Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH9167

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
180118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De houder kan zichzelf niet tot bezitter maken. Dat betekent dat gedaagde niet door verjaring eigenaar van de strook grond kan zijn geworden.

Als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat gedaagde voor zichzelf hield en dus als bezitter heeft te gelden, komt de zaak niet anders te liggen.

Atrikel3:23 BW bepaalt dat het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet wordt aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zou zijn gekend. Dus ook al zou het zo zijn dat gedaagde de op de verdeling en levering betrekking hebbende stukken niet heeft gezien, wat overigens niet, althans onvoldoende is gesteld of gebleken, dan kan een beroep op de onbekendheid daarvan, gelet op het bepaalde in artikel 3:23 BW, hem niet baten.

Daarnaast heeft gedaagde gesteld dat hij zicht beroept op de bepalingen van de pachtwet.

Als al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een pachtovereenkomst, waarvan voorschands echter niet is gebleken, dan brengt dat nog niet mee dat gedaagde eigenaar zou zijn van het perceel.

Uit het voorgaande volgt dat voorshands niet aannemelijk is dat de vordering ter zake van de verkrijgende verjaring in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Evenmin is aannemelijjk dat voor recht zal worden verklaard dat de akte van verdeling van 18 mei 1992 nietig is. Dit betekent dat summierlijk niet is gebleken van de deugdelijkheid van de vorderingen die door gedaagde aan het beslag ten grondslag zijn gelegd. Het beslag dient daarom te worden opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 180118 / KG ZA 09-49

Vonnis in kort geding van 12 maart 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. V. van Dijken te Harderwijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R.J. Skála te Haren.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] en [gedaagde] hebben op 22 mei 1990 gezamenlijk het woonhuis met bijbehorende grond, gelegen te [woonplaats] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie C, perceel 630 en 632 in eigendom verkregen.

2.2. Op 18 mei 1992 is een akte van verdeling tussen [eiseres] en [gedaagde] opgemaakt door notaris mr. Louis Davina. In de akte is opgenomen dat voornoemde woning met bijbehorende grond (perceel 630 en 632) aan [eiseres] wordt toegedeeld.

2.3. [gedaagde] was gehuwd met de dochter van [eiseres]. [gedaagde] was eigenaar van de aangrenzende woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend, gemeente [woonplaats], sectie C, perceel 552 en 631, de voormalig echtelijke woning van [gedaagde] en de dochter van [eiseres]. Na de echtscheiding in april 2007 is de dochter van [eiseres] in de woning blijven wonen.

2.4. Op 24 september 2008 heeft [gedaagde] ten laste van [eiseres] conservatoir beslag gelegd op de woning met bijbehorende grond aan de [adres] te [woonplaats].

2.5. Op 16 oktober 2008 heeft [gedaagde] [eiseres] gedagvaard in de bodemprocedure en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat het noordelijke deel van perceel gemeente [woonplaats], sectie C nummer 632, eigendom is van [gedaagde] en voor recht te verklaren dat de akte van verdeling van 18 mei 1992 tussen partijen nietig is.

2.6. Bij vonnis in kort geding van 14 januari 2009 is bepaald dat de vorderingen van [gedaagde], zoals opgenomen in zijn dagvaarding van 16 oktober 2008 niet zijn te beschouwen als een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv, dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat uiterlijk op 19 oktober 2008 een eis in de hoofdzaak was ingesteld en dat het beslag van rechtswege is vervallen. [gedaagde] is bevolen het beslag te doen doorhalen. De vordering om [gedaagde] een verbod op te leggen om opnieuw ten laste van [eiseres] beslag(en) te leggen is afgewezen waarbij is overwogen:”In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding op te merken dat [gedaagde] bij een eventueel nieuw verzoek om beslagverlof dit vonnis onder de aandacht van de desbetreffende voorzieningenrechter dient te brengen.”

2.7. Op 20 januari 2009 heeft [gedaagde], na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter d.d. 19 januari 2009, ten laste van [eiseres] conservatoir beslag tot afgifte gelegd op het perceel grasland gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie C, nummer 632. Het beslag is op 21 januari 2009 aan het adres van de advocaat van [eiseres] betekend.

2.8. Op 2 februari 2009 heeft [gedaagde] [eiseres] gedagvaard in de bodemprocedure en in aanvulling op de dagvaarding van 16 oktober 2008 levering van het noordelijke deel van perceel 632 gevorderd.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - de opheffing van het op 20 januari 2009 gelegde conservatoir beslag tot afgifte, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert [eiseres], op straffe van een dwangsom, primair een verbod tot het opnieuw leggen van conservatoir (afgifte)beslag op de in de dagvaarding van 16 oktober 2008 genoemde gronden en subsidiair, in geval het gevorderde verbod wordt afgewezen,[gedaagde] te gebieden het kort geding vonnis van 14 janauri 2009 en dit vonnis over te leggen bij een eventueel nieuw verzoek tot beslagverlof.

3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door [gedaagde] gepretendeerde vordering in de hoofdzaak ondeugdelijk is. Niet aannemelijk is dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] door verkrijgende verjaring eigenaar van het noordelijke deel van perceel 632 is geworden, door de bodemrechter zal worden toegewezen. [gedaagde] kan niet worden aangemerkt als bezitter te goede trouw omdat hij op 18 mei 1992 zelf heeft meegewerkt aan de eigendomsoverdracht van (onder andere) perceel 632 aan [eiseres], door middel van de notariële akte van verdeling.

[gedaagde] heeft op dit moment het onderhavige perceelsgedeelte ook niet meer in zijn bezit. Volgens [eiseres] woont hij na de scheiding van haar dochter, althans in elk geval vanaf de datum van ondertekening van het echtscheidingsconvenant d.d. 25 januari 2007, niet meer in de voormalig echtelijke woning. Hij woont thans in de gemeente Putten.

3.3. Omdat volgens [eiseres] het beslag reeds dient te worden opgeheven omdat niet aannemelijk is dat in de hoofdzaak de vordering ter zake van de door [gedaagde] gepretendeerde eigendom van het perceel zal worden toegewezen, kan de andere vordering in de hoofdzaak, namelijk een verklaring voor recht dat de notariële akte van verdeling van 18 mei 1992 nietig is, in dit kort geding buiten de discussie tussen partijen blijven. Subsidiair, althans voor zover wel van belang voor de opheffing van het beslag, stelt [eiseres] dat niet aannemelijk is dat deze vordering door de bodemrechter zal worden toegewezen, onder meer omdat [gedaagde] zelf heeft meegewerkt aan de akte.

3.4. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Volgens art. 705 lid 2 Rv dient een beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, voldoende aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

4.2. [gedaagde] heeft in de bodemprocedure onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat het noordelijk deel van perceel 632 zijn eigendom is en veroordeling van [eiseres] tot medewerking aan de levering daarvan aan hem. [gedaagde] heeft zijn vordering gebaseerd op verkrijgende verjaring omdat hij vanaf 1990 onafgebroken bezitter te goeder trouw is geweest van het perceel. Hij is naar zijn zeggen bij de verdeling in 1992 ernstig benadeeld en heeft zich niet gerealiseerd dat met de verdeling de eigendom van perceel 632 is overgegaan op [eiseres], mede omdat hij het perceel in gebruik bleef houden voor het weiden van paarden. Het werd hem pas duidelijk in september 2008, toen hij navraag had gedaan bij de makelaar die in opdracht van [eiseres] het woonhuis aan de [adres] (perceel 630) en de daarbij behorende grond (perceel 632) te koop aanbood.

4.3. Vast staat dat [eiseres] en [gedaagde] op 22 mei 1990 gezamenlijk eigenaar zijn geworden van de percelen 630 en 632 te [woonplaats]. Vast staat ook dat bij notariële akte van verdeling d.d. 18 mei 1992 beide percelen zijn toegedeeld en geleverd aan [eiseres]. [gedaagde] heeft deze akte (mede) ondertekend. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] aan de totstandkoming van deze akte niet heeft meegewerkt. [gedaagde] liet, onweersproken, met toestemming van [eiseres] paarden weiden op het perceel en was na 18 mei 1992 houder voor [eiseres]. Artikel 3:111 BW bepaalt dat een houder uit zichzelf geen verandering kan brengen in zijn houderschap of de grondslag daarvan. De houder kan zichzelf dus niet tot bezitter maken. [gedaagde] moet dus worden beschouwd als houder voor [eiseres]. Dat betekent dat hij niet door verjaring eigenaar van de strook grond kan zijn geworden.

4.4. Als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat [gedaagde] voor zichzelf hield en dus als bezitter heeft te gelden, komt de zaak niet anders te liggen.

Dat [gedaagde] zich niet heeft gerealiseerd dat bij de verdeling in 1992 ook de eigendom van perceel 632 is overgegaan op [eiseres], zoals hij heeft gesteld, maakt niet dat hij als bezitter te goeder trouw kan worden aangemerkt. Artikel 3:23 BW bepaalt dat het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet wordt aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zou zijn gekend. Dus ook al zou het zo zijn dat [gedaagde] de op de verdeling en levering betrekking hebbende stukken niet heeft gezien, wat overigens niet, althans onvoldoende is gesteld of gebleken, dan kan een beroep op de onbekendheid daarvan, gelet op het bepaalde in artikel 3:23 BW, hem niet baten. [gedaagde] had, indien hij de registers had geraadpleegd, kunnen weten dat de eigendom van perceel 632 werd overgedragen aan [eiseres].

4.5. Daarnaast heeft [gedaagde] gesteld dat hij zich beroept op de bepalingen van de pachtwet, onder andere dat een verpacht perceel bij verkoop daarvan eerst aan de pachter, of naar analogie aan de gebruiker ([gedaagde]), moet worden aangeboden. Als al op grond van hetgeen door [gedaagde] is gesteld, zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een pachtovereenkomst, waarvan voorshands echter niet is gebleken, dan brengt dat nog niet mee dat [gedaagde] eigenaar zou zijn van perceel 632.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat voorshands niet aannemelijk is dat de vordering ter zake van de verkrijgende verjaring in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Evenmin is aannemelijk dat voor recht zal worden verklaard dat de akte van verdeling van 18 mei 1992 nietig is. [gedaagde] heeft geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit die nietigheid zou kunnen blijken, terwijl vast staat dat hij wel aan de akte heeft meegewerkt en deze heeft ondertekend. Dit betekent dat summierlijk niet is gebleken van de deugdelijkheid van de vorderingen die door [gedaagde] aan het beslag ten grondslag zijn gelegd. Het beslag dient daarom te worden opgeheven. De vordering zal worden toegewezen als na te melden, met dien verstande dat een iets langere termijn zal worden gesteld dan bij dagvaarding is gevorderd en het totaal van de gevorderde dwangsommen zal worden gemaximeerd.

4.7. De vordering om [gedaagde] te verbieden opnieuw conservatoir (afgifte) beslag te leggen op de in de dagvaarding van 16 oktober 2008 genoemde gronden, is eveneens toewijsbaar. [eiseres] heeft haar belang bij de toewijzing daarvan, voldoende aannemelijk gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen is summierlijk gebleken dat de door [gedaagde] gepretendeerde vorderingen ondeugdelijk zijn. Indien [gedaagde] voor dezelfde vorderingen opnieuw beslag zou leggen zou hij jegens [eiseres] misbruik van recht maken. Nu [gedaagde] bovendien geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen deze vordering zal die worden toegewezen als na te melden.

4.8. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.163,98

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het op 20 januari 2009 ten laste van [eiseres] op het perceel grasland aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie C, perceel C 632 gelegde conservatoir beslag tot afgifte op te heffen en datgene te doen waardoor de aantekening van beslaglegging in het Kadaster wordt doorgehaald,

5.2. verbiedt [gedaagde] conservatoir (afgifte) beslag te leggen op het perceel grasland gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie c, perceel 632, op grond van de in de dagvaarding van 16 oktober 2008 genoemde gronden tot het moment dat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist in de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde],

5.3. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. en 5.2. bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,-, tot een maximum van EUR 50.000,-,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.163,98,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen op 12 maart 2009.