Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI0675

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
05/510076-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het willen uitschrijven van een bekeuring ter zake wildplassen ontaard in een woordenwisseling tussen verdachte en politieman. Op zeker moment, verdachte blijft zich verzetten tegen de hem aangezegd bekeuring, wil de politieman verdachte aanhouden ter zake belediging. Verdachte verzet zich tegen deze aanhouding en stelt zich fysiek teweer tegen de politieman. Beiden belanden op de grond. Verdachte, die achter de politieman terechtkomt, legt een stevige verwurging bij de agent aan die het zeer benauwd krijgt en denkt dat zijn laatste uur geslagen is. De agent wordt ternauwernood ontzet door zijn collega, die genoodzaakt is een knie in de nek van de verdachte te zetten om hem zo te dwingen de verwurging te beëindigen. Straf: 30 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het beroep op noodweer / noodweer-exces is verworpen. De rechtbank is onder meer van oordeel dat geweld tegen een politieman, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, op geen enkele wijze getolereerd mag worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

PROMIS II

Parketnummer : 05/510076-08

Datum zitting : 30 december 2008 en 27 maart 2009

Datum uitspraak : 10 april 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Flevoland, HvB Lelystaat, Larserdreef 300 te Lelystad.

Raadsman : mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2008 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk O. [slachtoffer] (hoofdagent van politie regio Gelderland-Zuid) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk een arm om/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft gelegd en/of (vervolgens) (met kracht) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of dicht gedruk heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Hij op of omstreeks 15 mei 2008 te Nijmegen opzettelijk mishandelend en persoon (te weten O. [slachtoffer]), een arm om/tegen diens keel heeft gelegd en/of (vervolgens) diens keel (krachtig) heeft dicht gedrukt en/of dicht gedrukt heeft gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 30 december 2008 en 27 maart 2009 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is daarbij verschenen. Verdachte is daarbij bijgestaan door mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd en zijn ter terechtzitting verschenen:

1. O. [slachtoffer], geboren 13 september 1979, domicilie kiezend te Nijmegen

2. Regiopolitie Gelderland Zuid, gevestigd te Nijmegen,

beiden ter zitting vertegenwoordigd door [naam], beleidsmedewerkster Juridische zaken bij de politie Gelderland-Zuid;

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het primaire:

De feiten:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 15 mei 2008 is er te Nijmegen een confrontatie geweest tussen O. [slachtoffer], hoofdagent van van de politie regio Gelderland-Zuid, en verdachte. Daarbij heeft verdachte op zeker moment een arm om de keel van die [slachtoffer] gelegd en vervolgens de keel van die [slachtoffer] dichtgedrukt. Dit dichtdrukken van de keel van [slachtoffer] deed verdachte door een zogenaamde verwurging in te zetten waarbij verdachte, achter [slachtoffer] liggend, een arm om diens keel heeft gelegd.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie acht, op basis van de bewijsmiddelen het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de officier van justitie kan het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden nu het opzet , inclusief het voorwaardelijk opzet, van verdachte op het doden dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] ontbreekt. Naar het oordeel van de officier van justitie is hier sprake van een eenvoudige mishandeling zoals subsidiair ten laste gelegd.

Het standpunt van de verdachte:

Verdachte betwist dat bij hem het opzet aanwezig was [slachtoffer] te doden, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of te mishandelen. Ook voor voorwaardelijk opzet is geen ruimte. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zal komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zal oplopen, moet verdachte wetenschap hebben gehad van deze aanmerkelijke kans en die kans bovendien op de koop toe hebben toegenomen; daarvan was volgens de verdediging geen sprake. Verdachte is van oordeel dat juist het jegens hem toegepaste geweld door [slachtoffer] als onbehoorlijk moet worden aangemerkt. Van een aanhouding van verdachte was geen sprake.

Beoordeling van de standpunten:

[slachtoffer], hoofdagent van de regiopolitie Gelderland-Zuid, was op 15 mei 2008 met zijn collega J. [naam], hoofdagent van politie, belast met de motorsurveillance. [slachtoffer] ziet in het Kronenburgerpark bij de toren in een hoek een jongen (verdachte) staan en had het vermoeden dat deze aan het wildplassen was. [slachtoffer] is naar verdachte toe gereden om hem op zijn gedrag aan te spreken. [slachtoffer] ziet dat de hoek waarin verdachte stond nat was en wilde verdachte een bekeuring geven ter zake het wildplassen. Er ontstaat discussie tussen verdachte en [slachtoffer] welke discussie ontaardt in een handgemeen tussen verdachte en [slachtoffer]. Op zeker moment komen verdachte en [slachtoffer] op de grond terecht in een situatie waarbij [slachtoffer] ruggelings/zijdelins op/tegen verdachte ligt.

Verdachte verklaart nadien bij de politie dat hij, terechtkomend in die situatie, automatisch een verwurging rond de keel van die agent inzette in welke situatie hij naar eigen zeggen die agent had kunnen doden. Ook heeft verdachte die verwurging nadien wat strakker aangezet. Verdachte kon zich voorstellen dat die agent het door die verwurging benauwd kreeg. Op zeker moment merkte verdachte dat de agent, toen hij hem in die verwurging had, niet meer tegenstribbelde.

[slachtoffer] verklaart dat hij door de verwurging die verdachte op hem toepaste geen lucht meer kreeg. Zijn keel werd met kracht dichtgedrukt en [slachtoffer] kreeg het benauwd. Hij ziet dat zijn collega de vriendin van verdachte wegduwde. Hij probeert zijn collega te roepen, maar door de verwurging kon hij geen geluid produceren.

[slachtoffer] kreeg het steeds benauwder en had het idee dat als zijn collega hem niet snel kwam helpen hij het bewustzijn zou kunnen verliezen of erger. [slachtoffer] had het idee dat zijn laatste uur wel eens geslagen kon zijn als hij niet snel geholpen werd, de druk in zijn hoofd werd steeds groter en hij kreeg het steeds benauwder.

[slachtoffer] ziet op zeker moment zijn collega naar zich toekomen waarna de greep van verdachte om zijn hals losser werd en [slachtoffer] los kon komen uit de verwurging van verdachte. [slachtoffer] zag het op zeker moment zwart voor zijn ogen worden.

De collega van [slachtoffer], J. [naam], eveneens hoofdagent van politie Gelderland-Zuid, ziet op zeker moment [slachtoffer] op zijn rug op verdachte liggen strak in een verwurging. [naam] ziet zijn collega niet reageren en zag dat zijn ogen uitpuilden. Om zijn collega te ontzetten - verdachte hield de verwurging van [slachtoffer] in stand - heeft [naam] zijn knie in de nek van verdachte gezet waardoor verdachte genoodzaakt was zijn collega [slachtoffer] los te laten en aan de verwurging van [slachtoffer] een eind kwam.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] van het leven zou beroven.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat verdachte zijn arm om de keel van [slachtoffer] heeft gelegd, dat hij die verwurging (zoals verdachte het ook zelf noemt) vervolgens heeft versterkt, dat [slachtoffer] hierdoor in ernstige ademnood raakte en dat de verwurging eerst is beëindigd doordat [naam] zijn knie in de nek van verdachte heeft gezet.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij de verwurging uit eigen beweging heeft gestopt, aangezien geen reden bestaat om aan de onder ede afgelegde ter zitting afgelegde verklaring van [naam], die overeenkomt met het ambtsedig door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen , te twijfelen.

De rechtbank stelt voorop dat door het inzetten en vervolgens instandhouden van de verwurging op een zodanige wijze en met een zodanige kracht dat het slachtoffer komt te verkeren in een fysieke toestand als door [slachtoffer] en van [naam] beschreven er een aanmerkelijke kans bestond dat eerstgenoemde daardoor het leven zou laten.

Nu verdachte naar eigen zeggen bemerkte dat [slachtoffer] op enig moment niet meer tegenstribbelde en hij desondanks niet op zijn schreden is teruggekeerd en de verwurging eerst door [naam] kon worden onderbroken, staat daarmee voorts vast dat verdachte willens en wetens deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Aldus is sprake van voorwaardelijk opzet op het doden van [slachtoffer].

Conclusie

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat :

hij op 15 mei 2008 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk O. [slachtoffer] (hoofdagent van politie regio Gelderland-Zuid) van het leven te beroven, opzettelijk een arm om de keel van die [slachtoffer] heeft gelegd en vervolgens met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en dicht gedruk heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire feit:

Poging tot het misdrijf: doodslag.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Door verdachte is een beroep op noodweer c.q. noodweer-exces gedaan stellende dat sprake was van zelfverdediging.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het door verdachte gevoerde verweer.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte stelt zich op het standpunt dat in deze sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf door de hoofdagent [slachtoffer].

De gedragingen van [slachtoffer] leverden een feitelijke aanranding op waartegen verdachte zich mocht verdedigen en het door [slachtoffer] toegepaste geweld moet als onbehoorlijk worden aangemerkt.

Voor zover mocht worden geoordeeld dat ten tijde van het inzetten van de verwurging de noodweersituatie voorbij was, is sprake van noodweer-exces nu verdachte nog steeds in paniek was vanwege de wijze van bejegening door [slachtoffer], en in die hevige gemoedstoestand de verwurging heeft ingezet. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling van de standpunten

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding aangezien verbalisant [slachtoffer] voortdurend bezig is geweest in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

[slachtoffer] heeft verdachte eerst een bekeuring aangezegd wegens wildplassen. Verdachte heeft zich vervolgens recalcitrant en bedreigend geuit jegens [slachtoffer], waarna deze hem aanhield wegens bedreiging. Verdachte moest in afwachting van de komst van een politieauto onder controle worden gehouden (geboeid) en heeft zich daaraan onttrokken door een worsteling met [slachtoffer] aan te gaan.

Er was geen sprake van noodweer zodat het daartoe strekkend beroep dus wordt verworpen.

Het beroep op noodweer-exces wordt verworpen aangezien er geen sprake was van een noodweer situatie

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 02 februari 2009;

• een voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland d.d. 25 november 2008.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen is en dat verdachte ter zake het subsidiair ten laste gelegde moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden onvoorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie is van oordeel dat het gebruik van geweld jegens een politieambtenaar in functie niet getolereerd kan en mag worden hetgeen tot uitdrukking moet worden gebracht in de strafoplegging. Het ontbreken van relevante documentatie staat gezien de ernst van het feit niet in de weg aan het opleggen van de gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het standpunt van de verdediging:

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over een op te leggen straf indien de rechtbank ondanks het pleidooi toch tot enige bewezenverklaring komt.

De bespreking van de standpunten:

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zonder dat daar enige aanleiding toe was een verbalisant, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, getracht van het leven te beroven nadat deze hem een bekeuring wilde geven ter zake wildplassen en had aangehouden wegens bedreiging.

Verdachte was het niet eens met de constatering van de verbalisant en is een discussie met hem aangegaan.

De poging van de verbalisant om verdachte na aanhouding onder controle te krijgen ontaardde in een worsteling en vervolgens in het bewezen verklaarde feit.

De aanwijzingen van een verbalisant die bezig is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening dienen onvoorwaardelijk gevolgd te worden. Indien een burger het niet eens is met een door een verbalisant ingenomen standpunt zijn er andere wegen om daar tegenop te komen, zoals het aangaan van een normale discussie.

Het onttrekken aan aanhouding en vervolgens ernstig fysiek geweld gebruiken, waardoor het leven van de verbalisant in gevaar wordt gebracht, gaat alle perken te buiten.

Dergelijk geweld laat een diepe indruk na bij de direct betrokkenen en kan ernstige negatieve gevolgen hebben voor de beroepsuitoefening van aangever en zijn collega’s.

De rechtbank is van oordeel, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat in dezen alleen het opleggen van een forse gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, passend en geboden is.

Levensbedreigend geweld tegen een politiefunctionaris gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening dient zwaar te worden bestraft.

De op te leggen straf is veel zwaarder dan de officier van justitie heeft geëist, aangezien een veel zwaarder delict dan waarvan de officier van justitie is uit gegaan, bewezen is verklaard.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde¬ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij O. [slachtoffer] vorderde aanvankelijk een bedrag van € 1.247,18.

Hij heeft de vordering ter zitting voor wat betreft het immateriële deel daarvan gewijzigd en vordert thans in plaats van een immateriële schadevergoeding geen € 500,-- maar een bedrag van € 350,--.

Met betrekking tot de materiele schade aan motorfiets en helm is de vordering ingetrokken nu deze niet door O. [slachtoffer] kan worden gevorderd.

Aan de benadeelde partij is door het primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag.

De benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Zuid vordert een bedrag van € 747,18.

De rechtbank zal de benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Zuid niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat de geleden schade niet rechtstreeks is toegebracht door het jegens verdachte bewezenverklaarde feit. Wellicht kan de benadeelde partij via de Burgerlijke rechter verhalen..

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij O. [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan O. [slachtoffer], zulks door tussenkomst van [naam] p/a Postbus 9109, 6500 HL Nijmegen, te betalen € 350,-- (zegge driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2008

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 350,--, subsidiair 7 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer O. [slachtoffer], zulks door tussenkomst van [naam] p/a Postbus 9109, 6500 HL Nijmegen, te betalen € 350,--, (zegge driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2008, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Zuid.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door:

Mrs.T.H.P. de Roos, vicepresident als voorzitter, E.A.A.M. Pfeil en E.M. Vermeulen, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2009.