Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BI0098

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
173436
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BO5985, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert - samengevat - primair te verklaren voor recht dat gedaagde het dienstverband van eiser onregelmatig heeft opgezegd en om die reden schadeplichtig is.

Subsidiair vordert eiser een verklaring voor recht dat gedaagde het dienstverband van eiser kennelijk onredelijk heeft opgezegd.

De rechtbank stelt allereerst vast dat Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, gelet op art. 6 lid 2 sub a van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO). De rechtbank dient te beoordelen of art. 6.2 van de arbeidsovereenkomst, zoals deze tussen partijen gold, bepaalt of partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds konden opzeggen. Partijen verschillen van mening over de uitleg die aan dat artikel gegeven moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 173436 / HA ZA 08-1299

Vonnis van 25 maart 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.M. Wilmink te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 maart 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 2 februari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser], geboren op 24 juni 1955, is op 1 april 2007 in dienst getreden van [gedaagde] op grond van een arbeidsovereenkomst met een duur van zes maanden, in de functie van verkoopleider. Met ingang van 1 oktober 2007 is [eiser] benoemd tot statutair bestuurder van [gedaagde]. Partijen hebben per 1 oktober 2007 een arbeidsovereenkomst (“Geschäftsführer-

dienstvertrag”) gesloten voor de duur van tweeëneenhalf jaar, derhalve tot en met 31 maart 2010. Deze arbeidsovereenkomst bevat ten aanzien van de duur daarvan de volgende bepaling:

§ 6 Vertragsdauer und Kündigung

1. Dieser Vertrag beginnt am 01.10.2007 und wird bis zum 31.03.2010 (“Festlaufzeit”) geschlossen. Der Geschäftsführerdienstvertrag wird in einen unbefristeten Vertrag umgewandelt, wenn weder der Geschäftsführer mit einer Frist von 3 Monaten zum Ende der Laufzeit noch die Gesellschaft mit einer Frist von 6 Monaten zum Ender der Laufzeit kündigen.

2. Das Recht zur fristlosen, außerordentlichen Kündigung dieses Vertages, insbesondere bei einem Widerruf der Bestellung des Geschäftsführers, aus wichtigem Grund, aber auch sonst, bleibt unberührt.

2.2. Een deel van de werknemers van [gedaagde] kreeg jaarlijks in juni een bonus uitbetaald. Bij e-mail van 25 juni 2007 heeft [eiser] een aantal werknemers verzocht hem het document te sturen waarin hun bonusafspraken zijn vastgelegd. Werknemers die niet beschikten over een dergelijk document hebben de bonus niet uitbetaald gekregen.

2.3. Bij brief van 11 januari 2008 hebben 5 van de 11 van de werknemers van [gedaagde] zich bij de aandeelhouders beklaagd over het functioneren van [eiser] en gesteld [eiser] niet langer als directeur te kunnen accepteren. De werknemers schrijven in deze brief dat [eiser] seksueel getinte of geringschattende opmerkingen maakt jegens het personeel, dat [eiser] geen interesse heeft in de producten van [gedaagde] en ook niet in de werknemers en dat [eiser] zich negatief gedraagt tegenover klanten. De werknemers verzoeken de aandeelhouders maatregelen te nemen.

2.4. Eén van de aandeelhouders, de heer [betrokkene], heeft naar aanleiding van de brief van 11 januari 2008 met de werknemers en met [eiser] gesproken. Bij e-mail van 30 januari 2008 heeft hij aan [eiser] geschreven dat hij heeft geconstateerd dat er problemen zijn tussen de werknemers en [eiser]. Deze problemen bestaan, zo blijkt uit deze e-mail, uit grof, onwelgevoeglijk en vrouwonvriendelijk taalgebruik en het doen van negatieve uitlatingen over enkele medewerkers van [gedaagde] Benelux tegenover medewerkers, klanten en derden. Uit deze e-mail blijkt verder dat [eiser] erop is aangesproken dat hij geen activiteiten heeft ondernomen ter uitvoering van de bij indiensttreding uitdrukkelijk gemaakte afspraak dat hij key-accounts en eindafnemers bewerkt en begeleidt, terwijl dit tot zijn belangrijkste taken en verplichtingen behoort. [betrokkene] heeft deze e-mail afgesloten met het verzoek aan [eiser] om de inhoud van deze e-mail te bevestigen. [eiser] heeft deze bevestiging bij e-mail van 30 januari 2008 aan [betrokkene] verzonden.

2.5. [eiser] heeft vervolgens getracht de problemen met de medewerkers op te lossen, onder meer door voor te stellen een mediator in te schakelen en een brief te sturen aan het personeel. [eiser] is op 18 februari 2008 begonnen met persoonlijke gesprekken met zijn teamleden.

2.6. Bij brief van 18 februari 2008 is [eiser] uitgenodigd voor de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders, waarin zijn voorgenomen ontslag aan de orde zou komen. Bij brief van 19 februari 2008 is [eiser] vervolgens geschorst. Op 5 maart 2008 heeft de algemene aandeelhoudersvergadering van [gedaagde] besloten [eiser] met ingang van 5 maart 2008 te ontslaan als statutair bestuurder en de arbeidsovereenkomst op te zeggen tegen 1 mei 2008. [eiser] heeft op deze vergadering zijn zienswijze gegeven, maar zijn raadsman is niet ter vergadering toegelaten. Het besluit is bevestigd in een brief van 15 april 2008. Uit deze brief blijken, kort samengevat, de volgende gronden voor ontslag: het nalaten van activiteiten ten aanzien van key-accounts en grote eindafnemers, de verstoring van de arbeidsverhoudingen met een belangrijk deel van het personeel mede door toedoen van [eiser], het gedrag en taalgebruik van [eiser], het niet beschikken over een minimaal niveau van kennis van de producten van [gedaagde] en het niet verbeteren van de resultaten.

2.7. [eiser] heeft berust in het ontslag en de opzegging, maar heeft de gronden daarvan bestreden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat – primair te verklaren voor recht dat [gedaagde] het dienstverband van [eiser] onregelmatig heeft opgezegd en om die reden schadeplichtig is. Verder vordert [eiser] primair de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 203.845,36 bruto, dan wel een nader door deze rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met rente vanaf 1 mei 2008. Subsidiair vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] het dienstverband van [eiser] kennelijk onredelijk heeft opgezegd en de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 203.845,36, te vermeerderen met rente vanaf 1 mei 2008, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd, althans niet met de door [gedaagde] in acht genomen opzegtermijn, en dat daarom sprake is van onregelmatige opzegging. [eiser] vordert de gefixeerde schadeloosstelling op grond van art. 7:680 BW, bestaande uit het loon over de resterende duur van de arbeidsovereenkomst. Aan zijn subsidiaire vordering legt [eiser] ten grondslag dat de opzegging kennelijk onredelijk is geweest, omdat de gevolgen daarvan voor [eiser] te ernstig zijn in verhouding tot het belang van [gedaagde] bij opzegging. [eiser] vordert subsidiair een billijke vergoeding op grond van art. 7:681 BW.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] voert aan dat de arbeidsovereenkomst wel degelijk tussentijds opzegbaar was. Zij wijst daarbij op de tekst van art. 6.2. uit de arbeidsovereenkomst. Ook wijst zij erop dat de opzegging naar Duits recht een ‘außerordentliche Kündigung’ betreft en dat Duits recht haar geïnspireerd heeft bij het opstellen van deze bepaling.

4.2. [eiser] heeft gesteld dat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst belang heeft gehecht aan het feit dat deze niet tussentijds opzegbaar zou zijn. Over dit punt is ook onderhandeld, aldus Van leeuwen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] een ongedateerde concept arbeidsovereenkomst overgelegd. Uit dit concept blijkt dat deze arbeidsovereenkomst in zou gaan op 1 oktober 2007. Dit concept bevat de volgende bepaling ten aanzien van de beëindiging:

§ 6 Vertragsdauer und Kündigung

1. Dieser Vertrag wird bis zum 31.03.2010 (‚Festlaufzeit’) geschlossen. Der Geschäftsführerdienstvertrag wird in einen unbefristeten Vertrag umgewandelt wenn weder der Geschäftsführer mit einer Frist von 3 Monaten zum Ende der Laufzeit noch die Gesellschaft mit einer Frist von 6 Monaten zum Ende der Laufzeit kündigen.

2. Jede Partei kann den Vertrag unter Berücksichtigung der gesetzlich geltenden Kündigungsfristen – und gründe auch während der Festlaufzeit schriftlich kündigen.

3. Das Recht zur fristlosen, außerordentlichen Kündigung dieses Vertages, insbesondere bei einem Widerruf der Bestellung des Geschäftsführers, aus wichtigem Grund, aber auch sonst, bleibt unberührt.

4.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, gelet op art. 6 lid 2 sub a van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO). De rechtbank dient te beoordelen of art. 6.2. van de arbeidsovereenkomst, zoals deze tussen partijen gold, bepaalt of partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds konden opzeggen. Partijen verschillen van mening over de uitleg die aan dat artikel gegeven moet worden. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.4. Aan de hand van de hiervoor weergegeven maatstaf komt de rechtbank tot het oordeel dat art. 6.2. van de arbeidsovereenkomst geen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid bevat. De rechtbank stelt vast dat het ongedateerd concept, zoals dat onbetwist tussen partijen voorafgaand aan het definitieve contract, is besproken, wel die mogelijkheid biedt en wel in art. 6.2 van die overeenkomst. Deze mogelijkheid keert niet terug in de definitieve arbeidsovereenkomst. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij daaraan belang hechtte en dat hij dat belang ook kenbaar heeft gemaakt aan [gedaagde]. In datzelfde concept is art. 6.2., zoals dat in de definitieve overeenkomst is opgenomen, als art. 6.3. opgenomen. Het verweer van [gedaagde] dat met het definitieve artikel 6.2. een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid wordt geboden gaat dan ook niet op. Ook het verweer dat [gedaagde] zich bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst heeft laten inspireren door Duits recht en dat art. 6.2 in de definitieve overeenkomst om die reden gezien moet worden als tussentijdse opzeggingsmogelijkheid, treft geen doel. Naar Duits recht – dat overigens hier niet van toepassing is - is een ‘fristlose, außerordentlichen Kündigung’ min of meer vergelijkbaar met het ontslag op grond van een dringende reden naar Nederlands recht. Daarbij verwijst de rechtbank naar § 626.1 van het Bürgerliches Gesetzbuch, dat gaat over de ‘fristlose, außerordentlichen Kündigung’:

‘Das Dienstverhältnis kann von jedem Vertragsteil aus wichtigem Grund ohne Einhaltung einer Kündigungsfrist gekündigt werden, wenn Tatsachen vorliegen, auf Grund derer dem Kündigenden unter Berücksichtigung aller Umstände des Einzelfalles und unter Abwägung der Interessen beider Vertragsteile die Fortsetzung des Dienstverhältnisses bis zum Ablauf der Kündigungsfrist oder bis zu der vereinbarten Beendigung des Dienstverhältnisses nicht zugemutet werden kann.’

4.5. Bij de beoordeling van een en ander acht de rechtbank ook van belang dat [gedaagde] wèl een opzegtermijn – van bijna twee maanden - in acht heeft genomen, zodat ook in dat opzicht haar beroep op art. 6.2. van de definitieve arbeidsovereenkomst, in samenhang met haar beroep op de mogelijkheid van een ‘fristlose außerordentlichen Kündigung’, niet opgaat. De rechtbank gaat ook voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat het ontbreken van een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid strijdig zou zijn met rechtspraak van de Hoge Raad (15 april 2005, JAR 2005, 117 (Unidek)) waaruit volgt dat de arbeidsovereenkomst tegelijk met het statutair bestuurderschap eindigt. De arbeidsovereenkomst is immers geëindigd en herstel van de arbeidsovereenkomst kan door een statutair bestuurder niet worden gevorderd (art.. 2:134 en 2:244 BW).

4.6. Een en ander brengt met zich dat de arbeidsovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank niet tussentijds kon worden opgezegd en dat de opzegging derhalve, op grond van art. 7:667 en 7:677 BW, onregelmatig heeft plaatsgevonden. Op grond van art. 7:680 BW dient [gedaagde] daarom aan [eiser] de gefixeerde schadevergoeding te betalen, bestaande uit het loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dat is op grond van art. 7:667 lid 3 BW het loon tot de eindddatum van het contract, in dit geval 31 maart 2010.

4.7. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op art. 7:680 lid 5 BW, dat de rechtbank de bevoegdheid geeft de gefixeerde schadevergoeding, zo deze hem met het oog op de omstandigheden van het geval bovenmatig voorkomt, op een kleinere som te bepalen. [gedaagde] heeft daarbij de volgende omstandigheden aangevoerd: het contract had een looptijd van 30 maanden, waarvan [eiser] slechts vijf maanden heeft gewerkt, [eiser] is ontslagen op gronden die hem verwijtbaar zijn, het betalen van een onevenredig hoge vergoeding verdraagt zich niet met het recht van de algemene vergadering van aandeelhouders om een statutair bestuurder te allen tijde te ontslaan en de vergoeding is in strijd met hetgeen de Code Tabaksblatt bepaalt. Ter zitting heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat zij het jaar 2008 met verlies heeft afgesloten en dat 2009 nog slechter zal zijn.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat, met het oog op de omstandigheden van het geval, een matiging van de schadeloosstelling aan de orde is. Daarbij acht de rechtbank de duur van het geconsumeerde deel van het contract in verhouding tot de resterende duur van het contract relevant. Ook de vraag of [gedaagde] enige reden had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen acht de rechtbank relevant. Hoewel [eiser] heeft bestreden dat het ontslag aan hem te wijten is geweest, heeft [eiser] met en in zijn e-mail van 30 januari 2008 de hem ter zake zijn functioneren gemaakte verwijten geaccordeerd. Van een volstrekt ongegrond besluit om tot ontslag over te gaan is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de schadeloosstelling bepalen op een bedrag dat ongeveer overeenkomt met 8 ‘kale’ maandsalarissen, zijnde € 56.000,00.

4.9. Nu de rechtbank de primaire vordering aan [eiser] toewijst komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de subsidiaire vordering ter zake de kennelijke onredelijkheid van het ontslag.

4.10. [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en dient daarom de proceskosten te betalen. Deze kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht 4.570,00

- salaris advocaat 2.000,00 (1,0 punt × factor 1,0 × tarief € 2.000,00)

Totaal € 6.655,44

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 56.000,00 (zesenvijftig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 mei 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 6.655,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2009