Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI3338

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
182085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot afgifte van/inzage in bescheiden ex art. 843 a jo. 1019a Rv en tot voorschot op schadevergoeding. Eerstgenoemde vordering wordt toegewezen en laatstgenoemde afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 182085 / HA ZA 09-419

Vonnis in incident van 22 april 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres].,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat prof.mr. Ch.E.F.M. Gielen,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de vennootschap onder firma

AUTO [woonplaats] V.O.F.,

gevestigd te [woonplaats],

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. B.P.J.M.L. Vliexs.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot afgifte van/inzage in bescheiden ex art. 843a jo. 1019a Rv en tot voorschot op schadevergoeding

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is ontwerpster van exclusieve kunst- en lichtobjecten, die door haar in de handel worden gebracht. [gedaagden] is een in [woonplaats] gevestigde autohandel.

2.2. [eiseres] is van oordeel dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar, doordat [gedaagden] inbreuk hebben gemaakt op een exclusief aan [eiseres] toebehorend auteursrecht. [eiseres] stelt dat [gedaagden] lampen in het verkeer hebben gebracht die ongeoorloofde verveelvoudigingen zijn van de originele modellen van [eiseres].

2.3. Op 12 december 2008 is op verzoek van [eiseres] ten laste van [gedaagden] bewijsbeslag gelegd op de digitale bestanden en documenten op het woon- en zaaksadres van [gedaagden], en op de digitale bestanden en documenten op het zaaksadres van Konings en Meeuwissen accountants en belastingadviseurs. Tevens is conservatoir beslag tot afgifte gelegd. De digitale bestanden en documenten en de lampen zijn in bewaring gegeven.

3. Het geschil en de beoordeling in het incident

De vordering ex art. 843a juncto 1019a Rv

3.1. [eiseres] vordert in het incident afschrift van dan wel inzage in de op 12 december 2008 in beslag genomen digitale bestanden en documenten. Zij legt hieraan ten grondslag dat het verkrijgen van afschrift dan wel inzage voor haar van belang is in verband met het bepalen van de aard en de omvang van de door [gedaagden] gepleegde inbreuk en voor het bepalen van de hoogte van de te vorderen schadevergoeding. Het belang van [eiseres] bestaat mede daaruit dat door de afgifte dan wel inzage informatie kan worden verkregen over de voorman(nen) bij de inbreuk. [eiseres] stelt vervolgens dat de door haar gevorderde bescheiden voldoende zijn bepaald en dat er sprake is van een rechtsbetrekking waarbij [eiseres] partij is, nu het gaat om een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad. Aldus is aan de criteria van art. 843a Rv voldaan en kan de vordering [eiseres] worden toegewezen.

3.2. [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen en voeren daartoe aan dat [eiseres] bij toewijzing van de vordering een onredelijk voordeel zou genieten, terwijl [gedaagden] onredelijk nadeel zouden lijden. [gedaagde sub 3] en Auto [woonplaats] v.o.f. zijn volgens [gedaagden] in het geheel niet bij de zaak betrokken, zodat de vordering ten onrechte ook jegens hen is ingesteld en er van een rechtmatig belang jegens hen in ieder geval geen sprake is. Ook ten aanzien van de [gedaagde sub 1] ontbreekt dit belang volgens [gedaagden], nu hij geen inbreuk op de rechten van [eiseres] heeft gepleegd.

3.3. [gedaagden] zijn verder van oordeel dat de door [eiseres] genoemde bescheiden onvoldoende zijn bepaald. [eiseres] heeft voorts geen belang bij afschrift of afgifte, omdat ook aan de hand van de in de hoofdzaak gevorderde schriftelijke, door een registeraccountant geaccordeerde, opgave over de herkomst van de zaken beoordeeld kan worden hetgeen bekend is omtrent de herkomst van de zaken waarmee de inbreuk zou zijn gepleegd. Ten slotte stellen [gedaagden] dat er geen sprake is van een rechtsbetrekking waarbij [eiseres] partij is, nu er van enig onrechtmatig handelen van [gedaagden] geen sprake is.

3.4. Op grond van artikel 843a Rv is een vordering tot afschrift of inzage toewijsbaar, indien er aan de zijde van eiser sprake is een van een rechtmatig belang, indien het gaat om voldoende bepaalde bescheiden en indien er sprake is van een rechtsbetrekking waarbij eiser of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Artikel 1019a, eerste lid, Rv bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv.

3.5. Ten aanzien van het vereiste van de rechtsbetrekking hebben [gedaagden] uitvoerig betoogd dat er van een rechtsbetrekking waarbij eiser betrokken is geen sprake kan zijn, nu [gedaagden] c.s niet onrechtmatig hebben gehandeld. Zij stellen dat de door hen te koop aangeboden lampen originele producten van [eiseres] zijn.

3.6. De rechtbank stelt vast dat de lampen waar het in de hoofdzaak om draait in beslag zijn genomen op het zaaksadres van [gedaagden], een autohandel. Tevens staat vast dat [gedaagden] lampen hebben aangeboden via de website marktplaats.nl, met daarbij de vermelding dat het ging om lampen van [eiseres]. Afgezien van de vraag of dit laatste juist is en het daadwerkelijk om lampen van [eiseres] ging, is er reden voor het oordeel dat het minst genomen ongebruikelijk is dat lampen van de reputatie van die van [eiseres], ontwerper van exclusieve kunst- en lichtobjecten, en van een daarbij passende, niet alledaagse, prijs, verkocht worden vanuit een autohandel. Een autohandel is in het normaal maatschappelijk verkeer geen plaats van waaruit exclusieve kunst- en lichtobjecten worden verhandeld. Bovendien hebben [gedaagden] de lampen verkocht voor een aanzienlijk lagere prijs dan de prijs van [eiseres].

3.7. Dientengevolge hebben [gedaagden] de schijn tegen en had het op hun weg gelegen om hun standpunt dat zij lampen van [eiseres] te koop hebben aangeboden en dat zij geen inbreuk op de rechten van [eiseres] hebben gemaakt, nader te onderbouwen en te voorzien van documentatie. Daarbij kan gedacht worden aan de aankoopfacturen van de betreffende lampen, die ook in weerwil van de bewaring van de administratie met behulp van de leverancier te produceren zouden zijn geweest. Nu [gedaagden] dat hebben nagelaten, moet er in dit incident voorshands van worden uitgegaan dat [gedaagden] een inbreuk hebben gepleegd op de rechten van [eiseres] en onrechtmatig hebben gehandeld. Van dit voorlopig oordeel kan bij de beoordeling van de hoofdzaak, indien daarvoor aanleiding is, worden teruggekomen.

3.8. Nu [gedaagden] hun stelling dat Auto [woonplaats] V.O.F. en [gedaagde sub 3] met deze zaak niets te maken hebben, en dat het hooguit om de [gedaagde sub 1] kan gaan, eveneens niet verder hebben gemotiveerd, moet ook die stelling worden gepasseerd en geldt het onder 3.7 vermelde oordeel ook jegens Auto [woonplaats] V.O.F. en [gedaagde sub 3].

3.9. Het volgende punt dat aan de orde dient te komen is het rechtmatig belang aan de zijde van [eiseres]. Volgens [gedaagden] zou dit rechtmatig belang aan de zijde van [eiseres] ontbreken. Uitgaande van het voorlopig oordeel dat [gedaagden] een inbreuk hebben gepleegd op de rechten van [eiseres], is de conclusie dat dit standpunt van [gedaagden] onjuist is, zie artikel 1019a, eerste lid, Rv. Het belang van [eiseres] om naar aanleiding van de door [gedaagden] gepleegde inbreuk stukken uit de administratie van [gedaagden] in te zien, om op basis daarvan de aard en de omvang van de door [gedaagden] gepleegde inbreuk en de hoogte van de te vorderen schadevergoeding te kunnen bepalen, is wel degelijk aan te merken als een rechtmatig belang. Het standpunt van [gedaagden] dat [eiseres] deze stukken slechts uit interesse zou willen inzien, valt in dit licht niet te begrijpen.

3.10. Ten slotte hebben [gedaagden] aangevoerd dat de door [eiseres] gevraagde bescheiden onvoldoende zijn bepaald en dat de informatie die [eiseres] zou willen verkrijgen door de inzage ook kan worden verkregen door middel van de in de hoofdzaak gevorderde opgave van gegevens betreffende de inbreuk, voorzien van een accountantsverklaring. Naar aanleiding van dit laatste punt geldt dat in het kader van de beoordeling van een vordering tot afschrift of inzage op basis van artikel 843a Rv niet relevant is of de gevraagde informatie ook op andere wijze zou kunnen worden verkregen. Op deze stelling van [gedaagden] behoeft dan ook niet verder te worden ingegaan.

3.11. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat vordering van [eiseres] aldus zal worden toegewezen dat aan haar afschriften van de in bewaring gegeven administratie zullen worden verstrekt. De stelling dat de door [eiseres] gevraagde bescheiden onvoldoende zijn bepaald is in zoverre juist dat de rechtbank de vordering aldus zal toewijzen dat geen afschrift hoeft te worden verstrekt van die bescheiden die uitsluitend zien op de autohandel.

De vordering tot voorschot op de schadevergoeding

3.12. [eiseres] vordert in dit incident een voorschot op de schadevergoeding van EUR 50.000,00, ter verzekering van betaling van die schadevergoeding en ter voorkoming van verlies van verhaalbaarheid. De schade bestaat volgens [eiseres] in ieder geval uit winstderving en waardevermindering van haar auteursrecht, advocaatkosten en proceskosten. [gedaagden] betwisten te zijn gehouden tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding en stellen daartoe dat de gestelde schade mager onderbouwd is, nu uit de stukken blijkt dat er slechts twee lampen in de verkoop zijn gebracht en nu [eiseres] zelf aangeeft dat de inzage in de in beslag genomen bescheiden nodig is, om tot bepaling van de aard en omvang van de gemaakte inbreuk en de schade te komen. Het gevraagde voorschot is daarom buitenproportioneel en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [gedaagden]

3.13. Voor de beoordeling van een vordering tot verkrijging van een voorschot op schadevergoeding geldt dezelfde maatstaf als voor de beoordeling van een geldvordering in kort geding. Dit betekent dat de rechter zal moeten onderzoeken of de vordering voldoende aannemelijk is en of er een spoedeisend belang bestaat en dat bij de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico dient te worden betrokken (HR 28-05-2004, NJ 2004, 602).

3.14. De vordering van [eiseres] is door Kregting c.s gemotiveerd betwist, waarbij met name op de omvang van de schade is gewezen. [eiseres] heeft zijn vordering niet met stukken onderbouwd. Het is juist dat [eiseres] in het incident ook afschrift van bepaalde bescheiden vordert om de aard en de omvang van de schade vast te kunnen stellen. Of en hoeveel schade [eiseres] daadwerkelijk heeft geleden en wellicht nog steeds lijdt, is dus niet duidelijk. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering tot verkrijging van een voorschot op schadevergoeding op dit moment niet voldoende aannemelijk is, nog daargelaten de vraag naar het spoedeisend belang, waarover [eiseres] niets stelt. De vordering zal worden afgewezen.

3.15. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. beveelt [gedaagden] om aan gerechtsdeurwaarder Jeanne Arieanne Voogt schriftelijk toestemming te geven om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] afschrift te verstrekken van de op 12 december 2008 in beslag genomen digitale bestanden en documenten uit de administratie van [gedaagden], teneinde de aard en de omvang van de gepleegde inbreuk en de hoogte van de door [eiseres] in de hoofdzaak te vorderen schadevergoeding c.q. winstafdracht te kunnen bepalen, met dien verstande dat geen afschrift zal worden verstrekt van die digitale bestanden en documenten die uitsluitend zien op de autohandel,

4.2. wijst af de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding,

4.3. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

4.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 juni 2009 voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2009.

Coll: JK