Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI1447

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
05/900689-08 en 05/524217-07(tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De thans 27-jarige verdachte heeft zich in een tijdsbestek van 5 maanden schuldig gemaakt aan onder meer acht gewelddadige berovingen en een flink aantal inbraken. Voor eerdere misdrijven is verdachte in totaal al tot bijna 10 jaar cel veroordeeld. Hoewel verdachte weigert mee te werken aan onderzoek naar zijn geestvermogens is genoegzaam komen vast te staan dat verdachte ten tijde van de misdrijven leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis, zodat is voldaan aan de voorwaarden om de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen. Eerdere langdurige gevangenisstraffen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw ernstige feiten te plegen. De rechtbank acht daarom gelet op de bescherming van de maatschappij terbeschikkingstelling met verpleging passend en geboden, naast een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

PROMIS II

Parketnummer : 05/900689-08 en 05/524217-07 (tul)

Datum zitting : 21 oktober 2008, 06 januari 2009, 10 maart 2009, 20 maart 2009, 27

maart 2009 en 03 april 2009

Datum uitspraak : 17 april 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 30 januari 1982 te Arnhem,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 LAA, Lunettenlaan 501

Vught.

Raadsman : mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 juni 2008 te Zevenaar, in elk geval in de gemeente Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld G.W. [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (aantal) geldbedrag(en) (totaal ongeveer 450 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan G.W. [slachtoffer1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader de woning ([adres]) van die [slachtoffer1] is/zijn binnengedrongen en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens) met dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een hard voorwerp die [slachtoffer1] (tegen het hoofd) heeft/hebben geslagen en/of een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (op dreigende wijze) heeft getoond aan die [slachtoffer1] en/of (vervolgens) die [slachtoffer1] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "De kamer in" en/of "Geld, geld" en/of "de pincode" en/of "Waag het niet de politie te bellen, ik ken je familie", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of welk vorenomschreven feit werd gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning;

2.

hij op of omstreeks 22 juni 2008 te Zevenaar, in elk geval in de gemeente Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (aantal) geldbedrag(en) (totaal ongeveer 55 euro) en/of een bankpas en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan G.W. [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen G.W. [slachtoffer1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader de woning ([adres]) van die [slachtoffer1] is/zijn binnengedrongen en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens) met dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een hard voorwerp die [slachtoffer1] (tegen het hoofd) heeft/hebben geslagen en/of een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

aan die [slachtoffer1] heeft/hebben getoond en/of (vervolgens) die [slachtoffer1] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "De kamer in" en/of "Geld, geld" en/of "de pincode", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of kleding van die [slachtoffer1] heeft/hebben doorzocht en/of welk vorenomschreven feit werd gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning;

3.

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente Arnhem, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld Y. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot de afgifte van een een (trolley)koffer met inhoud (waarin o.a. een mobiele telefoon en/of een rijbewijs en/of een portemonnee en/of een

aantal bankpassen en/of een laptop en/of een paspoort), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Y. [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte met zijn bromfiets naar de auto is toegereden waarin die [slachtoffer2] zat en/of (vervolgens) de deur van die auto heeft opengerukt en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp heeft getrokken en/of (vervolgens) dat pistool, althans dat op een pistool gelijkende voorwerp heeft gericht en/of gericht gehouden op die [slachtoffer2], in elk geval (op dreigende wijze) heeft getoond aan die [slachtoffer2] en/of die [slachtoffer2] de woorden heeft toegevoegd: "dat ding daar" (daarbij wijzend op een trolleykoffer die die [slachtoffer2] in de auto had liggen) en/of "die tas", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) "geen politie of ik schiet" en/of "Niets zeggen, niet schreeuwen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of welk vorenomschreven feit werd gepleegd op de openbare weg (Markt);

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 09 juli 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een een (trolley)koffer met inhoud (waarin o.a. een mobiele telefoon en/of een rijbewijs en/of een portemonnee en/of een aantal bakpassen en/of een laptop en/of een paspoort), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Y. [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen Y. [slachtoffer2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte met zijn bromfiets naar de auto is toegereden waarin die [slachtoffer2] zat en/of (vervolgens) de deur van die auto heeft opengerukt en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp heeft getrokken en/of (vervolgens) dat pistool, althans dat op een pistool gelijkende voorwerp heeft gericht en/of

gericht gehouden op die [slachtoffer2], in elk geval (op dreigende wijze) heeft getoond aan die [slachtoffer2] en/of die [slachtoffer2] de woorden heeft toegevoegd: "dat ding daar" (daarbij wijzend op een trolleykoffer die die [slachtoffer2] in de auto had liggen) en/of "die tas", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) "geen politie of ik schiet" en/of "Niets zeggen, niet schreeuwen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of welk vorenomschreven feit werd gepleegd op de openbare weg (Markt);

4.

hij op of omstreeks 21 juli 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 60 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan A. [slachtoffer3] en/of Stichting [slachtoffer4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen A. [slachtoffer3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een winkel/pand van Stichting [slachtoffer4] ([adres]) is binnen gegaan en/of (vervolgens) achter de

toonbank is gaan staan en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getrokken en/of (vervolgens) dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer3] (verkoopster in voormeld pand/voormelde winkel) heeft gericht en/of heeft gericht gehouden en/of (vervolgens) die [slachtoffer3] de woorden heeft toegevoegd: "Geld, aufmachen" en/of "nicht genug" en/of "Mitkommen" en/of "je tas" en/of "waar is de kluis", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) een

geldbedrag onverhoeds en/of met kracht uit de handen van die [slachtoffer3] heeft gegrepen/gegrist;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 juli 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente Arnhem met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld A. [slachtoffer3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van ongeveer 60 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan A. [slachtoffer3] en/of Stichting [slachtoffer4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een winkel/pand van Stichting [slachtoffer4] ([adres]) is binnen gegaan en/of (vervolgens) achter de toonbank is gaan staan en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getrokken en/of (vervolgens) dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer3] (verkoopster in voormeld pand/voormelde

winkel) heeft gericht en/of heeft gericht gehouden en/of (vervolgens) die [slachtoffer3] de woorden heeft toegevoegd: "Geld, aufmachen" en/of "nicht genug" en/of "Mitkommen" en/of "je tas" en/of "waar is de kluis", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 05 juli 2008 te Arnhem, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld K.L.van de [slachtoffer5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van ongeveer 1000 euro) en/of een laptop, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan K.L.van de [slachtoffer5] en/of Hotel [slachtoffer6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond aan die van de [slachtoffer5] en/of dat pistool heeft gericht en/of gericht heeft gehouden op die van de [slachtoffer5] en/of die van de [slachtoffer5] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil geld" en/of "Deur openmaken"

en/of 'Waar is de kluis" en/of "Blijf 5 minuten wachten", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

6.

hij op of omstreeks 05 juli 2008 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een leren tas met inhoud (o.a. kentekenbewijzen en/of een agenda en/of een rijbewijs en/of een aantal brillen en/of een aantal bankpassen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Th.E.W.[slachtoffer7] en/of K.L.van de [slachtoffer5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die van de [slachtoffer5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond aan die van de [slachtoffer5] en/of dat pistool heeft gericht en/of gericht heeft gehouden op die van de [slachtoffer5] en/of die van de [slachtoffer5] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil geld" en/of "Deur openmaken" en/of 'Waar is de kluis" en/of "Blijf 5 minuten wachten", althans woorden van

dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

7.

hij op of omstreeks 16 juli 2008 te Huissen, gemeente Lingewaard, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een gouden armband en/of een tas met inhoud (o.a. een paspoort en/of een portemonnee en/of geld), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan A.M.D. [slachtoffer8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte de voordeur open heeft geduwd en/of die [slachtoffer8] opzettelijk heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam) en/of die [slachtoffer8] dreigend een wapen heeft getoond en/of die [slachtoffer8] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Overval, overval, geld, geld, in de slaapkamer", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

8.

hij op of omstreeks 19 juli 2008 te Oosterbeek, gemeente Renkum, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een damestas en/of een boodschappentas en/of een portemonnee met inhoud en/of een aantal sieraden en/of een aantal horloges en/of een fotocamera), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan J.[slachtoffer8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer8] heeft vastgepakt en op bed heeft gegooid en/of een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen haar nek heeft geduwd en/of die [slachtoffer8] een sprei over het hoofd en/of lichaam heeft gegooid en/of die [slachtoffer8] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Blijven liggen anders schiet ik je dood en/of "Blijf liggen anders schiet ik je echt kapot en/of "Nu je pincode", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

9.

hij op of omstreeks 31 mei 2008 te Wehl, gemeente Doetinchem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een kluis met inhoud (o.a. een aantal sieraden en/of horloges en/of munten en/of documenten) en/of een sleutel en/of beddegoed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Th.W.[slachtoffer10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (openbreken/forceren van een bovenlicht en/of inklimming via een raam);

10.

hij op of omstreeks 19 juli 2008 te Duiven met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een aantal sieraden en/of een aantal munten en/of een aantal horloges en/of beddegoed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan G.J.J.[slachtoffer11], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming (ingooien van een ruit);

11.

hij op of omstreeks 02 juni 2008 te Bilthoven, gemeente De Bilt, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een (groot) aantal sieraden en/of een paspoort en/of een bankpas en/of een trouwboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan C.W.M.M.[slachtoffer12], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (forceren/uitnemen van een ruit);

12.

hij op of omstreeks 18 mei 2008 te De Steeg, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (Yamaha [nummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan M.I.[slachtoffer13], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

13.

hij op of omstreeks 16 april 2008 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een aantal laptops en/of een paspoort en/of een aantal mobiele telefoons en/of geld en/of een sleutel , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan P.M.[slachtoffer14], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (forceren/openbreken bovenlicht);

althans, indien het vorenstaande onder 13 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 16 april 2008 tot en met 1 mei 2008 te Arnhem, althans in Nederland, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en / of heeft overgedragen een aantal laptops, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen;

14.

hij op of omstreeks 16 juli 2008 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een aantal sieraden en/of een videocamera en/of een tas en/of beddegoed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan A.E.M.[slachtoffer15], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (openbreken/forceren van een dakraam en/of inklimming via dat dakraam);

15.

hij op of omstreeks 19 april 2008 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een hartslagmeter en/of een fotocamera en/of videocamera en/of een aantal sieraden en/of een aktetas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan B.J.[slachtoffer16], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (verwijderen metalen rooster en/of forceren van een vliegenhor );

althans, indien het vorenstaande onder 15 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2008 tot en met 29 augustus 2008 te Arnhem, althans in Nederland, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en / of heeft overgedragen een sporthorloge (Garmin Forerunner 305 hartslagmeter), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen;

16.

hij op of omstreeks 29 augustus 2008 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een computerscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Gelderland-Midden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, van een bureau heeft getrapt en aldus dat goed heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt;

17.

hij op of omstreeks 21 juli 2008 te Arnhem (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten (een) nabootsing(en) van (een) een pistool (merk ASGK model Sig Sauer P-226), dat/die door zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) pistool, voorhanden heeft gehad;

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05/524217-07).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 21 oktober 2008, 06 januari 2009, 10 maart 2009, 20 maart 2009, 27 maart 2009 en 03 april 2009 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is ter terechtzitting d.d. 21 oktober 2008, 06 januari 2009, 20 maart 2009 en 03 april 2009 verschenen. Verdachte is daarbij bijgestaan door mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

G.W. [slachtoffer1];

Hotel [slachtoffer6], vertegenwoordigd door Th.E.W. [slachtoffer7];

Th.E.W. [slachtoffer7];

K.L. van de [slachtoffer5];

C.W.M.M. [slachtoffer12];

[slachtoffer8];

Regiopolitie Gelderland Midden.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 13 primair en 15 primair en subsidiair is tenlastegelegd zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 8);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangever G.W. [slachtoffer1] d.d. 22 juni 2008 (pagina 207 e.v.);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 22 juni 2008 te Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld G.W. [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (totaal ongeveer 450 euro), toebehorende aan G.W. [slachtoffer1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of verdachtes mededader de woning ([adres]) van die [slachtoffer1] zijn binnengedrongen en vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getrokken en vervolgens met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, die [slachtoffer1] tegen het hoofd heeft geslagen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op dreigende wijze heeft getoond aan die [slachtoffer1] en vervolgens die [slachtoffer1] de woorden hebben toegevoegd: "De kamer in" en "Geld, geld" en "de pincode" en "Waag het niet de politie te bellen, ik ken je familie";

Ten aanzien van feit 2:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 8);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangever G.W. [slachtoffer1] d.d. 22 juni 2008 (pagina 207 e.v.);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

hij op 22 juni 2008 te Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (totaal ongeveer 55 euro) en een bankpas en een mobiele telefoon, toebehorende aan G.W. [slachtoffer1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen G.W. [slachtoffer1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of verdachtes mededader de woning ([adres]) van die [slachtoffer1] zijn binnengedrongen en vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getrokken en vervolgens met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, die [slachtoffer1] tegen het hoofd heeft geslagen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer1] heeft getoond en vervolgens die [slachtoffer1] de woorden hebben toegevoegd: "De kamer in" en "Geld, geld" en "de pincode";

Ten aanzien van feit 3:

De feiten:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 juli 2008 wordt te Arnhem Y. [slachtoffer2], door bedreiging met geweld, gedwongen tot afgifte van een trolleykoffer met inhoud, onder meer een mobiele telefoon, een rijbewijs, een portemonnee, een aantal bankpassen, een laptop en een paspoort. De dader is met zijn bromfiets naar de auto, waarin die Y. [slachtoffer2] zat, gereden, waarna hij de deur van de auto openrukte en vervolgens een op een pistool gelijkend voorwerp getrokken heeft en gericht en gericht gehouden op die Y. [slachtoffer2]. De dader heeft die Y. [slachtoffer2] vervolgens dreigend de woorden toegevoegd: “dat ding daar”, daarbij wijzend op die trolleykoffer die Y. [slachtoffer2] in haar auto had liggen, en “die tas” en vervolgens, nadat die Y. [slachtoffer2] die trolleykoffer had afgegeven, “geen politie of ik schiet” en “niets zeggen, niet schreeuwen of ik schiet. Het feit werd gepleegd op de openbare weg. Op 21 juli 2008 was verdachte in het bezit van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie acht, op basis van de bewijsmiddelen het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert dit op de verklaring van de aangeefster Y. [slachtoffer2] die een deel van het kenteken van de bromfiets van de dader noemt, de herkenning van Y. [slachtoffer2] enkele dagen later waarbij zij de dader voorbij ziet fietsen met blond stekelig haar en de verklaring van P. [getuige1] die de van Y. [slachtoffer2] ontvreemde mobiele telefoon gekocht heeft van verdachte.

Het standpunt van de verdachte:

Verdachte ontkent het tenlastegelegde en stelt dat het telefoongesprek tussen hem en P. [getuige1] verkeerd wordt geïnterpreteerd. Voorts staat in onvoldoende mate vast dat de onder P. [getuige1] inbeslaggenomen mobiele telefoon dezelfde telefoon is als die bij Y. [slachtoffer2] ontvreemd werd. Ook is van belang dat de aangeefster de dader, die zij in haar aangifte omschrijft en enkele dagen later op straat tegenkomt, niet herkent tijdens een fotoconfrontatie. Verder verklaart de verdachte dat hij in 2008 zwart haar had.

Beoordeling van de standpunten:

Aangeefster omschrijft in haar aangifte de dader als een man van ongeveer 1.75 meter lang, ongeveer 30 jaar oud, mager gebouwd en met blond stekelig haar. Aangeefster verklaart voorts dat zij op 16 juli 2008 de dader zag fietsen. Aangeefster heeft meegewerkt aan een fotoconfrontatie waarbij zij verdachte niet heeft herkend. In het dossier bevinden zich niet de foto’s die aan [slachtoffer2] zijn getoond. De zich in het dossier bevindende foto’s van verdachte laten een manspersoon met kort zwart stekelig haar zien. Uit de verklaringen van getuige [getuige2] blijkt dat verdachte enige tijd na 22 juni 2008 maar voor 9 juli 2008 zijn haarkleur heeft gewijzigd in kanariegeel . Ook getuige P. [getuige1] verklaart dat verdachte geblondeerd haar had. Welke haarkleur de personen op de aan aangeefster [slachtoffer2] getoonde foto’s hadden blijft onduidelijk maar zo haar foto’s zijn getoond van manspersonen met kort zwart stekelig haar en zij een manspersoon omschrijft met blond stekelig haar is heel begrijpelijk dat zij verdachte niet heeft herkend heeft tijdens de fotoconfrontatie. Naar het oordeel van de rechtbank komt het door aangeefster opgegeven signalement overeen met het signalement van verdachte, zoals door de rechtbank waargenomen ter terechtzitting. Verdachtes verklaring dat hij in 2008 geen blond haar had, ziet de rechtbank als een kennelijke leugenachtige verklaring van verdachte.

Aangeefster Y. [slachtoffer2] heeft gezien dat in het kenteken van de bromfiets de letter F en het cijfer 1 voorkwamen. Op 18 mei 2008 heeft verdachte, samen met een ander, een bromfiets van het merk Yamaha voorzien van het kenteken [nummer], kleur zwart, gestolen. Op 21 juli 2008 wordt gezien dat verdachte gebruik maakt van een bromfiets van het merk Yamaha, voorzien van het kenteken [nummer]. . Verdachte was dus in het bezit van een bromfiets waar in het kenteken de letter F en het cijfer 1 voorkwamen.

Onder getuige P. [getuige1] is een mobiele telefoon van het merk Nokia, type 6300 voorzien van het imei-nummer [nummer] in beslaggenomen. Die onder P. [getuige1] inbeslaggenomen mobiele telefoon was voorzien van hetzelfde imei-nummer zoals door de aangeefster in haar verklaring genoemd . Getuige [getuige1] verklaart dat zij de telefoon die bij haar in beslag is genomen, een Nokia, van verdachte had gekregen.

Tot slot is er een telefoontap d.d. 18 juli 2008 waarin P. [getuige1] telefoneert met een NN-man (ene [verdachte]) en waarin getuige [getuige1] het heeft over een van [verdachte] gekochte Nokia mobiele telefoon. Verdachte erkent deze [verdachte] te zijn geweest die met [getuige1] telefonisch heeft gesproken. De rechtbank verwerpt de verweren.

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

3.

hij op 09 juli 2008 te Arnhem, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld Y. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot de afgifte van een een trolleykoffer met inhoud (waarin o.a. een mobiele telefoon en een rijbewijs en een portemonnee en een

aantal bankpassen en een laptop en een paspoort), toebehorende aan Y. [slachtoffer2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte met zijn bromfiets naar de auto is toegereden waarin die [slachtoffer2] zat en vervolgens de deur van die auto heeft opengerukt en vervolgens een op een pistool gelijkend voorwerp heeft getrokken en vervolgens dat pistool, althans dat op een pistool gelijkende voorwerp heeft gericht en gericht gehouden op die [slachtoffer2], en die [slachtoffer2] de woorden heeft toegevoegd: "dat ding daar" daarbij wijzend op een trolleykoffer die die [slachtoffer2] in de auto had liggen en "die tas", en vervolgens "geen politie of ik schiet" en "Niets zeggen, niet schreeuwen of ik schiet", en welk vorenomschreven feit werd gepleegd op de openbare weg (Markt);

Ten aanzien van feit 4 primair:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 9);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangeefster A. [slachtoffer3] d.d. 21 juli 2008 (pagina 385 t/m 387);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

4.

hij op 21 juli 2008 te Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 60 euro toebehorende aan Stichting [slachtoffer4], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met

geweld tegen A. [slachtoffer3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een winkel van Stichting [slachtoffer4] ([adres]) is binnen gegaan en vervolgens achter de toonbank is gaan staan en vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getrokken en vervolgens dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp op die [slachtoffer3] (verkoopster in voormelde winkel) heeft gericht en heeft gericht gehouden en vervolgens die [slachtoffer3] de woorden heeft toegevoegd: "Geld, aufmachen" en "nicht genug" en "Mitkommen" en "je tas" en "waar is de kluis", en vervolgens een geldbedrag onverhoeds uit de handen van die [slachtoffer3] heeft gegrist;

Ten aanzien van de feiten 5 en 6:

De feiten:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 5 juli 2008 wordt te Arnhem K.L. van de [slachtoffer5], door bedreiging met geweld, gedwongen tot afgifte van een geldbedrag groot € 1.000,-- en een laptop computer. Dat geldbedrag en die computer behoorden toe aan Hotel [slachtoffer6].Tevens werd daarbij door de dader, onder bedreiging van geweld, een leren tas met inhoud, onder meer kentekenbewijzen, een agenda, een rijbewijs, een aantal brillen en een aantal bankpassen toebehorende aan mw. [slachtoffer7], ontvreemd. De dader heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond aan die Van de [slachtoffer5] en dat wapen gericht en gericht gehouden op die Van de [slachtoffer5].

De dader heeft die Van de [slachtoffer5] vervolgens dreigend de woorden toegevoegd: “Ik wil geld” en “Deur openmaken”en “Waar is de kluis” en “Blijf 5 minuten wachten”.

Op 5 juli 2008 is te Arnhem gestolen een leren tas met inhoud, onder meer kentekenbewijzen, een agenda, een rijbewijs, een aantal brillen en een aantal bankpassen toebehorende aan mw. [slachtoffer7]. Deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen Van de [slachtoffer5] en gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Die bedreiging met geweld bestond hierin dat de dader, nadat deze Van de [slachtoffer5] had gedwongen tot afgifte van goederen zoals hiervoor omschreven, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die Van de [slachtoffer5] heeft gericht en gericht gehouden en dreigend de woorden heeft toegevoegd “Ik wil geld” en “deur openmaken” en “Waar is de kluis” en “Blijf 5 minuten wachten”. De dader had, aldus de aangeefster, een zilverkleurig pistool.

Op 21 juli 2008 was verdachte in het bezit van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Voornoemde afpersing en diefstal met geweld vond plaats op 5 juli 2008 tussen 22.50 uur en 23.05 uur. Uit de verklaring van de aangeefster Van de [slachtoffer5] blijkt dat zij de dader een folder heeft laten zien. Op 5 juli 2008 te 23.55 uur werd door de politie een folder veiliggesteld vanaf de balie bij de receptie van het hotel aangezien de dader, aldus de verklaring van het overvallen personeelslid, deze folder in zijn handen had gehad. De inbeslaggenomen folder is nader onderzocht en daarop werd een dactyspoor (vingerafdruk) aangetroffen. Op 17 juli 2008 werd het dactyspoor opgestuurd naar de Dienst Nationale Recherche informatie en werd het aangetroffen dactyspoor geïdentificeerd als zijnde een afdruk van de rechterduim voorkomend in het vingerafdrukkenblad ten name van: [verdachte], geboren te Arnhem op 30 januari 1982.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie acht, op basis van de bewijsmiddelen de feiten 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert dit op de verklaring van de aangeefster Van de [slachtoffer5], mede namens mw. [slachtoffer7], alsmede de identificatie van een aan verdachte toebehorend dactyloscopisch spoor dat ter plaatse werd aangetroffen op een hotelfolder.

Het standpunt van de verdachte:

Verdachte ontkent het tenlastegelegde en stelt dat hij wellicht ooit eerder een keer in het Hotel is geweest wat zou verklaren waarom op een folder zijn vingerafdruk werd aangetroffen. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het in het Hotel veiliggestelde dactyloscopische spoor op de folder dezelfde folder is als die door de Dienst Nationale Recherche informatie is onderzocht en waarop kennelijk een dactyloscopisch spoor van verdachte werd aangetroffen. Voornoemde dienst heeft het in de brief over “spoor A” wat de mogelijkheid opent dat er kennelijk ook sprake is geweest van meerdere sporen terwijl daar uit het proces-verbaal van veiligstellen sporen niet van is gebleken.

Voorts stelt verdachte dat hij ten tijde van dit delict geen blond haar had.

Beoordeling van de standpunten:

Aangeefster Van de [slachtoffer5] heeft de dader een folder heeft laten zien. Op 5 juli 2008, kort na de overval, werd deze folder door de politie veiliggesteld. Op 17 juli 2008 werd het op deze folder aanwezige dactyloscopisch spoor opgestuurd naar de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) en werd het spoor geïdentificeerd als zijnde een afdruk van de rechterduim voorkomend op het vingerafdrukkenblad ten name van: [verdachte], geboren te Arnhem op 30 januari 1982. In proces-verbaal nummer 08-94988 staat vermeld dat er slechts één dactyloscopisch spoor naar de DNRI is verzonden.

Bij brief d.d. 31 juli 2008 bericht de DNRI aan de Regiopolitie Gelderland Midden dat het onderzochte spoor A geïdentificeerd is als een afdruk van de rechterduim voorkomend op het vingerafdrukkenblad ten name van verdachte. In de aanhef van die brief wordt als “uw kenmerk” verwezen naar het eerdergenoemde proces-verbaal nummer 08094988. Uit de inhoud van de brief van de DNRI blijkt dat deze dienst “1 folder” heeft ontvangen. Dat de DNRI het spoor aanduidt als spoor A, wil niet zonder meer zeggen dat er ook sprake is van een spoor B. Uit het voormelde proces-verbaal en de inhoud van de brief van het DNRI concludeert de rechtbank dat er sprake was van één aangetroffen dactyloscopisch spoor.

De rechtbank acht niet zonder meer aannemelijk dat verdachte zijn vingerspoor op enig ander moment op de folder in het hotel heeft achtergelaten.

Aangeefster Van de [slachtoffer5] omschrijft de dader als een blanke man, ongeveer 1.75 meter lang, ongeveer 25-27 jaar oud, geblondeerd millimeter haar met een beetje een oranje gloed er door. Ook verklaart aangever dat de dader haar bedreigde met een zilverkleurig pistool. P.J. [getuige2] verklaart dat zij kort na een beroving welke heeft plaatsgevonden op 22 juni 2008 verdachte is tegengekomen met kanariegeel haar, korter dan anders. Ook P. [getuige1] verklaart dat verdachte geblondeerd haar had. Naar het oordeel van de rechtbank komt het door aangeefster opgegeven signalement overeen met het signalement van verdachte, zoals door de rechtbank waargenomen ter terechtzitting. Verdachtes verklaring dat hij in 2008 geen blond haar had, ziet de rechtbank als een kennelijke leugenachtige verklaring van verdachte.

Tot slot overweegt de rechtbank nog dat onder verdachte op 21 juli 2008 een op een vuurwapen gelijkend zilverkleurig vuurwapen in beslag is genomen. Daarnaast had verdachte ook voordat dit feit gepleegd werd de beschikking over een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangezien bij de overval op 22 juni 2008 eveneens gebruik is gemaakt van een op een (zilverkleurig) vuurwapen gelijkend voorwerp.

De rechtbank verwerpt de verweren.

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

5.

hij op 05 juli 2008 te Arnhem, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld K.L.van de [slachtoffer5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 1000 euro en een laptop, toebehorende aan Hotel [slachtoffer6], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond aan die Van de [slachtoffer5] en dat voorwerp heeft gericht en gericht heeft gehouden op die Van de [slachtoffer5] en die Van de [slachtoffer5] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil geld" en "Deur openmaken" en 'Waar is de kluis" en "Blijf 5 minuten wachten";

en dat

6.

hij op 05 juli 2008 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een leren tas met inhoud (o.a. kentekenbewijzen en een agenda en een rijbewijs en een aantal brillen en/of een aantal bankpassen toebehorende aan Th.E.W.[slachtoffer7] welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die Van de [slachtoffer5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond aan die Van de [slachtoffer5] en dat voorwerp heeft gericht en gericht heeft gehouden op die Van de [slachtoffer5] en die Van de [slachtoffer5] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil geld" en "Deur openmaken" en 'Waar is de kluis" en "Blijf 5 minuten wachten";

Ten aanzien van feit 7:

De feiten:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 16 juli 2008 rond 12.45 uur wordt te Huissen in de gemeente Lingewaard aangebeld bij de woning van mevrouw [slachtoffer8]. Nadat mevrouw [slachtoffer8] de deur had geopend werd de voordeur opengeduwd en werd geduwd tegen mevrouw [slachtoffer8] die als gevolg daarvan kwam te vallen. Onder bedreiging van een wapen, dat aan die mevrouw [slachtoffer8] werd getoond en onder het dreigend toevoegen van de woorden “Overval, overval, geld, geld, in de slaapkamer” werd uit die woning van mevrouw [slachtoffer8] weggenomen een gouden armband, een tas met inhoud, onder meer een paspoort, een portemonnee en geld. Mevrouw [slachtoffer8] verklaart dat zij de dader heeft zien wegrijden op een bromfiets en twee eentjes (het cijfer 11) zag.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie acht, op basis van de bewijsmiddelen feit 7 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert dit op de verklaring van de aangeefster [slachtoffer8], het door haar deels waargenomen cijfer 11 in het kenteken van de bromfiets die de dader gebruikte en de mastgegevens die de mobiele telefoon van verdachte rond het tijdstip van de overval aanstraalt welke mast in de directe omgeving van de plaats delict is gelegen.

Het standpunt van de verdachte:

Verdachte ontkent het tenlastegelegde. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het aanstralen van de mobiele telefoon op die mast in de directe omgeving van de plaats delict ook inhoudt dat verdachte zich in de directe omgeving van die mast heeft bevonden. Niet uitgezocht is en niet uitgesloten wordt of de mast overbezet was en doorstraling heeft plaatsgevonden.

Beoordeling van de standpunten:

Verdachte maakt gebruik van een mobiele telefoon met het nummer 06-[nummer]. Op 16 juli 2008 te 12.43 uur wordt een zendmast zich bevindend op de Langekerkstraat 10 te Huissen aangestraald door een mobiele telefoon met het nummer [nummer]. Deze zendmast bevindt zich in de directe omgeving van de [adres], zijnde de woning van aangeefster. Verdachte heeft geen verklaring kunnen of willen geven voor de omstandigheid dat zeer kort voor het tijdstip van het plegen van de overval zijn mobiele telefoon wordt aangestraald door een zendmast gelegen in de directe omgeving van die woning. De raadsman heeft gesteld dat er mogelijk sprake is geweest van een overbelaste ( andere) zendmast waardoor de mast in het centrum van Huissen die dicht bij de woning van mevrouw [slachtoffer8] staat, werd aangestraald door de mobiele telefoon van de verdachte. De overbelasting zou mede veroorzaakt kunnen zijn door de grote hoeveelheid mensen die deelnamen aan het 4-daagse wandelevenement 2008 dat toen plaats vond. De raadsman heeft ter ondersteuning een uitdraai van Internet betreffende de data van de 4-daagse overgelegd en voorts een aantal gekleurde kaarten met een groot aantal mastlocaties in de Bommelerwaard die een rol hebben gespeeld in een andere strafzaak van een paar jaar geleden (2007) waarin mede aan de hand van mastgegevens de route van een verdachte van een brandstichting in Haaften zou kunnen worden vastgesteld en een kopie van een brief van 4 januari 2007 van - onder meer - een beschrijving van KPN over GSM netwerk en over plaatsbepaling van een mobiele telefoon als een aangestraald basisstation (= zendmast) zijn maximale capaciteit heeft bereikt.

In die brief is onder meer te lezen dat “ ….GSM plaatsbepaling op basis van een beperkt aantal verkeersgegevens [is] over het algemeen mogelijk met een nauwkeurigheid van: “in of in de onmiddellijke omgeving” van een bepaald basisstationgebied, dat wil zeggen inclusief de buurcellen.”

Naar het oordeel van de rechtbank is deze ondersteuning van de raadsman onvoldoende om te concluderen dat [verdachte] zich niet in de onmiddellijke omgeving van die zendmast bevond op 16 juli 2008 omstreeks het tijdstip van de overval op mevrouw [slachtoffer8]. Immers de brief geeft geen steun aan de stelling (zodat ook niet aannemelijk is gemaakt) dat de 4-daagse kan hebben geleid tot overschrijding van de capaciteit van de bewuste mast aangezien op die datum - zijnde 2e dag van de 4-daagse - geen doortocht in Huissen van de wandelaars plaats vond aangezien deze altijd op de 1e dag van de wandeltocht plaatsvindt, in dit geval op 15 juli 2008. Daarnaast ontleent de rechtbank aan het op ambtseed door J.F. [verbalisant1], brigadier van politie van Gelderland Midden, op 31 maart 2009 opgemaakt en door hem ondertekende aanvullend proces-verbaal dat het “zogenaamde overspringen van mast vanwege de drukte op de dicht bij zijnde mast nagenoeg niet meer voorkomt” een extra aanwijzing die de stelling van de raadsman verder ondergraaft. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [verdachte]’ mobiele telefoon de mast omstreeks het tijdstip van de overval aanstraalde en hij dicht in de buurt van die mast was.

De rechtbank overweegt voorts nog dat aangeefster heeft gezien dat de dader gebruik maakte van een bromfiets, bij welke bromfiets in ieder geval het cijfer “11” in het kenteken voorkwam . Op 18 mei heeft verdachte, samen met een ander, een bromfiets van het merk Yamaha voorzien van het kenteken [nummer], kleur zwart, gestolen. Op 21 juli 2008 wordt gezien dat verdachte gebruik maakt van een bromfiets van het merk Yamaha, voorzien van het kenteken [nummer]. De rechtbank concludeert dat verdachte in de periode van de overval op een bromfiets voorzien van het kenteken [nummer] reed.

Tot slot blijkt uit een proces-verbaal van de Criminele Inlichten Eenheid dat bij een informant in de maand juli 2008 de volgende informatie is binnengekomen: “[verdachte] [verdachte] is kortgeleden aangehouden in coffeeshop [naam] in Arnhem in verband met het plegen van overvallen. [verdachte] heeft twee overvallen op oude mensen gepleegd in Huissen.” Verbalisant komt tot de conclusie dat de verstrekte informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De rechtbank verwerpt de verweren.

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

7.

hij op 16 juli 2008 te Huissen, gemeente Lingewaard, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een gouden armband en een tas met inhoud (o.a. een paspoort en een portemonnee en geld), toebehorende aan A.M.D. [slachtoffer8], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte de voordeur open heeft geduwd en die [slachtoffer8] opzettelijk heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam) en die [slachtoffer8] dreigend een wapen heeft getoond en die [slachtoffer8] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Overval, overval, geld, geld, in de slaapkamer";

Ten aanzien van feit 8:

De feiten:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 juli 2008 tussen 13.30 uur en 15.00 uur wordt te Oosterbeek in de gemeente Renkum aangebeld bij de woning van mevrouw [slachtoffer8]. Nadat zij de dader heeft binnengelaten wordt mevrouw [slachtoffer8] vastgepakt en op haar bed gegooid. Er wordt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen haar nek geduwd en er wordt een sprei over haar hoofd en lichaam gegooid. Mevrouw [slachtoffer8] worden dreigend de woorden toegevoegd: “Blijven liggen anders schiet ik je dood” en “Blijf liggen anders schiet ik je echt kapot” en “Nu je pincode”. De dader neemt een damestas, een boodschappentas, een portemonnee met inhoud, een aantal sieraden, een aantal horloges en een fotocamera mee. Mevrouw [slachtoffer8] omschrijft het wapen waarmee zij bedreigd wordt als een zilverkleurig pistool. Op 21 juli 2008 was verdachte in het bezit van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, Sig Sauer. Mevrouw [slachtoffer8] ziet voor haar woning, achter de dader, een zwart kleurige bromfiets staan. Er worden haar foto’s van bromfietsen getoond en zij wijst een foto aan van een bromfiets die het meest lijkt op de bromfiets zoals zij die gezien heeft. . Op 21 juli 2008 wordt verdachte geobserveerd. Van hem zijn toen enkele foto’s genomen. Uit de hiervoor aangehaalde verklaring van mevrouw [slachtoffer8] blijkt dat zij de dader een sigaret heeft aangeboden welke door hem half werd opgerookt. Die half door de dader opgerookte sigaret werd door haar in de prullenmand gegooid. Door de technische recherche wordt de half opgerookte sigaret inbeslaggenomen en veiliggesteld voor nader onderzoek. De sigarettenpeuk werd verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat het DNA, afkomstig van voornoemde sigarettenpeuk, afkomstig is van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel van verdachte, is kleiner dan één op één miljard.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie acht, op basis van de bewijsmiddelen feit 8 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert dit op de verklaring van de aangeefster [slachtoffer8] alsmede op de door de dader achtergelaten sigarettenpeuk waarop het DNA van verdachte is aangetroffen.

Het standpunt van de verdachte:

Verdachte ontkent het tenlastegelegde en stelt dat het aangetroffen DNA weliswaar van hem kan zijn maar dat dat dan door een ander daar is neergelegd. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het bemonsterde materiaal, de sigarettenpeuk, ook daadwerkelijk van de plaats delict afkomstig is en daar dus door verdachte zou zijn achtergelaten.

Beoordeling van de standpunten:

Verdachte stelt zich op het standpunt dat het aangetroffen DNA materiaal mogelijk door een ander daar is neergelegd zonder dit nader te onderbouwen c.q. te concretiseren. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte ten tijde van het delict een sigaret heeft gerookt en zij deze sigaret daarna in de prullenbak heeft weggegooid. De technische recherche heeft deze sigarettenpeuk ten behoeve na DNA-onderzoek veiliggesteld. Gelet hierop, acht de rechtbank de stelling van verdachte dat iemand anders die sigarettenpeuk in de prullenbak van aangeefster heeft gelegd, in het geheel niet aannemelijk.

De raadsman betwijfelt of de sigarettenpeuk ook daadwerkelijk van de plaats delict afkomstig is. Zoals hierboven uiteengezet, is de sigarettenpeuk door de technische recherche uit de prullenbak van aangeefster gehaald. Deze sigarettenpeuk is door de technische recherche voorzien van nummer AABJ3007NL en verzonden naar H. de [naam], vooronderzoeker in dienst van de politie IJsselland, team Forensische Opsporing. Uit een nader door de officier van justitie overgelegd proces-verbaal blijkt H. de [naam], vooronderzoeker in dienst van de politie IJsselland, team Forensische Opsporing, op 31 juli 2008 van de KLPD ontvangen heeft een sporendrager met het uniek identificatienummer AABJ3007NL, zijnde een sigarettenpeuk. Voornoemde peuk zat verpakt in een envelop, welke gesloten was middels de plakrand. H. de [naam] heeft een deel van het filter van de sigarettenpeuk AABJ3007NL veiliggesteld als AAAB2331NL#1 in een buis ten behoeve van DNA-onderzoek in het Maatwerktraject. De buis met bemonstering AAAB2331NL#1 is overgedragen via het KLPD naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag voor verder onderzoek. Op 8 augustus 2008 wordt via het KLPD, Forensische Opsporing IJsselland een bemonstering van een peuk (afkomstig van AABJ3007NL) door het Nederlands Forensisch Instituut ontvangen. De bemonstering AAAB2331NL#1 is onderworpen aan een DNA onderzoek. Uit het voorgaande staat in voldoende mate vast dat het aangetroffen DNA afkomstig is van de sigarettenpeuk, afkomstig van de plaats delict.

De rechtbank overweegt verder nog dat aangeefster [slachtoffer8] gezien heeft dat de dader een bromfiets gebruikte die veel overeenkomsten vertoont met de bromfiets zoals verdachte in die tijd gebruikte . Voorts omschrijft mevrouw [slachtoffer8] het wapen als een zilverkleurig wapen. Onder verdachte is een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in beslaggenomen. Uit de foto van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp blijkt dat het om een zilverkleurig vuurwapen gaat.

De rechtbank verwerpt de verweren.

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

8.

hij op 19 juli 2008 te Oosterbeek, gemeente Renkum, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een damestas en een boodschappentas en een portemonnee met inhoud en sieraden en horloges en een fotocamera toebehorende aan J.[slachtoffer8], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte die [slachtoffer8] heeft vastgepakt en op bed heeft gegooid en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen haar nek heeft geduwd en die [slachtoffer8] een sprei over het hoofd en lichaam heeft gegooid en die [slachtoffer8] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Blijven liggen anders schiet ik je dood en "Blijf liggen anders schiet ik je echt kapot” en "Nu je pincode";

Ten aanzien van feit 9:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 13);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangever Th.W. [slachtoffer10] d.d. 31 mei 2008 (pagina 499 t/m 500);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

9.

hij op 31 mei 2008 te Wehl, gemeente Doetinchem, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een kluis met inhoud (o.a. een aantal sieraden en horloges en munten en documenten) en een sleutel en beddengoed, toebehorende aan Th.W.[slachtoffer10], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, en inklimming (openbreken/forceren van een bovenlicht en inklimming via een raam);

Ten aanzien van feit 10:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 13);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangever G.J.J. [slachtoffer11] d.d. 19 juli 2008 (pagina 527 t/m 528);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

10.

hij op 19 juli 2008 te Duiven met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning ([adres]) heeft weggenomen sieraden en munten en horloges en beddengoed, toebehorende aan G.J.J.[slachtoffer11], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, (ingooien van een ruit);

Ten aanzien van feit 11:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 13);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangeefster C.W.M.M. [slachtoffer12] d.d. 2 juni 2008 (pagina 560 t/m 561);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

11.

hij op 02 juni 2008 te Bilthoven, gemeente De Bilt, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een groot aantal sieraden en een paspoort en een bankpas en een trouwboekje, toebehorende aan C.W.M.M.[slachtoffer12], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, (forceren/uitnemen van een ruit);

Ten aanzien van feit 12:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 9);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangeefster M.I. [slachtoffer13] d.d. 19 mei 2008 (pagina 582 t/m 583);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

12.

hij op 18 mei 2008 te De Steeg, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (Yamaha [nummer]), toebehorende aan M.I.[slachtoffer13];

Ten aanzien van feit 13:

Primair:

Met de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten lastegelegde heeft begaan.

Subsidiair:

De feiten:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 16 april 2008 werd in de woning van P.M. [slachtoffer14] aan de [adres] te Arnhem ingebroken. Bij die inbraak wordt onder meer een aantal laptops gestolen.

Het standpunt van de officier van justitie:

Op basis van de door de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de getuigen [getuige3] en [getuige4] alsmede de verklaring van de aangever [slachtoffer14], acht de officier van justitie het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdachte:

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan heling.

Beoordeling van de standpunten:

Getuige [getuige3] heeft van verdachte een laptop gekocht voor 100 of 125 euro waarop, toen zij de computer aanzette, de naam [slachtoffer14] te zien was. Over de herkomst van de laptop is niet gesproken. Getuige [getuige4] (moeder van [getuige3]) verklaart dat verdachte haar ergens in april 2008 een laptop te koop aanbood voor 175 euro, dat zij daarvoor geen geld had en dat de laptop toen door haar dochter is gekocht.

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

13. subsidiair

hij in de periode van 16 april 2008 tot en met 1 mei 2008 te Arnhem, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen een laptop, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat dit door enig misdrijf was verkregen;

Ten aanzien van feit 14:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 14);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangeefster A.E.M. [slachtoffer15] d.d. 16 juli 2008 (pagina 620 t/m 621);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

14.

hij op 16 juli 2008 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning ([adres]) heeft weggenomen sieraden en een videocamera en een tas en beddengoed, toebehorende aan A.E.M.[slachtoffer15], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming (openbreken/forceren van een dakraam en inklimming via dat dakraam);

Ten aanzien van feit 16:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 15);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- de verklaring van de aangever M.A. [naam] namens Politie Gelderland Midden d.d. 1 september 2008 (pagina 653);

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

16.

hij op 29 augustus 2008 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een computerscherm, toebehorende aan Politie Gelderland-Midden, van een bureau heeft getrapt en aldus dat goed heeft vernield;

Ten aanzien van feit 17:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 (pagina 9);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal nr. 08-102519, opgemaakt door J.F. [verbalisant1] en R.G. [verbalisant2], beiden brigadier van de politie Gelderland-Midden, districht Arnhem Veluwezoom en gesloten op 27 november 2008, inhoudende:

- een proces-verbaal wet wapens en munitie d.d. 25 augustus 2008, inhoudende het relaas van verbalisant (pagina 658/659;

Conclusie

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

17.

hij op 21 juli 2008 te Arnhem een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een een pistool (merk ASGK model Sig Sauer P-226), dat door zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een pistool, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal,voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Ten aanzien van de feiten 4 en 6 telkens:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 5:

Afpersing.

aanzien van de feiten 7 en 8 telkens:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 9:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Ten aanzien van de feiten 10 en 11 telkens:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van feit 12:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 13 subsidiair:

Opzetheling.

Ten aanzien van feit 14:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Ten aanzien van feit 16:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Ten aanzien van feit 17:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 20 februari 2009;

• een voorlichtingsrapport van het Leger des Heils, Jeugdzorg & Reclassering d.d. 5 maart 2008 betreffende verdachte;

• een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie Locatie Pieter Baan Centrum d.d. 5 maart 2009;

• een omtrent verdachte opgemaakt multidisciplinair rapport d.d. 23 maart 2000, opgemaakt door drs. C. Seegers, psychologe en drs. A. Lenssen, psychiater;

• een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 25 november 2005, opgemaakt door drs. C. Eekhout.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in een tijdsbestek van 5 maanden een groot aantal strafbare feiten gepleegd. Naast een eenvoudige diefstal en gekwalificeerde diefstallen uit woningen is er sprake van een achttal overvallen, onder meer op de openbare weg (feit 3), in een winkel (feit 4), in een hotel (feiten 5 en 6) en in woningen (feiten 1, 2, 6 en 8). Jegens de slachtoffers mevrouw [slachtoffer8], ten tijde van de overval 93 jaar, en mevrouw [slachtoffer8], ten tijde van de overval 70 jaar, is grof geweld gebruikt. Bij alle gepleegde overvallen is gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Verdachte is een thans 27-jarige man die, zo blijkt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, al vanaf zijn 12de levensjaar contacten heeft met politie en justitie. Zijn documentatie telt in totaal 26 pagina’s en al meermalen is verdachte tot forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld ter zake soortgelijke delicten als thans bewezen. Daarbij is regelmatig een voorwaardelijke straf opgelegd om verdachte onder toezicht van de reclassering het goede pad op te leiden hetgeen echter meermalen heeft geleid tot een tegengesteld effect, namelijk het alsnog tenuitvoerleggen van die voorwaardelijk opgelegde straf. Alles bij elkaar opgeteld is verdachte al bijna 10 jaar gevangenisstraf opgelegd.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie is van mening dat verdachte een gevaar voor de maatschappij is en vordert primair oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar alsmede oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging en, mocht de rechtbank niet toekomen aan het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, subsidiair tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

Met betrekking tot de vordering van de officier van justitie, strekkende tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging heeft de officier van justitie nog het volgende opgemerkt.

Verdachte is een weigerachtige observandus. Om de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen is vereist dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit sprake is geweest van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Er moet sprake zijn van een misdrijf waar 4 jaar of meer gevangenisstraf op staat. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen moet oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling eisen en oplegging van een dergelijke maatregel kan slechts op basis van een multidisciplinair rapport van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, welk rapport niet ouder mag zijn dan één jaar. Indien verdachte medewerking aan de totstandkoming van een dergelijk rapport weigert is voornoemde multidisciplinaire rapportage niet vereist en kan gebruik worden gemaakt van rapportage ouder dan 1 jaar.

Het is volgens de officier van justitie niet nodig dat er een causaal verband bestaat tussen de stoornis en het delict. Het is voldoende dat enkel sprake is van gelijktijdigheid, dus een stoornis op het moment van plegen van het delict. Blijkens de rapportage omtrent verdachte uit 2000 en 2005, is bij verdachte een stoornis vastgesteld. Gebleken is dat verdachte in de periode tussen 2000 en heden niet voor die stoornis is behandeld hetgeen moet leiden tot de conclusie dat die stoornis nog steeds aanwezig is.

Naar het oordeel van de officier van justitie is daarmee aan alle eisen voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging voldaan. De maatschappij dient te worden beschermd tegen deze verdachte.

Het standpunt van de verdediging:

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet voldaan is aan de eisen om de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Weliswaar stelt de getuige-deskundige ter zitting dat ook ten tijde van het plegen van de thans aan verdachte verweten feiten, voor zover bewezen, sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens echter niet is vastgesteld of deze gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis enige invloed heeft gehad op de door verdachte gepleegde feiten en/of daardoor sprake is van gevaar voor herhaling. Niet duidelijk is welke stoornis verdachte zou hebben gehad ten tijde van de gepleegde strafbare feiten. Eventueel geconstateerde stoornissen uit het verleden kunnen verminderd zijn of volledig zijn verdwenen.

De bespreking van de standpunten:

Bij het feitencomplex zoals bewezenverklaard pas een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De officier van justitie en de verdediging verschillen van mening wat betreft de vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging opgelegd kan worden. Gelet op de eis van de officier van justitie evenals op het standpunt van verdediging zal de rechtbank in eerste instantie moeten beoordelen of aan de eisen voor het kunnen opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan om vervolgens, zo die vraag bevestigend kan worden beantwoordt, de vraag te beantwoorden of oplegging van die maatregel hier wenselijk c.q. geboden is.

Dit brengt de rechtbank tot de bespreking van de deskundigenrapporten.

Uit het omtrent verdachte uitgebrachte rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt het volgende:

Uit het onderhavige onderzoek, waarin moet worden meegewogen dat betrokkene zich in een voor hem zeer belastende onderzoekssituatie heeft bevonden, komt betrokkene naar voren als een man die altijd bezig is met zijn omgeving en in die zin in zekere mate onvrij is dat hij er niet voor kan kiezen om niet te reageren. Hij zet, gebruikmakend van de zwakke plekken in zijn omgeving die hij feilloos lijkt waar te nemen, alles in zoals impliciete intimidatie, manipulatie en verzet. Dit is een al langer bestaand gedragspatroon bij betrokkene dat ook buiten het PBC wordt waargenomen zoals blijkt uit het milieuonderzoek.(…..) Er lijkt ook steeds een instrumentele en begrenzende kant aan zijn handelen te zitten. Hij moet weliswaar bijna dwangmatig reageren op zijn omgeving, maar hij is ook altijd bezig met zijn belang en hij wil koste wat het kost zijn doel bereiken. In bredere zin leidt zijn gedrag uiteindelijk vrijwel altijd tot een verbreking van het contact en impliciet een (zoveelste) afwijzing. Een patroon dat zoals gezegd van jongs af aan als een rode draad door zijn leven loopt.

(…..)

Alles overziend zijn er aanwijzingen voor het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij betrokkene, maar de aard, de omvang en de etiologie is op grond van het onderhavige onderzoek niet vast te stellen.

Het tenlastegelegde heeft naar het zich laat aanzien vooral een antisociaal en instrumenteel karakter en ligt niet direct in het verlengde van de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van betrokkene. Wat betreft agressieve escalaties in de toekomst kan hier vanuit het onderhavige onderzoek weinig over worden gezegd. Wanneer betrokkene door het gebruik van agressie veel succeservaringen heeft, zou dit kunnen toenemen in het kader van een psychopathisering van de persoonlijkheid maar hier is nu nog niets met zekerheid over te zeggen.

Betrokkene heeft consequent geweigerd om deel te nemen aan onderhavige psychologische onderzoeken. Hierdoor is veel niet onderzoekbaar geweest. Zo zijn er geen onderzoeksgesprekken gevoerd, er is geen testpsychologisch onderzoek uitgevoerd, er is geen PCL-R afgenomen om de mate van eventuele psychopathie bij betrokkene te meten, er is geen neuro(psycho)logisch onderzoek verricht en er is niet met betrokkene aan de hand van het dossier gesproken over het tenlastegelegde. Verder is er geen inzicht verkregen in eventueel middelengebruik en de effecten daarvan op zijn psychisch functioneren. Het is daarom, los van bovenstaande meer tentatieve overwegingen, niet mogelijk gebleken om te komen tot voldoende onderbouwde diagnostische overwegingen over betrokkene leidend tot een classificatie van zijn mogelijke pathologie. Op grond hiervan is het evenmin mogelijk om uitspraken te doen over de intrapsychische dynamiek bij betrokkene ten tijde van de tenlaste gelegde feiten, leidend naar een conclusie over de toerekeningsvatbaarheid van betrokkene ten tijde van de ten laste gelegde feiten en de kans op een recidive.

(…..)

In elk geval toont betrokkene al snel naast een beperkte intellectuele begaafdheid (hij wordt keer op keer bij diverse tests als zwakbegaafd beoordeeld) impulsief, rusteloos en ongeconcentreerd gedrag (waarbij onder andere kinderpsychiater i.o. Lenssen ADHD vaststelt). Daarnaast is er echter zeker ook sprake van gedragsstoornissen op de kinderleeftijd en wel een gedragsstoornis in engere zin en een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. Zoals bekend zijn deze veelal een voorbode van een latere antisociale ontwikkeling en middelenproblematiek. Aard en omvang van deze middelenproblematiek blijft echter onduidelijk. (…..) Al met al is het door de weigering van betrokkene om aan het onderzoek mee te werken niet gelukt om een psychiatrische stoornis in engere zin vast te leggen dan wel uit te sluiten. (…..) De hypothese dat betrokkene lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis (met mogelijk paranoïde trekken) ligt voor de hand. Er is immers duidelijk sprake van een impulsieve antisociale levensstijl met een gebrekkige gewetensfunctie en een geringe mate van empathie bij de egocentrische achterdochtige instelling. In de voorgeschiedenis werd meermalen een gedragsstoornis geconstateerd die veelal een voorbode is van een latere antisociale persoonlijkheidsstoornis. (…..)

Conclusie:

Voorgeschiedenis en observaties van de groepsleiding maken wel duidelijk dat betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens maar aard en omvang hiervan is door betrokkenes weigering aan het onderzoek deel te nemen niet goed vast te stellen. Hoewel betrokkenes gedrag zeker aanleiding geeft tot nader hersenorganisch onderzoek heeft betrokkene neuropsychologisch onderzoek, e.e.g.-onderzoek en een hersenscan geweigerd.

Gelet op deze bevindingen is het niet mogelijk de vraag te beantwoorden of de bij betrokkene geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij betrokkene voorafgaand aan en ten tijde van de hem ten lastegelegde feiten, indien bewezen, een zodanige rol speelde dat deze van invloed is geweest op betrokkenes toerekeningsvatbaarheid.

Uit het omtrent verdachte opgemaakt multidisciplinaire rapport d.d. 23 maart 2000, opgemaakt door de psycholoog drs. C. Seegers en de psychiater drs. A. Lenssen, blijkt het volgende:

Ten tijde dat de tenlastegelegde feitenzijn begaan bestonden er bij betrokkene een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een ernstige gedragsstoornis, deze laatste als complicatie van pedagogische verwaarlozing en (een verwaarloosde) Attention Deficit and Hyperactivity Disorder vanwaaruit hij impulsief en dwangmatig heeft gehandeld. Hij was alstoen, gehinderd door zijn stoornis, niet bij machte voldoende inzicht te hebben in de wederrechtelijkheid van de begane feiten, zodat hij alstoen zijn wil niet voldoende conform een dergelijk besef kon bepalen.

Uit het omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 25 november 2005, opgemaakt door de psycholoog drs. C. Eekhout, blijkt het volgende:

Bij betrokkene is sprake van een ernstige gedragsstoornis welke het gevolg is van een gebrekkige ontwikkeling (vroege ontwikkelingsstoornis die de kenmerken heeft van een hechtingsstoornis), chronische overvraging in het kader van zwakbegaafdheid, een mogelijke stoornis in de visuele perceptie of- verwerking en mogelijk ADHD. (…..)

Vanuit zijn beperkingen is betrokkene niet in staat om aan de gangbare maatschappelijke eisen te voldoen. Hij is erg prikkelgevoelig, leeft volgens het lustprincipe, is niet in staat tot uitstel van de directe behoeftebevrediging en gaat ervan uit dat anderen voor hem zorgen. Hij ontmoet de medeverdachte, die in ruime mate voldoet aan zijn behoeftes. Vanuit zijn beïnvloedbaarheid/afhankelijkheid en zijn criminogene levenspatroon kan hij moeilijk weerstand bieden als hem gevraagd wordt ook iets in de brengen. Krenking (wat heb ik dan aan jou) en de dreiging van verlating helpen hem waarschijnlijk over de streep om, zwaardere delicten te plegen dan hij gewend is. Betrokkene weet dat het hem tenlastegelegde verkeerd is. Ten tijde van het plegen werd hij echter zo in beslag genomen door de angst voor krenking, verlating zijn egocentrisme en de wens tot directe behoeftebevrediging, dan hij hier niet naar heeft kunnen handelen.

Na uitvoerig onderzoek omtrent de persoon van verdachte (in 2000 een multidisciplinaire rapportage; in 2005 een mono-rapportage en in 2008 een multidisciplinaire rapportage van het PBC) kan op basis van de hiervoor aangehaalde rapportage vastgesteld worden dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Omdat verdachte weigert zijn medewerking te verlenen gedurende het onderzoek in het Pieter Baan Centrum kan op basis van het PBC-rapport niet worden vastgesteld of die gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van de hierboven bewezenverklaarde feiten van invloed is geweest. Niet is gebleken dat verdachte naar aanleiding van de bij hem in 2000 en 2005 geconstateerde stoornissen enige vorm van behandeling heeft ondergaan.

De getuige-deskundige P.E. Geurkink, psycholoog verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht en mede-opsteller van het hiervoor aangehaalde rapport uit voornoemd Centrum, heeft ter terechtzitting d.d. 3 april 2009 verklaard dat vaststaat dat verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Omdat verdachte weigert zijn medewerking te verlenen kan niet vastgesteld worden wat de aard en omvang van deze stoornis is.

Artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld.

Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat aan de eisen om tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling over te gaan is voldaan.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het opleggen van deze maatregel hier aangewezen is. Die vraag wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord.

Verdachte komt al vanaf zijn 12e levensjaar in contact met politie en justitie. In de 14 jaar daarna is hij al meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke delicten als thans bewezenverklaard. Blijkens zijn justitiële documentatie is hem in de afgelopen 14 jaar al bijna 10 jaar gevangenisstraf opgelegd. Deze straffen hebben hem blijkbaar niet van nieuwe ernstige misdrijven kunnen weerhouden. Mede gelet op de thans aan verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen tot het opleggen van de TBS-maatregel noopt.

Van uitsluitend een (nieuwe) langdurige gevangenisstraf is, mede gelet op de onwil van verdachte om zich te laten onderzoeken, laat staan zich te laten behandelen, voor de maatschappij geen heil te verwachten. Gevreesd moet worden dat verdachte na een dergelijke gevangenisstraf wederom op dezelfde voet door zal gaan.

Gelet op de hierboven weergegeven bewezenverklaring, met uitzondering van de feiten vermeld onder 16 en 17, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen door verdachte ernstig in gevaar is gebracht en dat dergelijk gedrag mede gelet op de hiervoor aangehaalde stoornis bij verdachte het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging eist.

De terbeschikkingstelling zal worden gelast voor de bewezenverklaarde feiten, met uitzondering van de feiten 16 en 17 nu deze feiten geen feiten betreffen welke behoren tot een der misdrijven omschreven in artikel 37a eerste lid aanhef en sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Naast het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is de rechtbank tevens van oordeel dat een aanzienlijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd dient te worden. In de over verdachte opgemaakte rapportage uit 2000 en 2005 wordt verdachte voor de toen door hem gepleegde delicten in verminderde mate respectievelijk in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar bevonden. Gelet op het rapport van het Pieter Baan Centrum almede het verhandelde ter terechtzitting d.d. 20 maart 2009 en 03 april 2009 is niet gebleken dat de mate van toerekenbaarheid ten opzichte van 2000 dan wel 2005 gewijzigd zou zijn. Enige aanwijzing daartoe is noch gesteld noch gebleken.

Gelet op de ernst van de feiten, de korte periode waarin deze feiten zijn gepleegd evenals het bij de onder 1 t/m 8 bewezen verklaarde feiten gebruikte geweld c.q. bedreiging met geweld, is de rechtbank van oordeel dat naast het opleggen van voornoemde maatregel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist.

Het betreft hier een tenuitvoerlegging van 6 weken voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf door de politierechter te Arnhem d.d. 13 maart 2008. Uit de datum van deze veroordeling en de data van de thans bewezen verklaarde feiten blijkt (nogmaals) dat verdachte zich kennelijk niets aantrekt van hem opgelegde straffen.

Een tenuitvoerlegging van 6 weken gevangenisstraf verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet met de thans op te leggen straf.

De vordering van de officier van justitie zal daarom worden afgewezen.

6b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij G.W. [slachtoffer1] (feiten 1 en 2) vordert een bedrag van € 2.252,-- bestaande uit materiële schade (€ 645,--) en immateriële schade (€ 1.607,--).

De officier van justitie is van mening dat de vordering integraal kan worden toegewezen met hoofdelijkheidsclausule en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van G.W. [slachtoffer1] is niet betwist door verdachte en komt de rechtbank voor wat betreft het materiële deel gegrond voor.

Voor wat betreft het immateriële deel is aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen, ook al zijn andere daders daar ook bij betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het in de vordering genoemde bedrag. De rechtbank zal de vordering dan ook in haar geheel toewijzen.

De benadeelde partij Hotel [slachtoffer6] (feit 5) vordert een bedrag van € 500,-- aan materiële schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering integraal kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij weersproken gelet op het feit dat hij ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan dit feit. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De vordering zal dan ook worden toegewezen.

De benadeelde partij Th.E.W. [slachtoffer7] (feit 6) vordert een bedrag van € 176,50 aan materiële schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering integraal kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij weersproken gelet op het feit dat hij ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan dit feit. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De vordering zal dan ook worden toegewezen.

De benadeelde partij K.L. van de [slachtoffer5] (feiten 5 en 6) vordert een bedrag van € 1.000,-- aan immateriële schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering integraal kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij weersproken gelet op het feit dat hij ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan deze feiten. Aan de benadeelde partij is door de onder 5 en 6 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het in de vordering genoemde bedrag. De rechtbank zal de vordering dan ook in haar geheel toewijzen.

De benadeelde partij A.M.D. [slachtoffer8] (feit 7) vordert een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering integraal kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij weersproken gelet op het feit dat hij ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan dit feit. Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Aan de benadeelde partij is door het onder 7 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het in de vordering genoemde bedrag. De rechtbank zal de vordering dan ook in haar geheel toewijzen.

De benadeelde partij C.W.M.M. [slachtoffer12] (feit 11) vordert een bedrag van € 7.482,05 aan materiele schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering integraal kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de vordering niet van eenvoudige aard is. Er zijn bij de diefstal “sieraden” gestolen. Uit de bewezenverklaring blijkt niet welke sieraden gestolen zijn en het is niet na te gaan of de sieraden die door de benadeelde partij geclaimd worden die sieraden zijn die (allemaal) zijn gestolen.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Door de benadeelde partij wordt een grote hoeveelheid sieraden geclaimd die, aldus de benadeelde partij, conform het bewezenverklaarde zouden zijn gestolen.

Uit de bewezenverklaring blijkt dat er “sieraden” zijn gestolen maar enige nadere precisering welke sieraden zouden zijn gestolen is niet in de tenlastelegging en dus bewezenverklaring opgenomen. Wellicht dat de benadeelde partij haar vordering aan de Burgerlijke rechter kan voorleggen.

De benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Midden (feit 16) vordert een bedrag van € 166,89 aan materiele schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering, behoudens de BTW kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de Regiopolitie Gelderland-Midden is, behoudens de gevorderde BTW, niet betwist door verdachte en komt de rechtbank voor wat betreft het materiele deel gegrond voor. Toegewezen zal worden een bedrag van € 140,18. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank ziet af van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van strafrecht, nu de in het kader van die maatregel te bevelen vervangende hechtenis niet uitvoerbaar is vanwege de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 57, 91, 310, 311, 312, 317, 416 en 350 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 13, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 13 primair en 15 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ten aanzien van het onder 1, 2, 3 primair,4 primair, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 subsidiair en 14 bewezenverklaarde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05/524217/07):

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij G.W. [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde, met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover deze G.W. [slachtoffer1] zal zijn gekweten, tegen kwijting aan G.W. [slachtoffer1], wonende te [adres], te betalen € 2.252,-- (zegge tweeduizendtweehonderdtweeenvijftig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Hotel [slachtoffer6].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan Hotel [slachtoffer6], gevestigd [adres] te betalen € 500,-- (zegge vijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Th.E.W. [slachtoffer7]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan Th.E.W. [slachtoffer7], wonende te [adres] te betalen € 176,50 (zegge eenhonderdzesenzeventig euro en vijftig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij K.L. van de [slachtoffer5].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan K.L. van de [slachtoffer5], per adres [adres] te betalen € 1.000,-- (zegge eenduizend euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij A.M.D. [slachtoffer8].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan A.M.D. [slachtoffer8], wonende [adres], te betalen € 500,-- (zegge vijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij C.W.M.M. [slachtoffer12].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Midden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan Regiopolitie Gelderland-Midden, postbus 30071, 6803 AB Arnhem, te betalen € 140,18 (zegge eenhonderdveertig euro en achttien eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Aldus gewezen door:

Mrs.T.H.P. de Roos, vicepresident als voorzitter, E.M. Vermeulen en B.F.M. Klappe, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2009.