Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI4437

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/4282
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing van bestuursdwang door een waterschap in verband met het niet verwijderen uit de wegberm van maaisel dat bij het onderhoud van een sloot is vrijgekomen. Een agrariër die was aangeschreven om het maaisel te verwijderen komt in beroep, omdat het deponeren van het maaisel in de berm volgens hem in strijd is met de Wet milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4282

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 13 mei 2009

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 augustus 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2008 heeft verweerder aangekondigd om met toepassing van bestuursdwang slootmaaisel uit de wegberm van de [weg] te [woonplaats] te verwijderen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 30 maart 2009. Eiser is daar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. van Mourik, A. Kooiman en mr. A.G.P.M. van den Mortel. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen enkele nadere stukken in het geding te brengen. Na ontvangst van deze stukken en een reactie op die stukken van eiser, heeft de rechtbank met toestemming van partijen het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

Ingevolge art. 78, eerste lid, van de Waterschapswet maakt het algemeen bestuur de verordeningen die het nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt het algemeen bestuur tevens de legger vast waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen.

Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van de Keur voor waterkeringen en wateren van het Waterschap Rivierenland (hierna: de Keur) worden bij het onderhoud aan de bij de legger aangewezen bermsloten alle specie, maaisel en andere vaste stoffen op de tegenover de weg liggende gronden gedeponeerd.

Ingevolge het tweede lid worden, indien er zich omstandigheden voordoen waarbij het, gezien het feitelijke gebruik van de tegenover de weg liggende gronden, in redelijkheid niet mogelijk is om de specie, het maaisel en andere vaste stoffen op de in het vorige lid bedoelde wijze te deponeren, alle specie, maaisel en andere vaste stoffen gebracht op de wegberm. In dat geval zijn de eigenaren van de tegenover de weg liggende gronden verplicht alle specie, maaisel en andere vaste stoffen binnen 30 dagen van de bermen te verwijderen.

Op grond van het derde lid van dit artikel zijn de leden 1 en 2 alleen van toepassing op buiten de bebouwde kom gelegen bermsloten andere dan rijks- en provinciale wegen en voor zover niet bij ontheffing anders is bepaald.

Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in te bodem te brengen of te verbranden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen wordt als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien

het betreft plantenresten die zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister, in de daarbij aangegeven gevallen.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond (hierna: de Vrijstellingsregeling) wordt als plantenresten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder g, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (onder meer) aangewezen bermmaaisel dat op of in de bodem wordt gebracht op de plaats of in de directe nabijheid daarvan waar dit is vrijgekomen, onder de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 3.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder b, van de Vrijstellingsregeling wordt bermmaaisel als bedoeld in artikel 2, onder a, uitsluitend op of in de bodem gebracht indien

sprake is van schoon en onverdacht bermmaaisel.

Eiser is eigenaar van een perceel, kadastraal bekend gemeente [perceel] (hierna: het perceel). Bij brieven van 25 januari 2008 en 27 februari 2008 heeft verweerder eiser verzocht om het slootmaaisel dat zich in de wegberm van de [weg] te [woonplaats] tegenover zijn perceel bevindt en dat afkomstig is uit de aanliggende bermsloten, te verwijderen.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft verweerder eiser er van in kennis gesteld dat eiser door het slootmaaisel niet te verwijderen artikel 14a van de Keur overtreedt. Bij dat besluit is eiser er van in kennis gesteld dat deze overtreding door middel van bestuursdwang na een begunstigingstermijn van twee dagen ongedaan zal worden gemaakt en dat de daarmee verband houdende kosten op hem zullen worden verhaald.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het besluit tot toepassing van bestuursdwang gehandhaafd. Daarbij is besloten om van kostenverhaal af te zien, omdat het besluit binnen de begunstigingstermijn is geëffectueerd.

Eiser heeft allereerst tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de Keur op een niet voor hem kenbare wijze is gewijzigd. Naar hij ter zitting heeft toegelicht staan in de publicatie, waarmee de vaststelling van de gewijzigde Keur is bekendgemaakt, de belangrijkste wijzigingen vermeld, maar is niet gewezen op de invoering van het nieuwe artikel 14a. Bij de publicaties omtrent de wijziging van de legger, waarbij de in geding zijnde sloot op de legger is geplaatst, is volgens eiser ten onrechte vermeld dat de bestaande onderhoudsverplichtingen in de (ontwerp)legger zijn overgenomen.

Voor zover eiser met het voorgaande heeft willen betogen dat artikel 14a van de Keur niet op de in geding zijnde sloot van toepassing is, faalt dit betoog. Op grond van de door verweerder op 16 maart en 1 april 2009 ingediende stukken staat vast dat het algemeen bestuur van het Waterschap op 27 oktober 2006 de Keur heeft vastgesteld, waarin artikel 14a is opgenomen, en dat het algemeen bestuur op diezelfde datum de in geding zijnde sloot onder nummer [nr] op de legger heeft geplaatst. Beide besluiten zijn overeenkomstig artikel 73 van de Waterschapswet, dat aansluit bij artikel 3:42 van de Awb, bekendgemaakt. De besluiten zijn daardoor op 1 januari 2007 in werking getreden. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) reeds heeft overwogen bij uitspraak van 20 april 2000 (LJN: AA5798) voorziet de Waterschapswet niet in een persoonlijke mededeling aan belanghebbenden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een bestuursorgaan niet volstaan met bekendmaking van een besluit overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank hier niet gebleken.

Het betoog van eiser dat hij door de tekst van de publicaties van de (ontwerp)legger en de Keur op het verkeerde been is gezet en dat hij daardoor geen aanleiding heeft gezien om tegen die besluiten te ageren, kan er gezien het voorgaande niet aan afdoen dat in deze procedure van de rechtsgeldigheid van de Keur en de legger dient te worden uitgegaan.

Overigens deelt de rechtbank niet het standpunt van eiser dat in dit verband van onjuiste of onvolledige informatievoorziening sprake is. Uit de door verweerder overgelegde nadere stukken blijkt dat ook in de vóór 1 januari 2007 geldende keur in het toenmalige artikel 11a een vergelijkbare ontvangstplicht bij bermsloten als thans in geding is, was vastgelegd. Van een belangrijke wijziging van de Keur is dan ook geen sprake. Uit die stukken blijkt verder dat bij de vóór 1 januari 2007 geldende keur een kaart was gevoegd, waarop watergangen staan weergegeven die (nog) niet op de legger staan vermeld, en waarvan onder meer de onderhoudsplichtige is genoemd. Op die kaart is de sloot [nr] weergegeven als bermsloot ten aanzien waarvan het Waterschap als onderhoudsplichtige is aangewezen. Anders dan eiser heeft betoogd zijn ten aanzien van deze sloot de bestaande onderhoudsplichten in de op 1 januari 2007 in werking getreden legger overgenomen, zoals in de publicaties is vermeld.

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat hij het slootmaaisel niet mag ontvangen en om die reden niet behoeft te verwijderen. Hij stelt zich op het standpunt dat het slootmaaisel vervuild is en niet voldoet aan de Vrijstellingsregeling. Het deponeren van dit maaisel in de wegberm door verweerder is volgens eiser in strijd met de Wet milieubeheer.

De rechtbank stelt in dit kader voorop, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2000, LJN: AA6431, dat het waterschapsbestuur gebruik kan maken van zijn autonome verordenende bevoegdheid om een ontvangstplicht van bij onderhoud vrijkomend maaisel in de Keur vast te leggen. Dit laat onverlet dat verweerder bij het deponeren van maaisel de bepalingen van de Wet milieubeheer, meer in het bijzonder artikel 10.2, eerste lid, van die wet en de daarop gebaseerde regelingen, in acht dient te nemen.

In de artikelen 2 en 3 van de Vrijstellingsregeling wordt aan het storten van maaisel buiten inrichtingen onder meer de voorwaarde gesteld dat sprake is van “schoon en onverdacht maaisel”. Volgens de toelichting op de Vrijstellingsregeling betekent schoon: “..dat er (op het eerste gezicht) geen vervuilingen in mogen zitten zoals zwerfafval. Het is daarbij niet te voorkomen dat sporen van papier of plastic in het maaisel komen. Maaisel dat significant verontreinigingen bevat is niet als schoon te typeren en valt daarom niet onder de regeling.”

Van onverdacht maaisel is volgens de toelichting sprake als er geen aanwijzingen zijn dat het toepassen van het maaisel leidt tot de verspreiding van contaminanten (o.a. zware metalen).

Overwogen wordt dat de door eiser overlegde foto’s aanwijzingen bevatten dat in dit geval sprake kan zijn geweest van maaisel dat dermate verontreinigd was dat het maaisel niet als ‘schoon’ in de zin van voormelde vrijstellingsregeling kan worden aangemerkt. Verder heeft eiser diverse aanwijzingen gegeven dat de sloot (mogelijk) vervuild is met niet-vaste stoffen.

Verweerder heeft zich ten aanzien van de gestelde vervuiling met vaste stoffen op het standpunt gesteld dat eiser op grond van de Keur ook “andere vaste stoffen” moet verwijderen en dat het in dit geval niet ging om zoveel zwerfafval dat van eiser redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij dit zou verwijderen.

De rechtbank overweegt dat artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde Vrijstellingsregeling het waterschapsbestuur niet de ruimte laat om een ontvangstplicht voor vaste stoffen in de Keur te regelen. Behoudens sporen van papier of plastic in het maaisel, die als niet-significante verontreiniging zijn te kwalificeren, mogen niet-organische vaste stoffen die vrijkomen bij het onderhoud niet buiten een inrichting worden gestort. Voor zover artikel 14a van de Keur voorziet in het deponeren en verwijderen van “andere vaste stoffen” is deze in strijd met de Wet milieubeheer en dus onverbindend.

Nu eiser tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat het maaisel verontreinigd was met vaste stoffen en dat er aanwijzingen zijn dat de sloot (mogelijk) vervuild was met niet-vaste stoffen, lag het op de weg van verweerder om aan te tonen dat hier sprake was van schoon en onverdacht maaisel. Verweerder heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zich geen significante verontreiniging tussen het maaisel bevond. Verder heeft verweerder niet op een deugdelijke wijze onderzocht of de sloot met niet-vaste stoffen is verontreinigd, terwijl hij evenmin heeft gemotiveerd waarom het door eiser aangevoerde geen aanwijzingen oplevert dat de sloot niet met niet-vaste stoffen kan zijn vervuild. De ter zitting gegeven nadere toelichting namens verweerder, inhoudende dat hij er van uit gaat dat maaisel niet dusdanige vervuiling kan opnemen dat het met niet-vaste stoffen verontreinigd kan zijn, acht de rechtbank daartoe ontoereikend.

De rechtbank is resumerend van oordeel dat verweerder zich zonder nader onderzoek niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van schoon en onverdacht maaisel, waardoor niet vast staat dat hij bevoegd was om het maaisel in de wegberm te deponeren. Hieruit volgt tevens dat verweerder evenmin zonder nader onderzoek van eiser kon verlangen dat deze het maaisel uit de wegberm verwijderde.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Uit een door eiser overgelegd formulier proceskosten en een ter zitting gegeven toelichting blijkt dat eiser verzoekt om vergoeding van kosten van door hem aan de zaak bestede uren, gemaakte portokosten, kopieerkosten en bestede uren in verband met het bijwonen van de zitting.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de verletkosten vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 4,54 en € 53,09 per uur bedraagt.

Slechts de door eiser genoemde uren in verband met het bijwonen van de zitting, zijnde verletkosten, vallen onder deze posten. De rechtbank acht een tijdsbesteding van drie uren redelijk. De rechtbank begroot deze kosten, nu eiser de hoogte daarvan niet nader heeft onderbouwd, op € 159,27 (3 uur á € 53,09).

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 159,27 en wijst het Waterschap Rivierenland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat het Waterschap Rivierenland het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen als voorzitter, mr. E. Klein Egelink en mr. J.M. Neefe als rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 13 mei 2009