Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI3336

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
160643
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag, wel contactverbod en informatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/116 met annotatie van JHG
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en jeugd

Zaakgegevens:[nummer]

Datum uitspraak:

Beschikking inzake gezag, contact en informatie

in de zaak van

[vader] (nader te noemen: de vader),

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat mr. L.E.A. Gelderman te Apeldoorn,

tegen

[moeder] (nader te noemen: de moeder),

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

advocaat mr. B. Willemsen te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Gezien de stukken, waaronder:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 4 februari 2008;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 31 oktober 2008, ingekomen ter griffie op 16 december 2008;

- een faxbericht van mr. B. Willemsen, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 30 december 2008;

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming, ingekomen ter griffie op 24 maart 2009.

Gehoord ter zitting van 6 april 2009:

- de vader, bijgestaan door mr. L.E.A. Gelderman;

- de moeder, bijgestaan door mr. B. Freeke;

- de heer Lookman als zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de tussenbeschikking van deze rechtbank van 4 februari 2008. Bij deze beschikking is iedere (verdere) beslissing aangehouden en is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over het gezag, de omgangsregeling en de informatievoorziening.

De Raad heeft op 31 oktober 2008 gerapporteerd. Blijkens deze rapportage zijn er geen zwaarwegende belangen die aan het in stand laten van het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen in de weg staan. Om die reden adviseert de Raad het verzoek van de moeder om met het eenhoofdige gezag over de minderjarigen te worden belast af te wijzen. Er bestaan grote zorgen over de communicatie tussen partijen en de gevolgen hiervan voor de minderjarigen. Gelet op deze ouderproblematiek en het grote verzet van de minderjarigen tegen de vaststelling van een omgangsregeling, is de Raad van mening dat er ernstige bezwaren bestaan tegen het vaststellen van een dergelijke regeling. De Raad adviseert de rechtbank dan ook te bepalen dat de huidige omgangsregeling wordt stopgezet. De Raad ziet wel mogelijkheden om de bezwaren op de langere termijn op te heffen, maar acht hulpverlening voor de minderjarigen noodzakelijk om dit te bereiken.

De Raad heeft voorts in het raadsrapport geconcludeerd dat er geen ernstige bezwaren bestaan tegen het opleggen van een informatieplicht aan de moeder.

De gedragsdeskundige van de Raad heeft met de minderjarigen een gesprek gehad. Gebleken is dat de minderjarigen niet openstaan voor gedwongen hulpverlening en dat zij bovendien over een aantal mensen in hun netwerk beschikken, met wie zij kunnen praten. Om die reden heeft de Raad in zijn brief van 23 maart 2009 aangegeven op dit moment hulpverlening niet noodzakelijk te achten.

De standpunten van partijen

Door en namens de vader is ter zitting verklaard dat hij het betreurt dat er, zelfs in het kader van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, nooit een gesprek tussen de moeder, hem en de kinderen heeft plaatsgevonden. De huidige situatie is jaren geleden ontstaan en daaraan is nooit meer iets veranderd. De vader is onder psychologische behandeling geweest om de situatie te leren accepteren. Hoewel hij enorm betreurt dat hij zijn kinderen nooit ziet, is hij inmiddels in zekere mate hieraan gewend geraakt. Dat hij soms wat ongeduldig is, erkent de vader. Echter, wat er nu precies in zijn gedrag zou moeten veranderen is hem niet duidelijk. Hij wil dit graag horen en zal daarna bezien of hij verdere hulp nodig heeft. Hij wenst met het gezag belast te blijven en ziet geen zwaarwegende argumenten die wijziging van het gezag vergen. Hij handhaaft zijn verzoek waar het betreft de informatieplicht.

Door en namens de moeder is ter zitting verklaard dat zij niet inziet dat het in het belang van de kinderen zou zijn om omgang met hun vader te hebben. Zij is van mening dat het absoluut averechts zou werken wanneer omgang tussen de vader en de kinderen door de rechtbank opgelegd zou worden. Het zou de stabiliteit en de veiligheid die de kinderen nu ervaren in gevaar brengen. Op dit moment willen de kinderen geen omgang met de vader. De moeder is van mening dat de kinderen vrijgelaten dienen te worden in hun keuze om al of niet contact met hun vader te hebben. Ten aanzien van het gezag stelt de moeder dat het feit dat de vader nog met het ouderlijke gezag belast is, spanning bij de kinderen teweeg brengt. Bovendien heeft de vader gedurende de afgelopen jaren geen invulling gegeven aan het ouderlijk gezag. Om die reden wenst de moeder alleen met het gezag belast te worden. Tegen de informatieplicht voert de moeder aan dat de kinderen niets met hun vader te maken willen hebben. Zij zijn daardoor nu al heel voorzichtig met het verspreiden van informatie over zichzelf. Zo plaatsen zij bijvoorbeeld geen foto’s van zichzelf op hun Hyves pagina. De door de vader verzochte informatieplicht, waarbij regelmatig foto’s van de kinderen aan de vader gestuurd dienen te worden, druist naar de mening van de moeder dan ook in tegen de belangen van de kinderen.

Het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming

De zittingsvertegenwoordiger van de Raad merkt, onder verwijzing naar de rapportage, ter nadere toelichting op dat er sprake is van een zeer onwenselijke en zorgelijke situatie. De verantwoordelijkheid voor deze situatie en voor de minderjarige kinderen ligt bij beide ouders. De vader heeft grensoverschrijdend gedrag vertoond tegenover de kinderen. Op dit moment bagatelliseert de vader dit gedrag en de daaruit voorvloeiende problemen bij de kinderen. Pas wanneer de vader onder begeleiding van hulpverlening aan de achterliggende problemen heeft gewerkt en aan de kinderen toont dat hij hen serieus neemt, kan er misschien verandering in de houding van de kinderen komen en zal er eventueel een moment kunnen komen waarop contactherstel tot de mogelijkheden behoort.

De beoordeling

Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag

Ingevolge artikel 1:251a Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk belast blijven met het ouderlijk gezag over hun kinderen. In deze zaak is wel gebleken dat de ouders in feite niet communiceren over de zorg en opvoeding van de kinderen, maar niet is gebleken dat de vader de moeder belemmert, of blokkeert bij de uitoefening van het gezamenlijke gezag waardoor de minderjarigen klem of verloren raken. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak evenmin is gebleken dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de moeder op dat punt afwijzen.

Contactregeling

De rechtbank kan op basis van artikel 1:377 e BW op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang of verdeling van zorg- en opvoedingstaken wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Lid 4 van artikel 1:253a BW heeft bovenstaand artikel van overeenkomstige toepassing verklaard en bepaalt dat waar gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling bij gezamenlijk ouderlijk gezag daarvoor in de plaats wordt gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Ingevolge artikel 1: 253a lid 2 sub a BW kan de beslissing uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod inhouden aan een ouder om met het kind contact te hebben.

Met de Raad acht de rechtbank de door de jaren heen gegroeide situatie waarin geen contact is geweest tussen de minderjarigen en hun vader niet in hun belang. De Raad ziet echter geen mogelijkheden om deze impasse te doorbreken. De verschillende karakters van alle betrokken gezinsleden maken het momenteel niet mogelijk om ruimte te creëren waarin wederzijds begrip en een nieuwe start mogelijk is.

Gezien het grote en het persistente verzet van de minderjarigen om contact met hun vader te herstellen, hun leeftijd en het onvermogen van de minderjarigen en hun ouders om hierin wijziging aan te brengen, acht de rechtbank een tijdelijk verbod aan de vader om contact te hebben met zijn kinderen in hun belang. Het verzoek van de vader om een regeling vast te stellen met een andere inhoud dan de omgangsregeling welke bij beschikking van 3 december 2003 is vastgesteld, zal worden afgewezen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de omgangsregeling stop te zetten, toewijzen, omdat voornoemde omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen wordt geacht.

In het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 27 februari 2009, LJN: BG5045, waarin wordt verwezen naar rechtspraak van het EHRM d.d. 19 juni 2003, no. 46165/99 betekenen deze beslissing tot afwijzing en de beslissing tot ontzegging van contact dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een contactregeling te doen vaststellen.

Informatieregeling

Een ouder kan op grond van artikel 1: 253a lid 2 sub c. BW de rechtbank verzoeken een regeling vast te stellen over de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.

Ten aanzien van de informatieplicht overweegt de rechtbank het volgende. De Raad ziet geen bezwaren tegen oplegging van de informatieplicht. Bovendien vloeit de informatieplicht voort uit de wet. Uit hetgeen de moeder heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat het voor de minderjarigen rust zal brengen, indien de informatieverstrekking via haar zal lopen zodat de vader niet zelf bij school en sportclubs dient te informeren. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de man aangaande de informatieplicht toewijzen, in die zin dat de frequentie op twee keer per jaar wordt gesteld.

De beslissing

De rechtbank

1. wijst af het verzoek van de vader tot vaststelling van een gewijzigde contactregeling tussen hem en de minderjarigen;

2 wijst toe het verzoek van de moeder om de omgangsregeling vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Zutphen d.d. 3 december 2003 te schorsen;

3. wijst af het verzoek van de moeder haar alleen met het ouderlijk gezag te belasten;

4. bepaalt dat de moeder de vader eenmaal per half jaar informeert omtrent de gezondheid van de kinderen, hun schoolresultaten en hun dagelijkse bezigheden en interesses en tevens een recente foto (op dat moment niet ouder dan een maand) van beide kinderen toestuurt;

bepaalt dat de onder 2 en 4 genoemde beslissing uitvoerbaar is bij voorraad;

5. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Cosijn als griffier en in het openbaar uitgesproken op Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een procureur, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.