Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH9750

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
179335
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Informele rechtsingang minderjarige; benoeming bijzondere curator; financiering via toevoeging.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 250
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377e
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: [nummer]

Datum uitspraak:

beschikking benoeming bijzondere curator ex art. 1:250 BW

op verzoek van

[minderjarige] (nader te noemen: de minderjarige),

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

Het verloop van de procedure

Gezien de stukken, waaronder:

- het verzoek ingekomen ter griffie op 12 december 2008;

- verhoor minderjarige van 26 januari 2009.

Gehoord ter terechtzitting van 6 maart 2009:

- [moeder] (nader te noemen: de moeder);

- [vader] (nader te noemen: de vader);

- mevrouw A. de Wit, als zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

De feiten

Uit de affectieve relatie tussen moeder en vader zijn geboren de minderjarigen:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De vader heeft beide kinderen erkend.

De vader en de moeder zijn op 22 december 1998 gehuwd in de gemeente [gemeente]. Bij beschikking van deze rechtbank van 27 juli 2006 is onder meer echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken.

Bij beschikking na echtscheiding van deze rechtbank van 3 mei 2007 is onder meer bepaald dat beide minderjarigen hun gewone verblijfplaats bij de moeder hebben en dat tussen de vader en de minderjarigen de volgende omgangsregeling zal gelden:

- iedere veertien dagen van woensdag na school tot maandagochtend;

- de helft van de vakanties en feestdagen.

Heden is de omgangsregeling op de volgende wijze ingericht dat de minderjarigen negen dagen bij de moeder verblijven en vervolgens vijf dagen bij de vader.

De minderjarige heeft op 26 januari 2009 haar verzoek mondeling aan de kinderrechter toegelicht.

Het verzoek

De minderjarige verzoekt te bepalen dat de omgangsregeling wordt gewijzigd in die zin dat ze zeven dagen bij haar moeder verblijft en vervolgens zeven dagen bij haar vader verblijft. De minderjarige voert hiertoe aan dat ze dit graag meer verdeeld wil hebben, omdat ze haar vader nu minder vaak ziet, en ze beide ouders even belangrijk vindt.

De standpunten van de ouders

Door de moeder is ter terechtzitting verklaard dat zij op de hoogte is van het verzoek. Ouders hebben het verzoek met elkaar besproken, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. De minderjarige ziet de omgangsregeling als een wiskundige formule, precies door de helft. Hier heeft ze echter geen onderliggende redenen voor. De minderjarige staat volgens de moeder niet volledig achter haar verzoek, dit is te merken aan het feit dat ze buiten de omgangsregeling om weinig contact met haar vader opneemt. Het gaat op het moment met beide minderjarigen goed en ze gaan vooruit op school. Co-ouderschap is al een keer geprobeerd, echter zonder resultaat. Het werd een vervelende situatie omdat alle spullen van de minderjarige heen en weer moesten worden gesleept. De minderjarige leefde uit haar tassen en wekte de indruk zich nergens thuis te voelen. Op het moment verloopt de omgangsregeling prettig. Het contact tussen ouders verloopt moeizaam, dit moet verbeteren. Goed contact is immers een basisvoorwaarde voor het opvoeden van minderjarigen in twee gezinnen. Het bijwonen van gespreksgroepen is al een keer geprobeerd, maar heeft niet tot een verbetering geleid. De moeder geeft aan dat ze moeite heeft met het uiteenvallen van het gezin.

Door de vader is ter terechtzitting verklaard dat ook hij op de hoogte is van het verzoek. Het jongere zusje van de minderjarige heeft bij schoolmaatschappelijk werk aangegeven ook eenzelfde omgangsregeling te wensen. De minderjarige is altijd welkom bij hem, echter toestemming van de moeder is noodzakelijk met betrekking tot het verzoek. De minderjarige wil geen van beide ouders tekort doen. De vader heeft benadrukt dat de minderjarige geen beslissing hoeft te nemen. De minderjarige heeft het bij beide ouders fijn. Beide ouders moeten betrokken zijn bij de opvoeding. Hij heeft niet ervaren dat de minderjarige tijdens de proef met co-ouderschap leefde uit tassen en zich nergens thuis voelde. Ouders hebben andere ideeën over de opvoeding van minderjarige. Op het gebied van communicatie proberen ouders steeds meer te verbeteren, zoals de invoering van een schriftje waar belangrijke informatie in wordt genoteerd. De nodige communicatie is op deze manier aanwezig.

Het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming

De zittingsvertegenwoordigster van de Raad merkt op dat de minderjarige mogelijk last heeft van de slechte communicatie tussen de ouders. Ze maakt wellicht een keuze vanuit haar rechtvaardigheidsgevoel. Er lijkt een achterliggende boodschap aan haar verzoek ten grondslag te liggen. Haar verhaal moet door haar ouders naar boven worden gehaald, desnoods met hulp van derden.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1: 253a tweede en vierde lid BW j° 1:377 e en 1: 377g BW kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven over de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken aan ieder der ouders, dan wel een zodanige beslissing wijzigen.

Nu ter zitting is gebleken dat de ouders de belangen van de minderjarige op verschillende wijze invullen en zij gezamenlijk geen mogelijkheid zagen om als ouders tot overeenstemming te komen, wordt de benoeming van een bijzondere curator geraden geacht. Ingevolge artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen, wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. In deze zaak lijkt het alsof de ouders hun visie op het belang van de minderjarige nog laten kleuren door een ex-partnerproblematiek waardoor de minderjarige in een loyaliteitsconflict verkeert. Aangezien een doorverwijzing naar mediation op dit moment niet door beide ouders gedragen wordt, is de benoeming van een bijzondere curator het meest aangewezen.

De bijzondere curator kan via gesprekken met de minderjarige en haar ouders zicht krijgen op de belangen van de minderjarige. Tevens kan de bijzondere curator de minderjarige ondersteunen bij het voeren van gesprekken met haar ouders over de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken. Indien de minderjarige en haar ouders in deze gesprekken niet een gezamenlijke visie ontwikkelen over haar belang en de hierbij passende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kan de bijzondere curator de minderjarige ondersteunen bij het verzoek tot wijzigen van een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag (artikel 1:253a, tweede en vierde lid BW 1:377g BW).

Met betrekking tot de kosten overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 1:250 BW is gewijzigd bij de wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. Volgens de Nadere Memorie van Antwoord bij dit wetsvoorstel, 30145 E, p. 2, is niet in een bijzondere regeling voor de financiering van de bijzondere curator voorzien. Wel is de Wet op de rechtsbijstand van toepassing. Aan het kind wordt geen eigen bijdrage opgelegd. Om in aanmerking te komen voor toevoeging dient de bijzondere curator ingeschreven te zijn in het register van de Raad voor rechtsbijstand en dient zij vervolgens zelf een toevoeging aan te vragen.

De rechtbank zal mevr. Drs. J.M.I. Wessels, psycholoog, benoemen als bijzondere curator en haar opdragen om middels gesprekken met de minderjarige en haar ouders inzicht te krijgen in de belangen van de minderjarige als het gaat om de verdeling van de dagen die zij bij haar moeder en haar vader woont. Ook zou zij in deze gesprekken een bemiddelende rol kunnen spelen tussen de minderjarige en haar ouders.

Op de hierna te noemen pro forma zittingsdatum kan mevr. Wessels schriftelijk verslag uitbrengen. Zij dient aan de ouders uiterlijk een week voor die datum de rapportage te verstrekken, zodat de ouders zonodig op dezelfde pro forma datum tevens schriftelijk hun reactie aan de rechtbank kunnen doorgeven. De rechter zal zich vervolgens beraden over de vraag of in rechte een beslissing gegeven dient te worden op het verzoek van de minderjarige.

De beslissing

De rechtbank:

1. benoemt drs. J.M.I. Wessels, [adres], tot bijzondere curator over

[minderjarige], afwisselend wonend bij haar vader [adres] en haar moeder, [adres].

2. verwijst de zaak naar de pro forma zitting van 17 juni 2009 voor schriftelijke uitlating door de bijzondere curator en de schriftelijke reactie van de ouders.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, vice-president tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van R. van Zanden als griffier en in het openbaar uitgesproken opIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.