Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI1700

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
05/519367-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De brandstichter bekent de brand te hebben gesticht. Hij heeft de dood van twee bewoners van het pand niet gewild; hij handelde uit woede op een vriend die hem een overnachtingsplaats in het pand weigerde. De ernst van het feit rechtvaardigt een gevangenisstraf van 7 jaren; de veiligheid van de maatschappij noopt gezien de persoon van de brandstichter tot het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/519367-08

Datum zitting : 7 april 2009

Datum uitspraak : 21 april 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 12 juli 1987 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. B. Kurvers, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 december 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente

Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in een pand/woning (met een aantal verhuurde

kamers/gelegen aan de [adres]), immers heeft/hebben verdachte

en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk

met een brandende aansteker, in elk geval (open) vuur een laken of een

kussensloop en/of een stuk doek, althans een soortgelijk goed in brand

gestoken en/of (vervolgens)

dit brandende laken en/of die brandende kussensloop en/of dat brandende doek,

althans dat brandende soortgelijke goed op een trap en/of een of meer (andere)

plaatsen in voormeld(e) pand/woning gegooid en/of gelegd en/of

met een brandende aansteker, in elk geval (open) vuur een of meer goederen

(een trap) in en/of aan voormeld(e) pand/woning in brand gestoken,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met brandbare

goederen in/aan voormeld(e)pand/woning, althans met brandbare stoffen ((in/aan

voormeld(e) pand/woning)),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor

-voormeld pand en/of de inboedel van voormeld pand en/of de inboedel van

bewoners die een kamer hadden gehuurd in voormeld pand en/of

-belendende percelen (waaronder o.a. [adres]) en/of de inboedel in

belendende percelen te duchten was, in elk geval gemeen gevaar voor goederen

te duchten was en/of

levensgevaar voor J. van [slachtoffer1] en/of R.E.T.[slachtoffer2] en/of brandweerpersoneel

en/of voor personen aanwezig in de belendende percelen te duchten was, in elk

geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was en/of

voornoemde brand de dood[slachtoffer3] (ook genoemd [slachtoffer3] of

[slachtoffer3]) en/of [slachtoffer9] ten gevolge heeft gehad;

art 157 ahf/sub 3 wetboek van strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 december 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente

Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag

(van totaal ongeveer 140,--euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen J. [slachtoffer6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes

mededader onverhoeds een greep heeft/hebben gedaan in de kassalade van de

kassa waaraan die J. [slachtoffer6] op dat moment als kassamedewerkster werkzaam was

en/of (vervolgens) voormeld geldbedrag uit die kassalade heeft/hebben

gerukt/gegrist;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

J. van [slachtoffer1] op of omstreeks 17 december 2008 te Arnhem, in elk geval in de

gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag (van totaal ongeveer 140 euro), in elk geval enig

goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die J. van [slachtoffer1] en/of

zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen J.

[slachtoffer6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die J. Van [slachtoffer1]

onverhoeds een greep heeft gedaan in de kassalade van de Kassa waaraan die J.

[slachtoffer6] op dat moment als kassamedewerkster werkzaam was en/of (vervolgens)

voormeld geldbedrag uit die lade heeft gerukt en/of gegrist,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 17 december 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente Arnhem

en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door bij de kassa van

die J. [slachtoffer6] iets af te rekenen en/of een flessenbon in te leveren waardoor

die J. [slachtoffer6] (vervolgens) die kassalade opende en/of door die J. [slachtoffer6]

af te leiden en/of (daarbij/tevens) op de uitkijk te staan;

3.

hij op of omstreeks 18 december 2008 te Bennekom, gemeente Ede,in elk geval

in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 165 euro), in elk geval enig

goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen N. [slachtoffer8], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of verdachtes mededader onverhoeds een greep heeft/hebben gedaan in de

kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer8] op dat moment als

kassamedewerkster werkzaam was en/of (vervolgens) voormeld geldbedrag uit die

lade heeft/hebben weggerukt/weggegrist;(parketnummer 502758/09)

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

J. van [slachtoffer1] op of omstreeks 18 december 2008 te Bennekom, gemeente Ede, in

elk geval in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een geldbedrag (van totaal ongeveer 165 euro), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die J. van [slachtoffer1]

en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan

en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

N. [slachtoffer8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die J. van

[slachtoffer1] onverhoeds een greep in de kassalade van de kassa waaraan die N.

[slachtoffer8] op dat moment als kassamedewerkster werkzaam was en/of

(vervolgens) voormeld geldbedrag uit die lade heeft gerukt en/of gegrist, tot

en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 18 december 2008 te Bennekom, gemeente Ede, om elk geval in

de gemeente Ede en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest

door op de uitkijk te gaan staan;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 7 april 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B. Kurvers, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• R.E.T. van [slachtoffer2]

• M. [benadeelde partij1]

• M.E.G. [benadeelde partij2]

De benadeelde partij Van [slachtoffer2] heeft zijn vordering ter terechtzitting doen toelichten door mr P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte zal gelasten.

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij Van [slachtoffer2] tot een bedrag van € 4.573,58 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 52 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] in zijn geheel (zijnde € 2.596,78) wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De officier van justitie verzoekt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 april 2009;

- de processen-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 69-120;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant R.A. [verbalisant], dossierpagina 260-261;

- het proces-verbaal van verhoor van J. van [slachtoffer1], dossierpagina 277-278;

- het proces-verbaal van verhoor van R.E.T. van [slachtoffer2], dossierpagina 287-289;

- het proces-verbaal van verhoor van D. [verbalisant], dossierpagina 455-457;

- het proces-verbaal PD onderzoek d.d. 13 maart 2009, bijlage 8;

- de deskundigenrapporten met betrekking tot de sectie op de slachtoffers, bijlage 11;

- het deskundigenrapport onderzoek brandversnellende middelen van het NFI, bijlage 14a;

- het deskundigenrapport textielonderzoek, bijlage 14b.

Ten aanzien van feit 2 primair:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 april 2009;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer4], dossierpagina 17-18.

Ten aanzien van feit 3 primair:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 april 2009;

- het proces-verbaal van aangifte van A. [slachtoffer7], dossierpagina 36-37.

Standpunt van de verdediging met betrekking tot de kwalificatie van de feiten 2 en 3:

De verdediging heeft betoogd dat de feiten 2 en 3, die door verdachte zijn erkend, niet als diefstal met geweld kunnen worden gekwalificeerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de wijze waarop de medepleger van verdachte zich in geval van beide feiten van de buit meester heeft gemaakt - een onverhoedse greep in de kassa - volgens de geldende jurisprudentie wordt beschouwd als diefstal met geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Zowel bij feit 2 als bij feit 3 kan derhalve het primair tenlastegelegde bewezen worden verklaard.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 29 december 2008 te Arnhem, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (met een aantal verhuurde kamers/gelegen aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met vuur een laken of een kussensloop en/of een stuk doek, in brand

gestoken en vervolgens dit brandende laken en/of die brandende kussensloop en/of dat brandende doek, op een trap in voormeld pand gegooid of gelegd ten gevolge waarvan brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor

-voormeld pand en de inboedel van voormeld pand en de inboedel van

bewoners die een kamer hadden gehuurd in voormeld pand en

-belendende percelen (waaronder o.a. [adres]) en de inboedel in

belendende percelen te duchten was, en

levensgevaar voor J. van [slachtoffer1] en R.E.T.[slachtoffer2] en brandweerpersoneel

en voor personen aanwezig in de belendende percelen te duchten was, en

voornoemde brand de dood van [slachtoffer3] (ook genoemd [slachtoffer3] of

[slachtoffer3]) en [slachtoffer9] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op 17 december 2008 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag

(van totaal ongeveer 140,--euro), toebehorende aan [slachtoffer5], welke diefstal werd

vergezeld van geweld tegen J. [slachtoffer6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat verdachtes

mededader onverhoeds een greep heeft gedaan in de kassalade van de

kassa waaraan die J. [slachtoffer6] op dat moment als kassamedewerkster werkzaam was

en vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassalade heeft gerukt/gegrist;

3.

hij op 18 december 2008 te Bennekom, gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 165 euro), toebehorende aan [slachtoffer7], welke diefstal werd vergezeld

van geweld tegen N. [slachtoffer8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat verdachtes mededader onverhoeds een greep heeft gedaan in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer8] op dat moment als

kassamedewerkster werkzaam was en vervolgens voormeld geldbedrag uit die

lade heeft weggerukt/weggegrist;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2 en feit 3 telkens:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Zulks volgt ook niet uit de hierna te bespreken gedragskundige rapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 11 maart 2009;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 24 maart 2009, betreffende verdachte; en

• een pro justitia rapportage, opgemaakt door J.J. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog, en H.T.J. Boerboom, psychiater, gedateerd resp. 25 maart 2009 en 13 maart 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in een woonpand tengevolge waarvan twee personen om het leven zijn gekomen. Het leven van deze slachtoffers is op een afschuwelijke manier geëindigd. Daardoor is groot en onherstelbaar leed berokkend aan hen en aan degenen voor wie de slachtoffers in affectief of vriendschappelijk opzicht van betekenis waren.

Door de brandstichting is daarnaast levensgevaar ontstaan voor andere bewoners van het pand en bewoners van belendende percelen. Twee van de bewoners van het pand zijn op het nippertje aan de dood ontsnapt. Dit heeft een grote impact op hun welbevinden thans. Zij en de andere bewoners zijn bovendien al hun bezittingen kwijtgeraakt.

Het voorval heeft ook de bewoners van de belendende percelen aangegrepen en voorts bijgedragen aan de versterking van de in de maatschappij bestaande gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank neemt aan dat verdachte de dood van de slachtoffers nimmer heeft gewild. Daar staat tegenover dat verdachte wist dat er meerdere mensen in het pand woonden.

De bovengeschetste ernst van het feit noopt daarom tot het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur neemt de rechtbank mede in aanmerking de straffen die hier te lande bij vergelijkbare delicten zijn opgelegd. Gelet hierop acht de rechtbank de eis van de officier van justitie juist en zal zij die volgen.

In voormeld deskundigenrapport van J.J. Baneke is het volgende opgenomen.

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling [van de geestvermogens, toev. rb], i.c. van een periodieke explosieve stoornis, cannabisafhankelijkheid, (incidenteel?) alcoholmisbruik en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en narcistische trekken.

Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

Idem (…). Bovendien had betrokkene cannabis en een forse en – naar eigen zeggen – voor hem ongebruikelijke hoeveelheid wodka gebruikt kort vóór het tenlastegelegde.

Beïnvloedde de eventuele ziekelijke [stoornis, toev. rb] en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden0?

Ja, althans ten dele. (…)

Betrokkene voelde zich zeer gekrenkt door de afwijzing door [naam], vooral omdat hij [naam] nog had verdedigd en voor hem middelen had gehaald in een coffeeshop. Betrokkenes toch al gebrekkige impulscontrole is verder verzwakt door het middelengebruik in de uren vóór het gebeurde. Dat heeft een zekere bescherming tegen de explosieve stoornis, waar hij geregeld last van heeft, verder verminderd. Zijn zwart-wit denken en plotselinge stemmingswisselingen die bij zijn stoornis passen, hebben de negatieve reactie waarschijnlijk versterkt. Gezien de complexiteit van betr.’s stoornis(sen) was hij niet in staat de gevolgen van zijn handelen voldoende te overzien. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd hem in deze als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. (…)

Gezien de ernst van de problematiek en de herhaalde ruzies en gevechten waarin betrokkene verzeild raakt, moet de kans op recidive zeker hoog worden ingeschat. Betrokkenes zelfregulatie en zijn zicht op gevolgen van zijn handelen zijn dermate zwak dat het risico op ernstige feiten groot is. (…)

Betrokkene is eerder niet in staat gebleken zich aan afspraken met de reclassering te houden. Evenmin was hij voldoende gemotiveerd voor een ambulante behandeling. Gezien de ernst van de feiten en de ernst van betrokkenes stoornissen en problematiek is een langdurige klinische behandeling geïndiceerd. Betrokkenes gebrekkige frustratietolerantie en doorzettingsvermogen, alsmede zijn eerder gebleken onvermogen zich aan afspraken te houden, maken behandeling binnen een voorwaardelijk kader uiterst riskant. Daarom wordt geadviseerd betrokkene een TBS met verpleging op te leggen. Positief is dat met betrokkene een werkrelatie opgebouwd kan worden, waarbij de continuïteit van het contact een gunstige invloed heeft op betrokkene – zoals is gebleken tijdens dit onderzoek.

De conclusie en het advies van H.T.J. Boerboom stemmen overeen met die van J.J. Baneke.

Boerboom stelt voorts:

Vanuit psychiatrisch oogpunt zal betrokkene waarschijnlijk niet leren van gevangenisstraf. Het is waarschijnlijk dat de problematiek eerder zal toenemen door het klimaat in het huis van bewaring.

De deskundigen adviseren derhalve betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank maakt de overwegingen van de deskundigen en de conclusie tot de hare.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank namelijk van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. De maatregel wordt voorts gegrond op het door verdachte begane misdrijf van feit 1, dat behoort tot een der misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1? van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de hiervoor aangehaalde gedragskundige rapportages volgt dat naar het oordeel van de deskundigen niet kan worden volstaan met het opleggen van terbeschikkingstelling met voorwaarden; de kans is te groot dat verdachte zich niet zal houden aan deze voorwaarden en gezien zijn psychische problematiek en ernstige verslaving aan verdovende middelen zal hij zich, naar verwachting, niet zelfstandig staande kunnen houden zonder het risico van het wederom optreden van nieuwe emotionele 'explosies', leidend tot zeer ernstige strafbare feiten als het onderhavige. De rechtbank neemt dat advies over.

Het bewezenverklaarde delict is een misdrijf dat is gericht tegen dan wel een gevaar oplevert voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Om die reden zal de rechtbank tevens de verpleging van verdachte bevelen, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist.

De officier van justitie is van mening dat de terbeschikkingstelling zou moeten aanvangen nadat verdachte de helft van de op te leggen straf heeft uitgezeten. De raadsman heeft bepleit dat de behandeling zo spoedig mogelijk aanvangt.

Gelet op verdachtes problematiek en het advies van psychiater Boerboom daaromtrent, te weten dat de problematiek van verdachte eerder zal verslechteren dan verbeteren zolang hij verblijft in een penitentiaire inrichting, waar hem niet de zorg en verpleging kan worden geboden die hij zo nodig heeft, is het naar het oordeel van de rechtbank in het belang van verdachte, en daarmee ook in het belang van de samenleving, dat verdachte op relatief snelle termijn een aanvang kan maken met zijn behandeling.

De rechtbank staat dan ook voor ogen dat verdachte, in overeenstemming met het uitgangspunt van artikel 42 Penitentiaire Maatregel, na ommekomst van eenderde deel van de op te leggen gevangenisstraf zal worden geplaatst in een inrichting voor de verpleging van ter beschikking gestelden.

6b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank acht de materiële schade zoals geclaimd door R.E.T. van [slachtoffer2] aannemelijk. Dit gedeelte van de vordering komt de rechtbank derhalve gegrond voor, zodat het zal worden toegewezen.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat R.E.T. van [slachtoffer2] door hetgeen hem is aangedaan immateriële schade heeft geleden, bestaande in de aantasting van zijn eigen persoon en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De door de benadeelde partij daarnaast geclaimde shockschade (bestaande uit het leed dat is veroorzaakt door de, ongetwijfeld schokkende, aanblik van twee overleden huisgenoten) voldoet niet aan de maatstaven die zijn tot stand gekomen in bestendige rechtspraak op dit punt.

De rechtbank is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 1.500,- aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer, waarbij de rechtbank overweegt dat deze voor zijn leven heeft moeten vrezen en nipt aan de dood ontsnapt is. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank acht de materiële schade zoals geclaimd door M. [benadeelde partij1] aannemelijk. De vordering komt de rechtbank derhalve gegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen.

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij M.E.G. [benadeelde partij2] niet van eenvoudige aard, zodat de vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 37a, 37b, 57, 157, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert de Minister van Justitie de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te doen aanvangen na ommekomst van de tenuitvoerlegging van eenderde deel van de opgelegde gevangenisstraf.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij R.E.T. van [slachtoffer2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan R.E.T. van [slachtoffer2], adres [adres], te betalen € 6.073,58 (zegge zesduizenddrieënzeventig euro en achtenvijftig cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 6.073,58 subsidiair 60 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer R.E.T. van [slachtoffer2], adres [adres], te betalen

€ 6.073,58 (zegge zesduizenddrieënzeventig euro en achtenvijftig cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij M. [benadeelde partij1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan M. [benadeelde partij1], adres [adres], te betalen € 2.596,78 (zegge tweeduizendvijfhonderdzesennegentig euro en achtenzeventig cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 2.596,78, subsidiair 42 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer M. [benadeelde partij1], adres [adres], te betalen

€ 2.596,78 (zegge tweeduizendvijfhonderdzesennegentig euro en achtenzeventig cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij M.E.G. [benadeelde partij2]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. J.P. Bordes, als voorzitter,

mr. F.J.H. Hovens, rechter,

mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 april 2009.