uw vloer, kan ik u het volgende mededelen.

Van ons heeft u reeds een brief ontvangen op 18-01-2006 waarin we u op de hoogte brengen wat een te lage luchtvochtigheid met u vloer kan doen.

Bij u lopen de leidingen van de c.v. door de cement dekvloer. De vloer wordt daardoor toch beïnvloed waardoor er krimp en scheurvorming in de vloer ontstaat.

We kunnen overgaan tot het repareren van de vloer als de leidingen verplaatst worden, b.v. in de kruipruimte. Daardoor zal de vloer niet meer beïnvloed worden door de warmte van de c.v. leidingen.

Wij kunnen in overleg de c.v. leidingen opzoeken en kijken hoe diep deze in de cement dekvloer liggen. Normale wijze hoort daar ca. 3 cm. cement dekvloer over te zitten i.v.m. warmte spreiding.

2.10. Op 28 augustus 2007 schrijft [eiser] weer een aangetekende brief gericht aan Multi Vloer Parketzaken, [adres], t.a.v. J. [betrokkene]. In die brief staat het volgende.

Naar aanleiding van u bezoek d.d. 9-5-2007, aangaande de klachten die wij hebben over onze vloer. Zie ook onze brief van d.d. 15-02-2007. Bij deze de afspraken die wij mondeling hebben gemaakt, dit omdat ik de beloofde schriftelijke bevestiging van de afspraken tot op heden nog niet heb mogen ontvangen.

Afgesproken is:

(…)

Graag verneem ik schriftelijk van u de datum, waarop met de werkzaamheden wordt gestart.

Ik verzoek u binnen twee weken schriftelijk te reageren op mijn brief.

Mocht u van mening zijn dat de inhoud van deze brief niet juist is, ook dan wil ik u verzoeken om binnen twee weken schriftelijk te reageren.

2.11. In een aangetekende brief van 22 oktober 2007 van ARAG Rechtsbijstand gericht aan Multivloer Parketzaken, [gedaagden], t.a.v. de heer J.[betrokkene], [adres] wordt [gedaagden] nog een laatste termijn van 14 dagen gegund voor het herstel van de vloer. Indien de vloer niet binnen deze termijn is hersteld, acht cliënt ([eiser], rechtbank) zich vrij de vloer te laten herstellen door een derde, danwel tot het nemen van verdere rechtsmaatregelen.

2.12. Bij de stukken bevindt zich een Expertiserapport parketvloer van de [fam. eiser] van [betrokkene]. Daarin staat onder meer het volgende.

In de woon- en eetkamer van de familie [eiser] in [plaats] (Aragon 10) ligt tapisparket op een ondervloer van beton. Dit parket bestaat uit stroken eikenhout van ongeveer 6 mm dik en ongeveer 150 mm breed, dat gelijmd en genageld is op een tussenvloer van kleine stukjes (broodjes) spaanplaat of iets wat daarmee verwant is. Dit spaanplaat is met lijm vastgezet aan de betonnen vloer.

Dit parket ligt er niet naar behoren bij. Veel houtstroken zijn onvoldoende gefixeerd op de ondervloer en dat levert een zeer storend geluid op bij het lopen. Ten tweede zijn een aantal stroken overlangs gebarsten (gescheurd), hetgeen armoedig uitziet. En ten derde is het erg lelijk, dat heel veel naden tussen de stroken te breed zijn. Op verschillende plaatsen zijn deze 2-3 mm, waardoor de lijmruggen in de ondergrond zichtbaar worden.

Oorzaak

Hout werkt door vochtverschillen (…). Die werking van hout is bij parket nooit helemaal te vermijden (…). Maar als parket gelegd wordt volgens een aantal spelregels, zijn de kwalijke gevolgen van die werking wel tot een minimum te beperken. Bij het parket van de [fam.eiser] gelden die spelregels des te meer, omdat het om vrij breed hout gaat (ongeveer 150 mm). Breed hout werkt uiteraard meer dan smal hout.

(…)

De vloer van de [fam.eiser] is duidelijk niet volgens deze spelregels gelegd. Het hout is storend te veel gekrompen. De kieren tussen de stroken geven dat duidelijk aan en ook de barsten/scheuren in de lengterichting van het hout duiden daarop. Bij de geschoeide delen zijn namelijk de brede vloerdelen aan de zijkanten beter aan de ondergrond verlijmd en/of genageld dan in het midden, waardoor bij krimp de boel uit elkaar wordt getrokken.

Het loslaten van veel houtdelen heeft ook met die krimp te maken in combinatie met een zwakkere lijmverbinding. Dat wil niet per se zeggen dat de lijmverbinding te zwak is voor dit doel, want als het hout minder zou werken kan deze lijm zeer goed voldoen. (…) Het lijkt er echter wel op dat het hout in verschillende te hoge vochtwaardes is aangevoerd en verwerkt. Bij sommige stroken, die in elkaars verlengde liggen is namelijk een breedteverschil te meten van ongeveer 2 mm. Het is echter ook mogelijk dat de vloerdelen niet op een gelijke breedte zijn gezaagd, hetgeen uiteraard ook kwalijk is.

Daarnaast is het ook denkbeeldig dat door verwarmingsbuizen in de betonnen draagvloer de lijmverbinding is los gelaten. Het is dan zeker niet de enige oorzaak, want het loslaten van het hout is ook aan de orde op plaatsen waar deze buizen niet liggen. Relevant is dat uiteraard niet, want de legger van het parket bij de [fam.eiser] heeft eventuele risico’s hierover aanvaard en is derhalve ook daarvoor aansprakelijk.

Oplossing

(…)

De enige oplossing is derhalve het vervangen van de gehele vloer en deze te leggen volgens de geldende regels. Dat betekent dat de oude vloer er uit moet en dat mogelijk ook de betonnen ondervloer geëgaliseerd dient te worden. De kosten voor deze verwijdering en egalisatie schat ik op een bedrag van € 2.000,--.

2.13. Per brief van 11 februari 2008 heeft ARAG Rechtsbijstand het expertiserapport aan [gedaagden] t.a.v. de heer J. [betrokkene] te Wageningen gestuurd. Tevens wordt [gedaagden] in die brief een laatste mogelijkheid tot herstel van de parketvloer geboden binnen 24 dagen na dagtekening van die brief. Verder wordt aangekondigd dat bij geen, niet tijdige of ondeugdelijke vervanging wordt overgegaan tot ontbinding van de overeenkomst met terugbetaling van de betaalde prijs van € 5.100,-- en vergoeding van allerlei kosten.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van

€ 11.047,16 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2007, met een bedrag van € 499,80 aan expertisekosten met rente vanaf 25 januari 2008 en met een bedrag van € 904,-- aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] in verzuim is met de nakoming van haar verplichting tot herstel/vervanging van de parketvloer zodat zij verplicht is tot vervangende schadevergoeding.

3.2. Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiser] integraal toegewezen en is [gedaagden] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 850,44.

3.3. [gedaagden] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat [eiser] niet ontvankelijk zal worden verklaard in de vorderingen althans dat de vorderingen van [eiser] alsnog worden afgewezen.

[gedaagden] voert allereerst aan dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering omdat de overeenkomst op naam van de familie [eiser] staat, dat wil zeggen op naam van [eiser] en zijn echtgenote, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. De vorderingsrechten uit de koopovereenkomst komen dan aan hen gezamenlijk toe en niet aan [eiser] alleen.

[gedaagden] voert verder aan dat de vordering is verjaard omdat:

1. [eiser] niet tijdig heeft geklaagd overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:23 BW en

2. de vordering te laat is ingesteld. [eiser] heeft in september 2005 over de parketvloer geklaagd terwijl de dagvaarding op 22 juli 2008 is betekend. Dat is volgens [gedaagden] niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:23 lid 2 BW terwijl er geen sprake is van stuiting van de verjaring overeenkomstig artikel 3:317 BW. [gedaagden] betwist de ontvangst van de aangetekende brieven van [eiser]. De brief van ARAG Rechtsbijstand van 22 oktober 2007 is wel door [gedaagden] ontvangen maar toen was de vordering al verjaard.

[gedaagden] voert voorts aan dat haar aansprakelijkheid voor klachten in verband met de luchtvochtigheid uitdrukkelijk is uitgesloten, zoals blijkt uit de vermelding onderaan de orderbevestiging.

Tot slot voert [gedaagden] verweer tegen de gevorderde schade.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagden] in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid

4.2. Het is door [eiser] niet betwist dat de overeenkomst met [gedaagden] en de rechten die daaruit voortvloeien in de huwelijksgemeenschap met zijn echtgenote vallen.

Het is ook juist dat [eiser] in de dagvaarding niet heeft gesteld dat de vordering tegen [gedaagden] is ingesteld ten behoeve van de huwelijkgemeenschap, maar dat betekent nog niet dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Volgens de parlementaire geschiedenis van artikel 3:171 BW behoeft in de dagvaarding niet te worden gesteld dat degene die ageert zijn eis instelt ten behoeve van de deelgenoten (zie TM, PG Boek 3, p. 590). Verder verhindert volgens vaste rechtspraak de omstandigheid, dat [eiser] de vordering niet mede namens zijn echtgenote heeft ingesteld, niet dat deze vordering strekt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (vgl. HR 17 juni 1994, NJ 1995, 367). Daarom geldt de hoofdregel van artikel 3:171 BW dat iedere deelgenoot en dus ook [eiser], bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Het gevolg hiervan is wel dat de uitspraak bindende kracht heeft voor alle deelgenoten (vgl. HR 24 april 1992, NJ 1992, 461).

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiser] gaat dus niet op.

De klachtplicht volgens artikel 7:23 BW

4.3. Volgens het bepaalde in artikel 7:23 lid 1 BW kan de koper er geen beroep meer op doen dat wat is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Bij een consumentenkoop zoals de onderhavige koop, moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden.

4.4. Door [gedaagden] is niet betwist dat [eiser] haar voor het eerst in september 2005 heeft geïnformeerd over de klachten over de parketvloer die in mei 2004 is gelegd. [eiser] heeft op de comparitie verklaard dat hij in het eerste stookseizoen 2004/2005 wat krimp heeft gezien, dat hij daarvan niet schrok omdat hij weet dat hout werkt en dat die krimp na het stookseizoen weer wegtrok. Bij het tweede stookseizoen werden de klachten volgens [eiser] erger omdat er planken loslieten.

4.5. Volgens [gedaagden] is het onmogelijk dat de klachten zich in het stookseizoen 2004/2005 nog niet hebben voorgedaan. Voorzover [gedaagden] hiermee bedoelt dat [eiser] de klachten al eerder had ontdekt, gaat dit verweer niet op omdat dit in het licht van de voormelde verklaring van [eiser] onvoldoende is geconcretiseerd. L. [ged.2] heeft immers op de comparitie verklaard dat het normaal zo is dat na ongeveer één jaar duidelijk is wat een houten vloer doet. Dat [eiser] in eerste stookseizoen 2004/2005 heeft ontdekt dat planken loslieten volgt niet uit die verklaring. De rechtbank tekent hierbij aan dat het in het geval van een consumentenkoop als de onderhavige niet gaat om de vraag wanneer de koper een gebrek redelijkerwijs had behoren te ontdekken maar wanneer die koper dat gebrek daadwerkelijk heeft ontdekt.

Dit verweer van [gedaagden] wordt daarom verworpen.

Het beroep op verjaring

4.6. Volgens artikel 7:23 lid 2 BW verjaren rechtsvorderingen gegrond op – kort gezegd – non-conformiteit door verloop van twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving. Eenzelfde verjaringstermijn geldt overigens volgens artikel 7:761 lid 1 BW voor elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde aangenomen werk.

4.7. Volgens [gedaagden] was de vordering van [eiser], uitgaande van de kennisgeving in september 2005, ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op

22 juli 2008 verjaard.

4.8. Van de kant van [eiser] is op de comparitie aangevoerd dat [gedaagden] voor het eerst bij brief van 29 januari 2007 aansprakelijk is gesteld zodat, naar de rechtbank begrijpt, de verjaring is gestuit.

4.9. Voorop staat dat de inhoud van de aangetekende brief van 29 januari 2007 kan worden beschouwd als een aanmaning als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW.

4.10. [gedaagden] ontkent de ontvangst van de aangetekende brief van 29 januari 2007 en overigens ook de overige aangetekende brieven van 15 februari 2007 en

28 augustus 2007. Volgens de normale regels van het bewijsrecht rust op [eiser] dan de bewijslast van het feit dat de aangetekende brief van 29 januari 2007 [gedaagden] heeft bereikt. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de afzender van een aangetekende brief, in het geval de geadresseerde stelt dat de brief hem niet (tijdig) heeft bereikt, dient te bewijzen dat hij de brief aangetekend en naar het juiste adres heeft verzonden en bovendien aannemelijk dient te maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven (vgl. HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 897).

4.11. Uit het door [eiser] overgelegde verzendbewijs van TPG Post blijkt dat hij de brief van 29 januari 2007 aangetekend heeft verstuurd en uit de adressering op de brief blijkt ook dat [eiser] het adres heeft overgenomen dat op de orderbevestiging van [gedaagden] stond. Daarom neemt de rechtbank aan dat de brief naar het juiste adres van [gedaagden] is gestuurd. Het feit dat in het Handelsregister een ander correspondentieadres van [gedaagden] staat vermeld, zoals [gedaagden] aanvoert, doet hier niet aan af.

4.12. [eiser] stelt verder dat de brief door TPG Post niet aan hem is geretourneerd, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat de brief [gedaagden] heeft bereikt. [eiser] zal de (tijdige) en correcte aanbieding van de brief aan [gedaagden] aannemelijk moeten maken door bijvoorbeeld gegevens hierover van TPG Post over te leggen (vgl. HR 4 juni 2004, NJ 2004, 411). De zaak zal daartoe op de rol worden geplaatst. [eiser] kan dan de bedoelde gegevens in het geding brengen of aangeven dat hij op een andere wijze bewijs wil leveren van het feit dat de bedoelde brief [gedaagden] heeft bereikt.

4.13. Als [eiser] slaagt in dat bewijs komt de rechtbank toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van het geschil. De rechtbank acht het dan voorshands nodig een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen om proceseconomische redenen reeds thans in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen teneinde [eiser] als eerste in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Vanzelfsprekend kan [gedaagden] daarna reageren.

4.14. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom te zijner tijd door [eiser] moeten worden betaald.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 juni 2009 teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen de hiervoor in r.o. 4.12 bedoelde schriftelijke gegevens van TPG Post over te leggen danwel aan te geven of hij op een andere wijze bewijs wil leveren van het feit dat de brief van 29 januari 2007 [gedaagden] heeft bereikt,

5.2. bepaalt dat [eiser] zich bij die gelegenheid tevens kan uitlaten over wat is overwogen in r.o. 4.13,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Vanhommerig en in het openbaar uitgesproken op

6 mei 2009.