Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI3441

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
174219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6:94 lid 1 BW.

Matigen contractuele boete. De rechter zal niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 174219 / HA ZA 08-1428

Vonnis van 29 april 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.W.F.M. Hoogma te Zoetermeer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. K. van de Peppel te Nieuwegein.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2009

- de akte houdende vermeerdering van eis van [eiser]

- het proces-verbaal van comparitie van 8 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 7 mei 2005 koopt [eiser] na onderhandelingen met [gedaagde] een caravan.

2.2. Op 15 oktober 2007 brengt [eiser] de caravan naar reparatiebedrijf Erica Technocentre te Soesterberg – hierna: Erica – en Erica stuurt op diezelfde dag aan [eiser] een prijsopgave. In de begeleidende brief staat onder meer:

Behalve deze grote mankementen zijn er nog verschillende schades zichtbaar aan de caravan. Bijvoorbeeld (…). Het bedrag op de prijsopgave is nu echter al dusdanig hoog dat het de dagwaarde van de caravan overschrijdt. Erica Technocentre wil de reparatie niet uitvoeren. De caravan is ernstig beschadigd en uit zijn verband.

2.3. Op 2 april 2008 schrijft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] dat gebleken is dat de caravan in augustus 2004 na een ongeluk total loss verklaard is en toch in het verkeer is gebracht en tal van gebreken vertoont. Nu [gedaagde] bij de verkoop aan [eiser] slechts heeft gezegd dat de caravan drie jaar oud en in goede staat was, heeft hij zijn mededelingsplicht geschonden. [eiser] vernietigt de overeenkomst van koop op grond van dwaling en vordert ongedaanmaking.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na vermeerdering van de eis – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van de koopprijs, het terughalen van de caravan, en vergoeding van schade, een en ander met veroordeling tot betaling van rente en kosten, waaronder incasso- en nakosten. Het standpunt van [eiser] komt in de kern overeen met het in de brief van 2 april 2008 weergegeven standpunt. Primair beroept hij zich op dwaling, subsidiair op toerekenbare tekortkoming en meer subsidiair op onrechtmatige daad.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Hij stelt dat hij bij de koop als gevolmachtigde van zijn neef [betrokkene] optrad. Zijn overige weren komen voor zover nodig hierna aan de orde.

4. De beoordeling

4.1. Inmiddels staat door de overlegging van de RDW-gegevens ter gelegenheid van de tweede zitting in de comparitie in deze zaak vast dat [betrokkene] de aan [eiser] voorafgaande eigenaar van de caravan is geweest. [eiser]s primaire betoog dat dit [gedaagde] geweest is, wordt dan ook verworpen.

4.2. De vraag die vervolgens voorligt, is of [eiser] in plaats van [gedaagde] diens neef [betrokkene] had moeten aanspreken.

4.3. [gedaagde] stelt dat hij optrad als volmachtgever van zijn neef [betrokkene] en dat hij dit aan [eiser] kenbaar gemaakt heeft, terwijl ook het kenteken van de caravan op naam van [betrokkene] stond. Ter comparitie heeft [gedaagde] echter een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat hij niet zeker weet of hij de naam van [betrokkene] bekend heeft gemaakt aan [eiser]:

‘Tijdens de onderhandelingen heb ik verteld dat de caravan van mijn neef [betrokkene] was en dat wij voor hem konden verkopen. Ik heb gezegd dat mijn neef opdracht had gegeven.’ (verklaring 16 januari 2009)

‘Ik heb bij de verkoop gezegd dat de caravan van mijn neef of van mijn neef [betrokkene] was. Ik weet niet meer of ik zijn naam heb genoemd.’ (verklaring 8 april 2009)

4.4. Voorts heeft [gedaagde] ter comparitie verklaard dat [eiser] voor de overschrijving van de caravan met de papieren naar het postkantoor gegaan is en het vrijwaringsbewijs heeft gekregen. [eiser] heeft echter verklaard dat hij met [gedaagde] naar het postkantoor is gegaan, maar slechts zijn eigen rijbewijs in handen heeft gehad terwijl [gedaagde] het kentekenbewijs vasthield en het vrijwaringsbewijs in ontvangst nam.

4.5. Onweersproken heeft [eiser] aangevoerd dat de RDW-gegevens van de caravan afgeschermd waren in die zin dat hij daar de identiteit van de vorige eigenaar zonder medewerking van [gedaagde] en, via hem, [betrokkene], niet uit kon achterhalen.

4.6. Bij de brief van 2 april 2008 (2.3) heeft [eiser] [gedaagde] als verkoper van de caravan aangesproken.

4.7. Daarop heeft [gedaagde]’ advocaat bij brief van 23 mei 2008 onder meer geantwoord:

‘Uw cliënt was op de hoogte dat de heer [betrokkene] eigenaar was van de caravan.’

4.8. De reactie van [eiser]s advocaat d.d. 29 mei 2008 luidt onder meer:

‘Indien uw cliënt zijn standpunt ten aanzien van (de) [betrokkene] als aanspreekpunt in deze handhaaft, verzoek ik u per ommegaande de volledige naam en adresgegevens van de heer [betrokkene] bekend te maken.’

4.9. Dit is niet gebeurd. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard:

‘Later heeft [eiser] mij in een brief om de gegevens van [betrokkene] gevraagd. Ik was boos over de hele gang van zaken en heb die gegevens niet verschaft.’

4.10. Pas bij de conclusie van antwoord zijn gegevens omtrent [betrokkene] verschaft.

4.11. Art. 3:67 Burgerlijk Wetboek (BW), waarop [eiser] zich te dezen beroept, luidt:

1. Hij die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet, de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn.

2. Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.

4.12. [gedaagde] stelt dat dit artikel uitsluitend geschreven is voor overeenkomsten die worden gesloten namens een nader te noemen volmachtgever (‘meester’), als de gevolmachtigde vooralsnog uitdrukkelijk open laat wie de contractspartner van de wederpartij zal zijn.

4.13. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat de gebruikelijke toepassing en de bestaansreden van art. 3:67 lid 2 BW gezocht kunnen worden in de veel voorkomende vertegenwoordiging van een ‘nader te noemen meester.’ De woorden van het artikel sluiten echter toepassing op de onderhavige situatie als daarin de naam van de vertegenwoordigde neef niet binnen een redelijke termijn wordt genoemd, niet uit. Het artikel beperkt zich echter strikt tot de naam van de volmachtgever en die was [eiser] uiterlijk – [gedaagde] stelt dat die naam [eiser] eerder bekend was – uit de brief van 23 mei 2008 bekend.

4.14. Vanaf dat moment leidde de weigerachtigheid van [gedaagde] om [betrokkene]s verdere gegevens te verschaffen, naar het oordeel van de rechtbank niet meer tot toepasselijkheid van de regel van art. 3:67 lid 2 BW, maar tot een verplichting van de gevolmachtigde [gedaagde] om [eiser] de noodzakelijke gegevens over de verkoper te verschaffen. Desnoods had hij hiertoe in kort geding gedwongen kunnen worden, maar een grond om hem zelf als de verkopende vorige eigenaar aan te spreken, is er niet.

4.15. Dit betekent dat de onder 4.2 gestelde vraag of [eiser] in plaats van [gedaagde] [betrokkene] had moeten aanspreken, bevestigend moet worden beantwoord.

4.16. De vordering zal dus moeten worden afgewezen.

4.17. In de houding van [gedaagde], het tot na de dagvaarding achterhouden van [betrokkene]s gegevens en de exacte gegevens omtrent de eigendom van de caravan, die hij via [betrokkene] had kunnen verschaffen, vindt de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij zijn eigen kosten zal dragen. Door deze informatie niet te verschaffen heeft hij immers [eiser] vrijwel geen andere mogelijkheid gelaten dan hem, [gedaagde], aan te spreken.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009.