Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI0554

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
: AWB 08/2473
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Administratief beroep tegen vaststelling van de legger. Geen wettelijke grondslag in de Waterschapswet en de Keur voor opneming van een keerwand in de legger. Zelf in de zaak voorzien en administratief beroep alsnog ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2473

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 1 april 2009

inzake

dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Vallei & Eem, eiser,

gevestigd te Leusden,

tegen

de Commissie administratieve geschillen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 4 april 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2007, bekendgemaakt op 5 oktober 2007, heeft het Algemeen Bestuur van het Waterschap Vallei & Eem de legger vastgesteld voor het gebied van de Lunterse Beek, waartoe watergang K-4-10 behoort.

Hiertegen hebben belanghebbenden bij verweerster administratief beroep ingesteld.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerster de beroepen gegrond verklaard

voor zover deze betrekking hebben op watergang K-4-10.

Tegen dit besluit is door eiser beroep ingesteld en door verweerster is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 februari 2009. Namens eiser zijn aldaar mr. M.A. Burggraaf-Suur en J.M. Kreugel verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.A.H.H. van Rossum en ir. H.J. Reit.

3. Overwegingen

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan, waartoe als volgt wordt overwogen.

De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit van 20 september 2007 aan watergang

K-4-10 de secundaire status is toegekend met najaarsschouw. Dit heeft tot gevolg dat het groot onderhoud bij het waterschap komt te liggen. Het thans bestreden besluit wijzigt niets aan deze status.

Verweerster heeft in het bestreden besluit de administratieve beroepen ten aanzien van watergang K-4-10 gegrond verklaard, in die zin dat zij heeft vastgesteld dat het theoretische profiel (zijnde: dwarsdoorsnede) in de legger niet overeenstemt met de feitelijke situatie (het werkelijke profiel) van de watergang.

Ter hoogte van het perceel van [perceelaanduiding] is namelijk illegaal een keerwand aangebracht. Verweerster is van mening dat de keerwand door het waterschap in de legger moet worden opgenomen, omdat deze tot gevolg heeft dat de bovenstroomse aangelanden last kunnen hebben van overstromingen. Indien het waterschap er niet toe overgaat de keerwand op te nemen in de legger, meent verweerster (ten overvloede) dat zij tot handhaving moet overgaan en moet zorgen dat de keerwand wordt verwijderd, zodat de legger weer in overeenstemming is met de feitelijke situatie.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank in het navolgende, voor zover nodig,

nader ingaan.

Op basis van de gedingstukken, waaronder ter zitting overgelegd fotomateriaal, en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. In watergang K-4-10 is ter hoogte van [perceelaanduiding] op de rand van het natte profiel een keerwand aangebracht.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanwezigheid van deze keerwand geen invloed heeft op de status van de watergang en dat deze ook geen (mede)waterkerende functie heeft.

De rechtbank overweegt allereerst dat in dit geschil niet de vraag ter beantwoording staat of verweerster tot handhaving dient over te gaan, met dien verstande dat de keerwand wordt verwijderd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de keerwand in de legger moet worden opgenomen. Hiertoe dient de rechtbank allereerst te bezien of voor opneming van de keerwand in de legger een wettelijke grondslag bestaat.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat de Waterschapswet en de toepasselijke Keur van het Waterschap Vallei & Eem de vaststelling en de inhoud van de legger regelen.

Ingevolge artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet stelt het algemeen bestuur van het waterschap de legger vast waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen.

In artikel 1, aanhef en onder n, van de Keur van het waterschap Vallei & Eem 2007 (hierna: de Keur) wordt de legger gedefinieerd als: legger van waterstaatswerken, waarvan de vaststelling is voorgeschreven bij of krachtens wet of bij verordening en waarop onderhoudsplichtigen, onderhoudsverplichtingen en de ligging zijn aangegeven en de vorm, afmetingen en constructie van de betrokken waterstaatswerken kunnen zijn aangegeven.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Keur wordt onder waterstaatswerken verstaan: waterkeringen, watergangen en waterbergingsgebieden, die als zodanig in de legger zijn aangegeven.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Keur wordt onder waterkeringen verstaan: kunstmatige hoogten en (die gedeelten van) natuurlijke hoogten of hooggelegen gronden, beide inclusief eventuele steun- en/of pipingbermen en stroken afhankelijk van de situatie aan weerszijden daarvan met inbegrip van de daarin of daaraan aangebrachte werken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben, welke naar de mate van hun belang worden onderscheiden in primaire, regionale en overige waterkeringen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de Keur wordt onder werken verstaan: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren.

De rechtbank stelt vast dat een keerwand is aan te merken als een werk in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, van de Keur. Voorts stelt de rechtbank vast dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder n, van de Keur alleen waterstaatswerken in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Keur in de legger worden opgenomen. Nu de keerwand niet is aan te merken als een waterkering of een werk met een waterkerende functie in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van de Keur, volgt uit het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder b en n, van de Keur dat de keerwand niet in de legger wordt opgenomen.

Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat voor opneming van de keerwand in de legger door het algemeen bestuur van het waterschap geen wettelijke grondslag bestaat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster de administratieve beroepen voor zover betrekking hebbende op watergang K-4-10 daarom ten onrechte gegrond verklaard. Dit brengt mee dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en doende wat verweerster had behoren te doen, de administratieve beroepen tegen de beslissing van 20 september 2007 voor zover betrekking hebbende op watergang K-4-10 alsnog ongegrond verklaren, nu hiervoor is gebleken dat voor opneming van de keerwand in de legger door het algemeen bestuur van het waterschap geen wettelijke grondslag bestaat.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de gegrondverklaring van de administratieve beroepen gericht tegen watergang K-4-10;

verklaart de administratieve beroepen tegen de beslissing van 20 september 2007 in zoverre alsnog ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de Provincie Gelderland het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 288 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzitter, mr. L. van Gijn en mr. G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

In het openbaar uitgesproken op 1 april 2009 door mr. Klein Egelink, voornoemd als voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier voornoemd.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:1 april 2009