Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI2201

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
177294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgebroken onderhandelingen.

Eiseressen wilden een financieringsvoorbehoud in de overeenkomst, gedaagde wilde dat niet. Eieseressen moesten er zeer ernstig rekening mee houden dat gedaagde al bij het horen van het woord financieringsvoorbehoud zou afhaken. Bij eiseressen kon geen gerechtbaardigd vertrouwen bestaan in het tot stand komen van de koopovereenkomst. Gedaagde mocht de onderhandelingen dus afbreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 177294 / HA ZA 08-1923

Vonnis van 15 april 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ID&C B.V.,

gevestigd te Barneveld,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VANO VASTGOED B.V.,

gevestigd te Nunspeet,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M.W.A.M. van Kempen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOSSENHOL B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.P.A. Greuters te Arnhem,

Partijen zullen hierna ID&C, Vano en Vossenhol genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 januari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 11 maart 2009

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. ID&C houdt zich bezig met de handel in onroerende zaken en projectontwikkeling, Vano is een beheermaatschappij die onder meer in onroerende zaken belegt.

2.2. Vossenhol is een beheer- en financieringsvennootschap. Haar directeur-grootaandeelhouder is de heer [directeur van gedaagde in conventie].

2.3. Op een gegeven moment biedt Vossenhol de opstallen en het recht van erfpacht staande en gevestigd op het perceel [adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats] R 7092, groot 2.180 m2) te koop aan. Op het hier bedoelde terrein zijn een benzinestation en een parkeergarage gevestigd. De combinatie van erfpacht- en opstalrechten zal de rechtbank hierna als het object aanduiden.

2.4. ID&C en Vano hebben belangstelling voor het object, in verband met de mogelijke ontwikkeling van hoogbouw ter plaatse. Daarvoor is medewerking van de gemeente nodig en dat kost tijd. ID&C en Vano vinden een zekere [betrokkene] bereid om in de tussentijd het benzinestation en de parkeergarage te exploiteren.

2.5. In juli 2007 krijgen partijen contact met elkaar over de mogelijke verkoop van het object.

2.6. Op 27 augustus 2007 schrijft ID&C aan Vossenhol, ter attentie van [directeur van gedaagde in conventie]:

In aansluiting op ons telefoongesprek van 23 augustus jl. doen wij u hierbij, een aangepast voorstel toekomen voor aankoop van (het object, de rechtbank), zoals mondeling overeengekomen.

(…)

ID&C BV, of een van de aan ID&C BV gelieerde bedrijven, koopt de bestaande opstallen en neemt het recht van opstal en erfpacht van u over voor een koopsom ad € 2.175.000,- k.k. Betaling bij levering. Koper neemt de kosten van het door de verkoper recent gekochte kassasysteem over volgens de betreffende factuur, met een maximum van € 10.000,-. De inventaris (…) bij de koop inbegrepen.

Voorwaarden

• Levering vindt plaats in december 2007

• Levering van het verkochte; vrij van huur (enz., de rechtbank).

• Het is verkoper bekend dat koper de locatie wil aankopen om te herontwikkelen.

• Het is de koper bekend, dat verkoper op zoek is naar een alternatieve locatie voor zijn autoverhuurbedrijf (…).

• Deze overeenkomst wordt gesloten onder de opschortende voorwaarde dat ID&C BV binnen twee maanden na ondertekening van deze overeenkomst een exploitant op voor haar acceptabele voorwaarden heeft gecontracteerd (…).

Deze overeenkomst wordt gesloten onder de opschortende voorwaarde dat partijen definitieve overeenstemming krijgen over alle in deze overeenkomst nog niet geregelde en/of nog nader te regelen zaken die onderdeel dienen te zijn van de definitieve tekst van de uiteindelijke koopovereenkomst.

Onder de brief, die partijen als de intentieovereenkomst aanduiden, staat: “met vriendelijke groet, ID&C BV” en “voor akkoord Vossenhol BV”; hij is door beide partijen ondertekend.

2.7. Op 1 november 2007 zendt ID&C een concept koopovereenkomst aan Vossenhol. Artikel 17 daarvan, ‘Ontbindende voorwaarden’, luidt onder meer als volgt.

17.1 Deze overeenkomst zal (…) ontbonden (kunnen) worden in elk van de volgende gevallen: (…)

b. Koper kan deze overeenkomst ontbinden indien zij voor de financiering van deze koop op of omstreeks 3 maart 2008 niet voor een bedrag van ad ten minste € 1.900.000,-- + k.k. een hypothecaire geldlening heeft verkregen of een aanbod daartoe van een Nederlandse bankinstelling tegen bij (onleesbaar) geldverstrekkende instellingen normaal geldende voorwaarden.

17.2 Het inroepen van de ontbinding dient te geschieden conform het bepaalde in artikel 16.1.

17.3 In verband met ontbinding van deze overeenkomst op grond van het bepaalde in artikel 17.1 sub a, sub c en sub d zullen partijen niets van elkaar kunnen vorderen. Indien de overeenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 17.1 sub b geldt artikel 16.2 (een boeteclausule die een boete van € 10.000,00 inhoudt, de rechtbank).

2.8. ID&C en Vossenhol sluiten een exploitatieovereenkomst met v.o.f. Tankstations [betrokkene] op 12 november 2007 onder de opschortende voorwaarde dat het opstalrecht en het recht van erfpacht op het object per 1 januari 2008 worden verkregen.

2.9. Op 17 november 2007 schrijft een advocaat namens Vossenhol aan ID&C naar aanleiding van de concept koopovereenkomst. Hij stelt voor dat beide mogelijke kopers zich hoofdelijk binden en schrijft over de financieringsvoorwaarde onder meer:

Ad artikel 17.1 sub c:

Ik veronderstel dat deze bepaling inmiddels ook achterhaald is. Overigens vermeldt het bedrag een “0” te veel.

2.10. Op 22 november 2007 vindt een bespreking plaats ten kantore van de advocaat van Vossenhol, mr. Greuters. Hierbij zijn namens ID&C [ ] [betrokkene namens ID&C], namens Vano [ ] [betrokkene namens Vano] en namens Vossenhol [directeur van gedaagde in conventie] aanwezig.

2.11. Op 29 november 2007 schrijft [directeur van gedaagde in conventie] aan ID&C ([betrokkene namens ID&C]):

Hierbij alvast per fax een door mij getekende koopovereenkomst.

Gaarne uiterlijk per 30-11-2007 een getekende overeenkomst per fax retour of dat we misschien bij jullie iets af kunnen spreken om morgen het origineel te tekenen.

2.12. Het antwoord van [betrokkene namens ID&C] namens ID&C luidt:

Alle gegevens heb ik in goede orde ontvangen. Ik heb geen opmerkingen meer op de koopovereenkomst en heb van Vano begrepen, dat ze ook akkoord zijn. Ik heb geen reden om de geplande levering op 4 januari 2008 niet te laten passeren en heb mijn directie geadviseerd de overeenkomst te tekenen.

2.13. De volgende dag geeft [betrokkene namens ID&C] aan dat de directies van ID&C en Vossenhol een definitieve offerte van de bank willen afwachten.

2.14. In een brief van 6 december 2007 stelt de advocaat van Vossenhol zich op het standpunt dat overeengekomen was dat de definitieve overeenkomst op 3 december 2007 getekend zou worden. De brief luidt onder meer als volgt.

Op 28 november 2007 is aan u de definitieve tekst van de overeenkomst toegezonden.

Op 30 november jl. heeft de heer [betrokkene namens ID&C] gebeld naar de heer [directeur van gedaagde in conventie] en medegedeeld dat er geen op- en/of aanmerkingen met betrekking tot de overeenkomst meer waren. De tekst was akkoord. Niets stond het tekenen van de overeenkomst meer in de weg. De overeenkomst zou de daaropvolgende maandag, 3 december 2007, worden getekend. desgevraagd deelde de heer [betrokkene namens ID&C] mede dat door Vossenhol B.V. de contracten konden worden opgezegd (…).

Op 31 november 2007 heeft de [betrokkene namens ID&C] wederom gebeld naar de heer [directeur van gedaagde in conventie]. Bij die gelegenheid is het ondertekenen afgezegd en is medegedeeld dat aan de zijde van kopers pas zou worden getekend nadat een definitieve offerte van de bank was ontvangen ten behoeve van de financiering.

Ik constateer het voorbehoud met betrekking tot de ontvangst van de definitieve offerte van de bank in strijd is met de bereikte overeenstemming van het vervallen van het voorbehoud van financiering (…).

Cliënte vertrouwt erop dat aanstaande vrijdag een definitieve offerte van de bank tegemoet kan worden gezien en dat getekend zal worden. Ik begreep dat aan de kopers een mondelinge toezegging is gedaan met betrekking tot de financiering. Maandag a.s. zal in dat geval ondertekening van de koopovereenkomst kunnen plaatsvinden.

Namens cliënte dien ik mij alle rechten voor te behouden voor het geval maandag a.s. geen ondertekening plaatsvindt. Ik wijs u er voorts op dat in de visie van verkoper inmiddels een overeenkomt tot stand is gekomen nu ten aanzien van alle contractsvoorwaarden en formulering daarvan wilsovereenstemming bestaat (…).

2.15. Vossenhol zegt vervolgens de lopende contracten voor – kort gezegd – de exploitatie van het object op.

2.16. Op 13 december 2007 vindt een bespreking plaats tussen [directeur van gedaagde in conventie], [betrokkene namens Vano] en [betrokkene namens ID&C]. [betrokkene namens Vano] en [betrokkene namens ID&C] geven aan dat er geen koopovereenkomst tot stand kan komen zonder financieringsvoorbehoud. [directeur van gedaagde in conventie] stelt dan dat als er vóór 24 december 2007 geen onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand gekomen is, Vossenhol de onderhandelingen staakt.

2.17. Op 14 december 2007 stelt ID&C [betrokkene] ervan op de hoogte dat 1 januari 2008 niet gehaald wordt, zodat er geen huurovereenkomst tot stand komt. [betrokkene] vordert later de met hem overeengekomen boete van ID&C en Vano. Deze wordt hem, na een procedure, betaald.

2.18. Op 17 december 2007 reageert de advocaat van ID&C en Vano op de onder 2.14 geciteerde brief. Hij stelt dat er geen sprake is van overeenstemming tussen partijen omdat zij over het wel of niet opnemen van een financieringsvoorbehoud nog onderhandelen en vervolgt:

De heer [directeur van gedaagde in conventie] heeft tijdens het gesprek d.d. 13 december 2007 met de heer [ ] [betrokkene namens ID&C] en de heer [ ] [betrokkene namens Vano] te kennen gegeven de onderhandelingen te willen afbreken indien partijen géén overeenstemming bereiken over de laatste punten van de definitieve versie van het koopcontract vóór 24 december a.s.

Hierdoor laat ik u weten dat cliënten nog steeds bereid zijn om de onderhandelingen door te zetten, waarbij geldt dat zij nog overeenstemming dienen te bereiken op de volgende onderwerpen:

- het financieringsvoorbehoud (…).

2.19. Op 20 december 2007 vindt in Het Planken Wambuis in Ede een bespreking plaats. Daarbij is ook de directie van wier toestemming ID&C afhankelijk was (zie 2.12 hierboven), vertegenwoordigd.

2.20. ID&C en Vano schrijven op 21 december 2007 aan Vossenhol:

In vervolg op onze prettige bespreking van gistermiddag, bevestigen wij hierdoor de gemaakte afspraken.

1. In de koopovereenkomst zal een bepaling worden opgenomen waarin wij de mogelijkheid hebben, bij het niet verkrijgen van de financiering, de koopovereenkomst te ontbinden. Wij stellen voor om de ontbindende voorwaarde als volgt te formuleren: (…).

2.21. Hierop reageert [directeur van gedaagde in conventie] op 21 december 2007:

Zojuist ontving ik uw faxbericht ik wil er met nadruk op wijzen dat er geen afspraken zijn gemaakt. U zou Uw voorstel op papier zetten en ons toezenden ter beoordeling. Onze advocaat (…) zal hier op terugkomen.

2.22. Op 8 januari 2008 schrijft de advocaat van Vossenhol aan de advocaat van de wederpartij:

Inmiddels heeft nog rechtstreeks overleg tussen betrokken partijen plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft uw cliënte bevestigd dat zij er nog immer vanuit gaat dat de voorgenomen transactie doorgang vindt, zij het niet meer op 4 januari jl. Ik oordeel deze mededeling van belang omdat in het kader van enige schadebeperkingsplicht van cliënte zodoende niet gevergd kan worden dat zij alsnog zich weer alle mogelijke moeite getroost om de opzegging van contracten terug te draaien. Cliënte verlangt nakoming van de overeenkomst. Dit betekent dat in geval van niet afname, cliënte aanspraak maakt op de boeteclausule ad 10% van de koopsom (…).

2.23. Van de kant van ID&C en Vano volgt op 23 januari 2008 een nieuw concept koopovereenkomst. Daarin is een financieringsvoorwaarde opgenomen waarop een beroep gedaan kan worden door hen als op of omstreeks 3 maart 2008 geen financiering is verkregen op de wijze als bedoeld in het eerdere concept.

2.24. Op 4 februari 2008 schrijft de advocaat van Vossenhol:

Op 27 augustus 2007 hebben partijen een voorovereenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop. In deze voorovereenkomst zijn alle essentialia opgenomen. Door uw cliënte is nimmer een financieringsvoorbehoud gemaakt. Cliënte heeft nimmer ingestemd met het alsnog later toestaan van een financieringsvoorbehoud (…).

Ik constateer dat januari inmiddels is verstreken. Wilt u mij omgaand laten weten of uw cliënte van zins is af te nemen?

2.25. Op 5 februari 2008 brengt [betrokkene namens ID&C] [directeur van gedaagde in conventie] een bezoek.

2.26. Op 19 februari 2008 schrijft de advocaat van ID&C en Vano:

Indien uw cliënte (Vossenhol, de rechtbank) niet op uiterlijk maandag 25 februari a.s. om 17.00 instemt met de koopovereenkomst zoals aangehecht aan deze brief, zijn cliënten genoodzaakt de onderhandelingen inzake de koop stop te zetten.

Hij deelt voorts mee dat ID&C en Vano druk doende zijn om de financiering rond te krijgen.

2.27. De advocaat van ID&C en Vano herinnert de wederpartij aan dit bericht op 25 februari 2008 en op dezelfde datum antwoordt de advocaat van Vossenhol:

In uw concept koopovereenkomst wordt als leveringsdatum gemeld 3 maart 2008 en het concept bevat een met die datum overeenstemmend financieringsvoorbehoud.

Het standpunt van mijn cliënte met betrekking tot een financieringsvoorbehoud is u bekend.

Het lijkt weinig doelmatig om thans een verdere discussie te voeren over de aanvaardbaarheid van het financieringsvoorbehoud en overige (nieuwe) contractvoorwaarden terwijl het einde van de termijn waarvoor het financieringsvoorbehoud is gesteld, verschijnt.

Dezerzijds wordt iedere discussie geparkeerd totdat van u respectievelijk uw cliënte is vernomen of de door uw cliënte gewenste financiering is verkregen. Ik verzoek u mij daaromtrent uiterlijk 3 maart a.s. te berichten.

2.28. En het antwoord van 29 februari 2008 hierop luidt onder meer:

Cliënten zouden graag (…) overleg hebben volgende week, om te bezien of er alsnog een koopovereenkomst tot stand kan komen onder voor beide partijen acceptabele voorwaarden. Aangezien cliënten druk bezig zijn met het verkrijgen van de financiering, kunnen we mogelijk naar wens van uw cliënte een koopovereenkomst opstellen waarin het financieringsvoorbehoud niet zal worden opgenomen.

2.29. Onder de voorwaarde dat de overeenkomst tot stand gekomen is, beroepen ID&C en Vano zich in dezelfde brief op de ontbindende voorwaarde in art. 17 van de conceptovereenkomst.

2.30. [directeur van gedaagde in conventie] zegt een tussen partijen op 7 maart 2008 voor de ondertekening van het koopcontract geplande bijeenkomst af als hij begrijpt dat de financiering van ID&C en Vano formeel nog niet rond is. Daarna vindt er geen direct contact tussen partijen meer plaats. Vossenhol maakt aanspraak op schadevergoeding op grond van annulering van de koopovereenkomst.

2.31. Op 15 maart 2008 verkoopt Vossenhol het object aan J.M.E. Holding B.V. – hierna JME – en op 28 maart 2008 levert zij aan haar.

3. De vordering in conventie

3.1. ID&C en Vano vorderen een verklaring voor recht dat Vossenhol jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen zonder nadere aankondiging af te breken, en veroordeling van Vossenhol om hun daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vergoeden, met veroordeling van Vossenhol in de kosten.

3.2. Zij stellen dat Vossenhol onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen door het object heimelijk te verkopen en te leveren aan JME, terwijl partijen zich in het laatste onderhandelingsstadium bevonden. Een element van hun schade is de door [betrokkene] geclaimde boete van € 10.000,00. Voorts bestaat de schade van eisers in gederfde winst, gederfde huurinkomsten en gemaakte onderzoeks- en planningskosten.

4. Het verweer in conventie

4.1. Vossenhol stelt zich op het standpunt dat zij nooit een financieringsvoorbehoud in de koopovereenkomst heeft willen accepteren, dat dit de wederpartijen duidelijk was en dat hen dus ook duidelijk was dat er géén koopovereenkomst tot stand zou komen als zij opneming van een financieringsvoorbehoud eisten. Zij voert ten verwere aan dat het haar vrijstond de onderhandelingen af te breken en dat er zich geen omstandigheden voordoen die mee brengen dat dit op grond van gerechtvaardigd vertrouwen van ID&C en Vano in het totstandkomen van de overeenkomst of anderszins onaanvaardbaar zou zijn.

5. De vordering in reconventie

5.1. Vossenhol vordert hoofdelijke veroordeling van ID&V en Vossenhol om aan haar € 10.000,00 te betalen, althans een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met hoofdelijke veroordeling van hen in de kosten. Vossenhol grondt deze vordering primair op de stelling dat ID&C en Vano een beroep op het financieringsvoorbehoud hebben gedaan waarop een boete is gesteld. Subsidiair stelt zij dat [betrokkene namens ID&C] haar ten onrechte heeft bewogen de lopende contracten op te zeggen. Hierdoor heeft zij schade geleden.

6. Het verweer in reconventie

6.1. ID&C en Vano voeren gemotiveerd verweer.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. Vast staat dat tussen partijen een afspraak is gemaakt om op 7 maart 2008 de koopovereenkomst te tekenen.

7.2. Dit betrof echter niet uitsluitend het ondertekenen; er lag nog geen overeenkomst die uitsluitend ondertekening behoefde.

7.3. In zijn brief van 6 december 2007 neemt de advocaat van Vossenhol het standpunt in dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen is die nog slechts ondertekening behoeft. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat Vossenhol zich op het standpunt stelt en naar haar zeggen tijdens de onderhandelingen steeds op het standpunt heeft gesteld dat een overeenkomst met daarin opgenomen een financieringsvoorbehoud voor haar onaanvaardbaar was. Zou het Vossenhol op 6 december 2007 duidelijk zijn geweest dat opneming van een financieringsvoorbehoud een eis van de wederpartij was – zoals deze thans stelt – dan moet geconcludeerd worden dat zij zich op die dag niet op het standpunt kon stellen dat er een overeenkomst tot stand gekomen was. Van gerechtvaardigd vertrouwen van instemming door ID&C en Vano met een overeenkomst zonder financieringsvoorbehoud kon dan immers geen sprake zijn.

7.4. Er mag vanuit worden gegaan dat het Vossenhol in ieder geval vanaf 1 november 2007 (zie 2.7) duidelijk was dat de wederpartij een financieringsvoorbehoud eiste. Zij stelt voorts zonder voorbehoud (antwoord in conventie onder 11) en overigens ook onweersproken dat zij op 13 december 2007 ID&C en Vano heeft laten weten dat zij ‘de onderhandelingen zou afbreken, indien op 24 december 2007 geen definitieve overeenkomst tot stand zou zijn gekomen.’

7.5. De verklaring van [directeur van gedaagde in conventie] ter comparitie dat hij er tijdens het gesprek in het Planken Wambuis op 20 december 2007 (2.19), ‘weinig vertrouwen meer in’ had dat ID&C en Vano ‘wilden kopen’ mag in het licht hiervan gelezen worden. In het algemeen mag niet verwacht worden dat het [directeur van gedaagde in conventie], als niet jurist, duidelijk was dat er tussen koop en levering verschil bestaat. Op zichzelf genomen zou zijn verklaring dus kunnen betekenen dat hij er weinig vertrouwen meer in had dat de wederpartij aan de levering zou meewerken. Gelet op de onder 7.4 bedoelde stellingen en [directeur van gedaagde in conventie] brief van 21 december 2007 (2.21) is de rechtbank echter van oordeel dat de hier bedoelde verklaring van [directeur van gedaagde in conventie] ook juridisch het partijstandpunt van Vossenhol weergeeft. Zij had weinig vertrouwen meer in de totstandkoming van een koopovereenkomst. Het onder 7.3 bedoelde gerechtvaardigde vertrouwen ontbrak dus.

7.6. Daarmee stonden partijen eind december 2007 tegenover elkaar met in zoverre overeenstemmende standpunten dat zij van mening waren dat er een intentieovereenkomst lag, dat er onderhandeld werd, maar dat de koopovereenkomst bij gebreke van een belangrijk element – het wel of niet opnemen van een financieringsvoorbehoud – nog niet gesloten was.

7.7. Het voorgaande leidt, gevoegd bij het gegeven dat tussen partijen een afspraak was gemaakt om op 7 maart 2008 de koopovereenkomst te tekenen, tot de vraag of Vossenhol schadeplichtig is geworden jegens ID&C en Vano door die afspraak af te zeggen en de onderhandelingen daarmee definitief af te breken. Het staat immers vast dat het [directeur van gedaagde in conventie] was die op het laatste moment afhaakte. ‘Begin maart werd ik uitgenodigd om de overeenkomst te tekenen, maar toen ik een telefoontje van de heer [betrokkene namens ID&C] kreeg dat de financiering nog niet rond was heb ik die afspraak afgezegd,’ verklaarde hij ter comparitie over dit moment.

7.8. Hierbij speelt overigens enige spraakverwarring. Het is de rechtbank duidelijk dat ID&C en Vano stellen dat de financiering in feite geregeld was, maar formeel nog afhing van de goedkeuring door de directie van de bank. Dat is dus niet hetzelfde als [directeur van gedaagde in conventie] ter comparitie heeft verklaard, namelijk dat de financiering nog niet rond was. Het komt er wel op neer dat om formele redenen een financieringsvoorbehoud volgens ID&C en Vano onderdeel moest vormen van de koopovereenkomst. De vraag is of dit Vossenhol tot afbreken van de onderhandelingen mocht brengen.

7.9. Het uitgangspunt bij de beantwoording van deze vraag is het volgende (zie HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467, CBB/JPO).

7.10. Voorop moet worden gesteld dat als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij – in de onder 7.8 bedoelde vraag zijn dit ID&C en Vano – in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt – Vossenhol – tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij.

7.11. Bestond bij ID&C en Vano gerechtvaardigd vertrouwen in het tot stand komen van de koopovereenkomst op 7 maart 2008?

7.12. Zij wisten – althans daarvan moet in dit proces uitgegaan worden – dat de financiering afhing van een formaliteit. Zij wisten echter ook dat Vossenhol in beginsel geen financieringsvoorbehoud in de koopovereenkomst opgenomen wilde zien. Dat moet hen in redelijkheid duidelijk geweest zijn, zo leidt de rechtbank af uit de onder 2.14, 2.16, 2.18, 2.21, 2.24 en 2.27 vermelde feiten . Ter comparitie is aan de orde gekomen dat volgens ID&C en Vano Vossenhol op enig moment afzag van deze eis.

7.13. Daarover heeft [betrokkene namens Vano] namelijk ter comparitie verklaard: ‘Ik heb begrepen dat de heer [directeur van gedaagde in conventie] er de voorkeur aan gaf geen financieringsvoorbehoud in de overeenkomst op te nemen. Kort voor kerstmis week hij hier van af.’

7.14. Dat moet geweest zijn op de bijeenkomst in het Planken Wambuis. Daarover heeft [betrokkene 2] – die de directie vertegenwoordigde die [betrokkene namens ID&C] bedoelt in het onder 2.21geciteerde schrijven – verklaard: ‘Wij werken nooit zonder een financierings-voorbehoud. Dat hebben wij ook gezegd op de bijeenkomst die in december 2007 plaatsvond in het Planken Wambuis. Ik heb toen tegen de heer [directeur van gedaagde in conventie] gezegd: als u geen financieringsvoorbehoud wilt, stoppen wij nu (…). Er is niet gezegd dat zij niet verder wilden als de voorwaarde er niet lag.’

7.15. Het is duidelijk dat partijen voort onderhandeld hebben. Volgens ID&C en Vano is in het Planken Wambuis afgesproken dat zij een voorstel zouden doen voor de formulering van het financieringsvoorbehoud. Dit blijkt uit hun brief van 21 december 2007 (2.20), maar uit de reactie van [directeur van gedaagde in conventie] hierop (2.21) blijkt dat deze de boot afhield. Uit die onmiddellijke en afhoudende reactie moet het ID&C en Vano duidelijk zijn geweest dat de overeenstemming waarop zij in hun brief van 21 december (2.20) doelden, niet bestond. Zij konden er (als zij dat tevoren al hadden kunnen doen: in ieder geval) na ontvangst van [directeur van gedaagde in conventie]’ reactie in redelijkheid niet meer op vertrouwen dat tussen partijen overeenstemming bestond over het opnemen van een financieringsvoorbehoud.

7.16. Vervolgens is er echter sprake van een omslag, zij het wellicht een tijdelijke, in de opstelling van Vossenhol. Zowel uit de stukken als uit [directeur van gedaagde in conventie]’ verklaring ter comparitie kan namelijk afgeleid worden dat Vossenhol op een ogenblik de wederpartij tot 3 maart de gelegenheid gaf om een overeenkomst op schrift te stellen.

7.17. Daar is echter aan vooraf gegaan dat de advocaat van ID&C en Vano op 19 februari 2008 Vossenhol een ultimatum stelde (2.26). Daarbij is aangekondigd dat ID&C en Vano de onderhandelingen zullen beëindigen als Vossenhol niet uiterlijk op 25 februari 2008 instemt met de op 19 februari 2008 verzonden koopovereenkomst. Dan is het Vossenhol die op 25 februari 2008 aangeeft toch nog door te willen gaan, maar dit onder strikte voorwaarden. Zij wil uiterlijk op 3 maart 2008 bericht hebben waarbij iedere discussie over het financieringsvoorbehoud gepasseerd wordt met de woorden ‘Het standpunt van (Vossenhol) met betrekking tot een financieringsvoorbehoud is u bekend’ en ervan uitgegaan wordt dat ID&C en Vano Vossenhol berichten als de financiering is verkregen. Deze brief is niet voor verschillende uitleg vatbaar gelet op het eerder naar voren gebrachte standpunt over het voorbehoud. Zelfs als dit ID&C en Vano niet duidelijk was geweest, dan verplichtte deze brief hen gelet op de zojuist geciteerde woorden, naar dat standpunt te informeren. Dat hebben zij niet gedaan. In hun reactie van 29 februari 2008 staat expliciet dat zij mogelijk naar de wens van Vossenhol – welke wens hen dus bekend was – een koopovereenkomst konden opstellen zonder financieringsvoorbehoud.

7.18. Dit betekent dat ID&C en Vano er zeer ernstig rekening mee moesten houden dat Vossenhol al bij het horen van het woord financieringsvoorbehoud zou afhaken na de correspondentie van 19, 25 en 29 februari 2008. Dat het voorbehoud een formaliteit was doet daar niet aan af, omdat ID&C en Vano stellen dat het ook tevoren al een formaliteit was en dat zij dit Vossenhol duidelijk gemaakt hadden. Bij ID&C en Vano kon dan ook, nu het financieringsvoorbehoud niet uitgesloten was, geen gerechtvaardigd vertrouwen bestaan in het tot stand komen van de koopovereenkomst op 7 maart 2008. Vossenhol mocht de onderhandelingen dus afbreken.

7.19. Gelet op de onder 7.10 geformuleerde maatstaf, betekent dit dat de vordering, die is gegrond op het afbreken van de onderhandelingen, moet worden afgewezen.

7.20. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de stelling van ID&C en Vano dat Vossenhol al eerder dan na 7 maart 2008 onderhandeld moet hebben met de uiteindelijke koper – hetgeen Vossenhol betwist – geen behandeling meer behoeft. Uit het verloop van de onderhandelingen tussen partijen valt immers al af te leiden dat Vossenhol deze kon en mocht afbreken op 7 maart 2008. Of zij direct een andere koper achter de hand had, is dan niet van belang.

7.21. ID&c en Vano zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vossenhol worden begroot op:

- vast recht € 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.158,00

in reconventie

7.22. Primair stelt Vossenhol dat nu door ID&C en Vano een beroep op het financieringsvoorbehoud is gedaan, de daarop gestelde boete van € 10.000,00 verbeurd is.

7.23. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat er tussen partijen geen andere overeenkomst dan de intentieovereenkomst van 27 augustus 2007 (2.6) tot stand gekomen is. Zij neemt daartoe over wat zij in conventie (7.2-7.5) heeft overwogen. In de intentieovereenkomst ligt geen boetebeding als hier door Vossenhol bedoeld is, vast.

7.24. In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat het standpunt van Vossenhol zowel in conventie als in reconventie – niet is gebleken dat zij in reconventie dit standpunt heeft laten varen – is dat zij geen overeenkomst heeft gesloten waarvan een financieringsvoorbehoud deel uitmaakt. Dan heeft zij ook geen overeenkomst gesloten met een financieringsvoorbehoud waaraan een boetebeding is gekoppeld. Haar primaire stelling wordt dus verworpen.

7.25. Subsidiair stelt Vossenhol dat [betrokkene namens ID&C] haar ten onrechte ertoe heeft bewogen de lopende contracten op te zeggen en dat dit onrechtmatig was. Deze onrechtmatige daad heeft [betrokkene namens ID&C] in dienstbetrekking gepleegd. Hiertoe voert Vossenhol twee feiten aan, in de eerste plaats het onder 2.12 genoemde antwoord en in de tweede plaats een telefoongesprek van 30 november 2007 waarin hij [directeur van gedaagde in conventie] zou hebben gezegd dat de transactie ‘voor 99,9 % zeker’ was en dat het enige wat aan de levering nog in de weg zou kunnen staan, onverwacht onvermogen van Vossenhol om te leveren was. Er zou, volgens [betrokkene namens ID&C], op 4 januari 2008 geleverd kunnen worden.

7.26. [betrokkene namens ID&C] kan in deze situatie slechts onrechtmatig gehandeld hebben als Vossenhol erop vertrouwde en mocht vertrouwen dat niets meer aan de totstandkoming van de koopovereenkomst en de levering in de weg stond. Vossenhol echter, die in reconventie niet stelt een ander betoog te voeren dan in conventie, hield in die periode vast aan haar eis dat een koopovereenkomst geen financieringsvoorbehoud mocht bevatten. Zij stelt niet dat er enig moment geweest is, behalve in het hier bedoelde telefoongesprek met [betrokkene namens ID&C], waarop zij erop vertrouwde en in redelijkheid ook kon vertrouwen dat die tot stand zou komen. Een overeenkomst lag er immers, buiten de intentieovereenkomst, nog niet, en de onder 7.25 bedoelde brief van [betrokkene namens ID&C] (2.12) verwijst juist naar de toestemming van de directie die de eis van een financieringsvoorbehoud impliceerde. Gesteld noch gebleken is dat hij in het volgens Vossenhol daarop gevolgde telefoongesprek de eis van die toestemming heeft laten varen. Ook als [betrokkene namens ID&C] inderdaad heeft gezegd wat Vossenhol stelt (zie 7.25) – wat heel goed mogelijk is gelet op [betrokkene namens ID&C]’s visie op het financieringsvoorbehoud als loutere formaliteit – is het juist Vossenhol die daar gelet op de vaststaande feiten en de door haar ingenomen stellingen, niet op kon vertrouwen.

7.27. Ook de subsidiaire stelling van Vossenhol moet dus worden verworpen en dat betekent dat de rechtbank haar vordering zal afwijzen.

7.28. Vossenhol zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ID&C worden begroot op € 452,00 voor salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00).

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. wijst de vorderingen af,

8.2. veroordeelt ID&C en Vano in de proceskosten, aan de zijde van Vossenhol tot op heden begroot op € 1.158,00,

8.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

8.4. wijst de vorderingen af,

8.5. veroordeelt Vossenhol in de proceskosten, aan de zijde van ID&C tot op heden begroot op € 452,00,

8.6. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2009.