Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI0781

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/2287
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling art. 19 lid 2 WRO op basis van categorie 12 van de Gelderse lijst van categorieën ("Bouwprojecten voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of uitbreiden van een bestaande en als zodanig bestemde dienst- of burgerwoning…"): categorie toepasbaar op een bijgebouw bij burgerwoning, waar o.g.v. bestemming uitsluitend dienstwoning is toegestaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2287

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 maart 2009

inzake

[A] en [B], eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. B. de Haan,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder,

alsmede

[naam vergunninghouder], partij ex artikel 8:26 van de Awb, vergunninghouder,

te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. E.M. Vos.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 april 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het vernieuwen van een bestaande garage/berging op het perceel [adres] te [plaats].

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Voorts heeft vergunninghouder zich gesteld als partij in het geding. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 16 februari 2009. Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door mr. De Haan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J.C. van der Heijden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door mr. Vos.

3. Overwegingen

Het bouwplan waarvoor vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de voormalige Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning eerste fase is verleend, voorziet in het bouwen van een garage/berging op het perceel [adres] te [plaats], ten behoeve van een als burgerwoning in gebruik zijnde woning.

Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, blijft de Woningwet zoals die gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 9.1.10 van deze wet blijft het recht zoals dat gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 56a, tweede lid, juncto artikel 44, eerste lid, van de Woningwet zoals dat luidde ten tijde van belang, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang mag een bouwvergunning eerste fase slechts, en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen niet voldoet aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening of in strijd is met het bestemmingsplan, het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand of voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en niet is verleend.

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied dorp [plaats]" rust op de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd de bestemming "agrarische doeleinden". Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met dit bestemmingsplan. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Ingevolge dit artikellid, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft laatstelijk bij besluit van 15 november 2005, de lijst van categorieën van gevallen ex artikel 19, tweede lid, van de WRO vastgesteld (verder: de lijst). Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 10 december 2008 (www.rechtspraak, LJN: BG6431), volgt dat rechtsgeldige publicatie van deze lijst heeft plaatsgevonden in het provinciaal blad van 6 december 2005, zodat verweerder, anders dan eisers hebben betoogd, de bevoegdheid toekomt om met toepassing van deze lijst vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen.

Categorie 11 en volgende van de lijst zien op projecten in landelijk gebied, niet zijnde het Groen Blauw raamwerk, Waardevol landschap, Groene wig of "Groen in en om de stad"-gebied. Categorie 12 ("dienst- of burgerwoning") betreft: "Bouwprojecten voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of uitbreiden van een bestaande en als zodanig bestemde dienst- of burgerwoning, mits de uitbreiding plaatsvindt op de daartoe bestemde gronden die aansluiten bij de woning."

Tussen partijen is in geschil of categorie 12 in dit geval voor toepassing in aanmerking komt.

Eisers hebben in dit verband gesteld dat het perceel niet is gelegen in landelijk gebied. Voorts hebben eisers betoogd dat het bijgebouw heeft te gelden als nieuwbouw, waarin categorie 12 niet voorziet, en dat categorie 12 niet toepasbaar is omdat sprake is van een niet als zodanig bestemde burgerwoning.

Uit de toelichting op de lijst volgt dat de vraag of een perceel al dan niet is gelegen in landelijk gebied, beantwoord moet worden aan de hand van de Beleidskaart ruimtelijke structuur, behorende bij het streekplan 2005 van de provincie Gelderland. Gebieden die op deze kaart niet als bebouwd gebied zijn aangeduid en waar geen sprake is van gerealiseerde planmatige uitbreidingen aansluitend aan deze bebouwde gebieden, gelden als landelijk gebied.

De rechtbank ziet, anders dan eisers, geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat het perceel is gelegen in landelijk gebied. Uit de ter zitting door verweerder getoonde beleidskaart en luchtfoto's met aanduidingen kan dit genoegzaam worden afgeleid.

Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers te volgen in hun standpunt dat sprake is van nieuwbouw en niet van vernieuwing, verandering of uitbreiding als bedoeld in categorie 12. Blijkens de toelichting op de lijst geldt voor alle projecten dat de bij de functie behorende voorzieningen tevens onder de werking van de desbetreffende categorie vallen, en dat onder voorzieningen onder andere bijgebouwen worden verstaan. Hieruit volgt dat het bouwplan moet worden aangemerkt als een uitbreiding van de woning met een bijgebouw.

Het betoog van eisers, dat in dit geval geen sprake is van een "als zodanig bestemde" burgerwoning als bedoeld in categorie 12, slaagt wel.

De rechtbank stelt voorop dat een categorie-omschrijving als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 4 februari 2009, LJN: BH1844) strikt moet worden uitgelegd.

De omstandigheid dat categorie 12 zowel van toepassing kan zijn op burgerwoningen als op dienstwoningen, brengt niet met zich dat daartussen geen onderscheid moet worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de tekst van de categorie-omschrijving dat de geldende bestemming bepalend is. Dat gedeputeerde staten bij deze categorie specifiek het oog hebben gehad op die vigerende bestemming wordt bevestigd door het feit dat in verschillende andere categorieën, zoals in categorie 10, gebruik is gemaakt van het begrip "functie", maar in categorie 12 niet.

Nu vaststaat dat het bouwplan ziet op een bijgebouw ten behoeve van een als burgerwoning in gebruik zijnde woning, terwijl op grond van het geldende bestemmingsplan - voor zover hier van belang - uitsluitend een dienstwoning ten behoeve van agrarische doeleinden is toegestaan, is geen sprake van een als zodanig bestemde burgerwoning als bedoeld in categorie 12. Dat, zoals vergunninghouder ter zitting heeft betoogd, de woning op grond van overgangsrecht als burgerwoning mag worden gebruikt, houdt niet in dat deze ook als zodanig is bestemd. Zijn stelling dat het bestemmingsplan verouderd is, kan hieraan niet afdoen.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat het bouwplan niet voldoet aan categorie 12. De vrijstelling is derhalve ten onrechte daarop gebaseerd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Voor een beoordeling van de overige beroepsgronden bestaat geen aanleiding. Verweerder dient opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak, in welk kader de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO dient te worden bezien.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eisers om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Nijmegen het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M. Groverman als voorzitter, mr. A.G.A. Nijmeijer en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg als rechters, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2009 in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 24 maart 2009