Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI0718

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/2674
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BP8389, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet OB. Verlaagde tarief voor sportbeoefening. Loopgroep. Geen sportaccommodatie. Beroep op rechtszekerheidsbeginsel strandt op vierdaagse-arrest Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/25.2.4
FutD 2009-0819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/2674

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 11 maart 2009

inzake

[X], h.o.d.n. “[A]”, wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. drs. [B], te [Z],

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 met dagtekening 25 april 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [B.01]) omzetbelasting opgelegd ter hoogte van € 3.780.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2008 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 3 juni 2008, ontvangen bij de rechtbank op 4 juni 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. [B]. Namens verweerder is verschenen [C]. Gemachtigde van eiser heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Feiten

2.1 Eiser organiseert onder de naam “[A]” hardloopactiviteiten in de omgeving van [Z].

2.2 “[A]” heeft 270 tot 300 leden en ongeveer 15 trainers.

2.3 Alle hardlooptrainingen van “[A]” starten vanaf sportcomplex “[D]” in [Z] en eindigen daar ook. De trainingen zijn alleen toegankelijk voor leden.

2.4 De deelnemers hebben in het sportcomplex de beschikking over kleedkamers en douches. Daarnaast maken zij gebruik van de kantine bij het sportcomplex.

In de kantine vinden ook lezingen en vergaderingen plaats en worden nieuwe trainers opgeleid. Ook is tijdens de trainingen een fysiotherapeut in het complex aanwezig.

Af en toe wordt een sporthal in het complex gehuurd voor het houden van informatieavonden en hardloopclinics.

In de zomermaanden wordt het complex speciaal voor “[A]” opengehouden. Alleen de kantine is dan gesloten.

2.5 De hardlooptrainingen zelf vinden plaats buiten op de openbare weg, onder begeleiding van een trainer.

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of de prestaties van eiser belast dienen te worden naar het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB), zoals eiser bepleit, danwel naar het algemene tarief, zoals verweerder stelt.

4. Beoordeling van het geschil

Sportaccommodatie

4.1 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie rond [A] wel degelijk kan vallen onder het begrip sportaccommodatie, zoals dat door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 augustus 2007, nr. 43169 (V-N 2007/40.27, LJN: AZ3758, hierna: het vierdaagse-arrest) met betrekking tot de Nijmeegse wandelvierdaagse is ingevuld. Begin en einde van de trainingen vinden plaats in sportcomplex “[D]”, zijnde een sportaccommodatie. De sportaccommodatie en de trainingen zijn alleen toegankelijk voor deelnemers. Zonder de sportaccommodatie zou de onderneming niet zoveel deelnemers kunnen trekken. Voorlichting en vergaderingen vinden plaats in de sportaccommodatie. Er is een fysiotherapeut aanwezig. Alleen het parkoers –voor zover dit loopt over de openbare weg- is niet gedurende de duur van de sportbeoefening gereserveerd. Eiser wijst in dit verband naar het Nijmeegse vierdaagse-parkoers, waarbij een heel groot deel van de route ook niet met dranghekken is afgezet, maar dat volgens de Hoge Raad desondanks als sportaccommodatie kwalificeerde.

4.2 De rechtbank verwerpt die stelling. Uit het vierdaagse-arrest komt naar voren dat een parkoers, om te kunnen vallen onder het begrip sportaccommodatie, gedurende de duur van de sportbeoefening moet zijn gereserveerd voor die sportbeoefening. Daarbij is niet van belang of het gehele parkoers is afgezet met dranghekken. Wel is van belang dat de sporters op dat moment het min of meer exclusieve gebruiksrecht van het parkoers hebben. De routes waarlangs de loopgroepen van eiser hardlopen bevinden zich op de openbare weg en zijn tijdens de duur van de sportbeoefening ook toegankelijk voor andere verkeersdeelnemers. De routes zijn dus niet gereserveerd voor de sportbeoefening zoals bedoeld door de Hoge Raad. Daaraan doet niet af dat –zoals eiser ter zitting nog heeft aangevoerd- de leden van een andere loopgroep in [Z] een andere route kiezen wanneer zij zien dat een bepaalde route door een loopgroep van eiser wordt gebruikt.

4.3 Ook de overige omstandigheden kunnen niet ertoe leiden dat sprake is van een sportaccommodatie. Vast staat dat de hardloopactiviteiten plaatsvinden op de openbare weg. Het sportcomplex “[D]” wordt alleen gebruikt voor het omkleden, geven van informatie en andere ondersteunende diensten. Het gebruik van het sportcomplex vindt dus niet plaats voor actieve sportbeoefening en is voorts dermate ondergeschikt aan de eigenlijke activiteit (het hardlopen) dat dit niet kan bewerkstelligen dat de prestaties van eiser naar hun aard zijn aan te merken als de terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie.

Rechtszekerheidsbeginsel

4.4 Eiser heeft zich ook beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens eiser is de tekst van de bepaling in Tabel I, behorende bij de Wet OB, post b.3, volstrekt helder en duidelijk. Daar staat namelijk: “het geven van de gelegenheid tot sportbeoefening”. Volgens eiser is het duidelijk dat [A] gelegenheid geeft tot sportbeoefening. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dan dat deze bepaling van toepassing is.

4.5 De rechtbank overweegt dat de tekst van Tabel I, post b.3 afwijkt van het bepaalde in artikel 12, derde lid, letter a, van de Zesde richtlijn (hierna: de Zesde richtlijn) juncto de omschrijving van bijlage H, categorie 13, bij de Zesde richtlijn, luidende: “Het recht gebruik te maken van sportaccommodaties”.

De Hoge Raad heeft in het vierdaagse-arrest reeds beslist over de uitleg van de tekstueel van de Zesde richtlijn afwijkende bepaling in Tabel I, post b.3. De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat post b.3 richtlijnconform uitgelegd dient te worden en dat dit meebrengt dat het in de rede ligt het nationale begrip ‘het geven van gelegenheid tot sportbeoefening’ zo op te vatten dat daarmee wordt bedoeld het gelegenheid geven tot sportbeoefening in een gebouw dat, of een locatie die voor sportbeoefening is ingericht.

Het beroep van eiser op het rechtszekerheidsbeginsel in verband met de andersluidende Nederlandse tekst faalt, reeds omdat in de overwegingen van de Hoge Raad de opvatting besloten ligt dat in het geval van tabelpost b3 de rechtszekerheid niet in de weg staat aan richtlijnconforme interpretatie (zie r.o. 3.4 en 3.5 van het vierdaagse-arrest). Daarbij komt dat uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 28015, nr. 3, p. 29-30) duidelijk volgt dat het ook de bedoeling van de Nederlandse wetgever is geweest om, net als in de Zesde richtlijn, alleen het gebruik van sportaccommodaties tegen het verlaagde tarief te belasten. De omstandigheid dat het woord “sportaccommodatie” niet in de Nederlandse tekst is gekomen, doet daaraan niet af.

Gelijkheidsbeginsel

4.6 Ten slotte heeft eiser zich nog beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiser dienen gelijke prestaties (sport is sport, hardlopen is hardlopen) gelijk behandeld te worden. De rechtbank overweegt dat het verlaagde tarief van de Zesde richtlijn en daarmee dat van de Wet OB van toepassing is op alle sporten waarbij gebruik wordt gemaakt van een sportaccommodatie. De sportactiviteiten van eiser vinden plaats op de openbare weg en niet in een sportaccommodatie. Derhalve is ten opzichte van situaties waarbij de sportactiviteiten wel plaatsvinden in een sportaccommodatie, geen sprake van gelijke gevallen, zodat te dezen evenmin sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het onderscheid tussen sport met een sportaccommodatie en sport zonder sportaccommodatie is bovendien door de richtlijngever zelf gemaakt, zodat ook een beroep op het Europeesrechtelijke gelijkheidsbeginsel of op het neutraliteitsbeginsel eiser ook niet kan baten.

Voor zover eiser bedoelt te zeggen dat de wandelvierdaagse of de Rotterdamse marathon zodanig vergelijkbaar zijn met de hardloopactiviteiten van [A] dat die gevallen moeten worden beschouwd als aan eiser gelijke gevallen, faalt ook die stelling. Het specifieke verschil zit immers in het door de Hoge Raad gebezigde criterium dat het parkoers is gereserveerd voor de sportbeoefening, waarvan in de door eiser genoemde gevallen sprake is, terwijl dit bij de loopactiviteiten van [A] juist niet het geval is.

4.7 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 maart 2009

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, voorzitter,

mr. U.E. Tromp en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.