Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI2558

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/3562
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2010:BM1644, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong. Maatman(loon). Substantiële loonsverhoging die niet gezien kan worden als een gebruikelijke salarisgroei en die van een andere aard is dan een loonverhoging die enkel verbonden is aan de duur van het dienstverband. Leerstuk van de niet gerealiseerde toekomstverwachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3562

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 april 2009

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. N.W.L. Nijkamp,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 juni 2008, uitgereikt door UWV te Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat in verband met inkomsten uit arbeid haar uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), op dat moment berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 1 augustus 2006 wordt uitbetaald als ware zij voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt.

Bij besluit van 3 mei 2007 heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 31 januari 2007 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 maart 2008, registratienummer AWB 07/2269, heeft deze rechtbank het tegen het besluit van 3 mei 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij het thans bestreden besluit van 26 juni 2008 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin het ingediende bezwaar (wederom) ongegrond is verklaard en daarmee het besluit van 31 januari 2007 is gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 maart 2009. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nijkamp voornoemd, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van den Elsaker, werkzaam bij UWV Arnhem.

3. Overwegingen

Eiseres ontvangt sinds 6 december 1994 een Wajong-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Met ingang van 15 april 2003 is eiseres als wetenschappelijk medewerker arbeid gaan verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ter vervanging van een zieke medewerker. Onder handhaving van de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en met toepassing van artikel 50 van de Wajong, heeft verweerder de inkomsten van eiseres gekort op haar uitkering en wordt eiseres laatstelijk uitbetaald naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

Per 1 januari 2005 heeft eiseres een contract voor onbepaalde tijd gekregen in de functie van wetenschappelijk medewerker.

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar Wajong-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 2006 wordt uitbetaald naar de lagere klasse 45 tot 55%. Dit als gevolg van een loonsverhoging met ingang van voormelde datum. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen deze verlaging ongegrond verklaard.

Bij voormelde uitspraak van 11 maart 2008 heeft deze rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat verweerder bij een nieuw te nemen besluit rekening dient te houden met het leerstuk van de zogeheten “niet gerealiseerde toekomstverwachting”. Dit omdat eiseres ter zitting had benadrukt dat de stijging van haar inkomen het gevolg is van toegenomen ervaring, verantwoordelijkheden en specialisatie.

Tegen deze uitspraak is door partijen geen hoger beroep ingesteld.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar (wederom) ongegrond verklaard omdat eiseres desgevraagd in haar brief van 12 juni 2008 heeft aangegeven dat er geen sprake is geweest van een als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid in negatieve zin afwijkende functie/salarisontwikkeling zodat niet gesproken kan worden van niet gerealiseerde toekomstverwachtingen, aldus verweerder.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en stelt dat verweerder het leerstuk van de “niet gerealiseerde toekomstverwachtingen” onjuist heeft toegepast en meent recht te hebben op een uitkering berekend naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Eiseres stelt daarbij dat verweerder gezien haar loonsverhoging van een onjuist maatmanloon uitgaat.

De rechtbank overweegt als volgt.

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking van het maatmaninkomen (wat betrokkene zou hebben verdiend ware zij niet arbeidsongeschikt) met de resterende verdiencapaciteit (wat betrokkene met arbeidsongeschiktheid nog kan verdienen).

Ingevolge artikel 6, derde lid aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb) is het maatmaninkomen voor de jonggehandicapte die inkomsten geniet, het inkomen dat een niet-jonggehandicapte persoon van dezelfde leeftijd met de door de jonggehandicapte feitelijk verrichte arbeid gedurende de normale, volledige werkweek, per uur zou verdienen.

Zoals in voormelde uitspraak van deze rechtbank reeds is overwogen bieden de artikelen 7 en 8 van het Sb geen ruimte om, na eerste vaststelling van het maatmanloon, dat maatmanloon te actualiseren in plaats van te indexeren.

Het niet actualiseren van het maatmaninkomen laat echter onverlet dat van maatman gewisseld kan worden indien de situatie daartoe aanleiding geeft, dan wel dat een verkeerde maatman en daarmee een onjuist maatmaninkomen gecorrigeerd kan worden. De eerder door verweerder gemaakte keuze voor een bepaalde maatman is immers volgens vaste jurisprudentie steeds volledig vrij toetsbaar.

Na de eerdere uitspraak van deze rechtbank heeft eiseres bij brief van 12 juni 2008 informatie aan verweerder verstrekt. Uit de daarin vermelde loongegevens, welke door verweerder niet zijn betwist, blijkt dat eiseres bij het verkrijgen van een contract voor onbepaalde tijd per 1 januari 2005 een loonsverhoging van ruim 14% heeft ontvangen.

Op het moment dat de maatman van eiseres in 2003 door verweerder werd vastgesteld, diende verweerder naar het oordeel van de rechtbank met deze –op dat moment toekomstige– salariswijziging rekening te houden nu dit een reële toekomstverwachting was. Dat verweerder met een redelijke mate van zekerheid mocht uitgaan van het feit dat eiseres bij het verkrijgen van een contract voor onbepaalde tijd een aanzienlijk hoger loon zou gaan verdienen volgt reeds uit het feit dat dit in 2005 ook daadwerkelijk is toegekend. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat deze substantiële loonsverhoging niet gezien kan worden als een gebruikelijke salarisgroei en van een andere aard is dan een loonsverhoging die enkel verbonden is aan de duur van het dienstverband. Ten aanzien van de overige salarisverhogingen heeft eiseres ter zitting verklaard dat bij haar werkgever normaal gesproken sprake is van een loonsverhoging op basis van de jaarlijkse indexering vermeerderd met een eventuele extra verhoging van maximaal 5% wegens goed functioneren. Deze verhogingen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank wel als gebruikelijke salarisgroei als hiervoor bedoeld buiten beschouwing kunnen laten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank een onjuist maatmaninkomen aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd zodat de rechtbank het beroep om die reden gegrond zal verklaren. Het is niet ondenkbeeldig dat eiseres, uitgaande van een hoger maatmaninkomen als gevolg van de loonsverhoging van ruim 14%, ten onrechte in een lagere klasse is ingedeeld. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 22 april 2009