Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH9159

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
174760
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres verwijt het ziekenhuis, in de kern genomen, dat het niet heeft gehandeld volgens de richtlijnen die gelden voor de opvang van slachtoffers van hoog-energetische ongevallen.

De rechtbank beveelt het ziekenhuis om bij zijn akte het traumaprotocol dat het ten tijde van de behandeling van eiseres hanteerde, alsmede het MIP-dossier, in het geding te brengen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 453
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2009/78 met annotatie van J.H. Hubben
JA 2009/85 met annotatie van A.J. Van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 174760 / HA ZA 08-1517

Vonnis van 11 maart 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. F.J. van Benthem,

tegen

de stichting

STICHTING GEZONDHEIDSZORG RIVIERENLAND,

gevestigd te Tiel,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.C. de Jong.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Stichting dan wel het ziekenhuis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 15 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 6 juni 2000 is [eiseres] een eenzijdig auto-ongeval overkomen. Zij is met haar auto van de weg geraakt en tegen een boom gereden. [eiseres] is vervolgens door een ambulance naar het ziekenhuis Rivierenland te Tiel (hierna: het ziekenhuis) gebracht, dat wordt geëxploiteerd door de Stichting. Zij is om 19.20 uur bij het ziekenhuis binnengekomen op de afdeling eerste hulp (SEH). Voorafgaand aan de binnenkomst van [eiseres] was het ziekenhuis door het ambulancepersoneel op de hoogte gesteld van haar komst en van het feit dat sprake was van een hoog energetisch ongeval.

2.2. [eiseres] is door de ambulancedienst vervoerd op een zogenaamd backboard. Haar hals en nek waren tijdens het vervoer gefixeerd met een halskraag en blokken en/of dekens. De verpleegkundige anamnese zoals vermeld op het verpleegkundig SEH-formulier - die neerkomt op hetgeen het ambulancepersoneel aan de verpleegkundigen op de SEH heeft medegedeeld -, luidt:

“Eenzijdig ongeval auto op kant.

commotiobeeld

pijn re-arm

pijn nek

hoofdwond

ooramputatie 2/3 li”

Bij ‘tijd binnenkomst’ staat op het SEH-formulier genoteerd: 19.20.

2.3. De door de arts-assistent, [voorletters] [arts-assistent], die toen aanwezig was, op het medisch SEH-formulier genoteerde anamnese luidt:

“Eenzijdig ongeval, auto op kant, pt. is eruit gekropen. Wschl. van weg geslipt. Weet zich ongeval niet te herinneren. Pijn a/d re. arm en in ambulance a/h re.been. Stuk uit het oor (li.) en forse hoofdwond. Heeft nog gelopen. sensibiliteit was goed. VG: Blanco”

Later die avond heeft de arts-assistent bij de anamnese nog genoteerd: “Nek: geen pijn”

2.4. Nadat [eiseres] op de SEH was binnengebracht, heeft de op dat moment dienstdoende chirurg [chirurg] haar linker oor, dat bij het ongeval gedeeltelijk was geamputeerd, gehecht. Ook is toen een hoofdwond behandeld en is er een circulair verband om het hoofd aangebracht. De halskraag is voor die ingreep losgemaakt en na die ingreep weer vastgemaakt.

2.5. Daarna is [eiseres] voor verdere diagnostiek naar de röntgenafdeling gebracht. De ‘uitslag onderzoek’ van de afdeling radiologie luidt onder meer:

“onderzoek w.k. totaal

Iets wigvormige afplatting mid-thoracaal.

De cervicothoracale overgang is niet te beoordelen.”

Op het verpleegkundig SEH-formulier staat onder het kopje “verpleegkundige diagnose” in het handschrift van de verpleegkundige [verpleegkundige] aangetekend:

“commotio

longcontusie li

vlgs radioloog cwk oké

mw zegt zeer pijnlijke nek te hebben”

Toen zij terugkwam van de röntgenafdeling klaagde [eiseres] over pijn in haar nek en ontstonden bij [eiseres] neurologische uitvalverschijnselen.

2.6. Om ongeveer 22:00 uur is [eiseres] gezien door de neuroloog [neuroloog]. Deze constateerde een dwarslaesiebeeld. Rond 23:00 uur die avond is een MRI-scan gemaakt.

2.7. Op het verpleegkundig SEH-formulier is onder ‘verpleegkundige overdracht’ genoteerd:

“(...) voelt haar benen niet.

Armen/benen kracht –

23 u => MRI

-> totale dwarslaesie C5-C6

- oor aangehecht

- hoofdwond

01.30 -> overplaatsing CWZ”

2.8. [eiseres] is die nacht (rond 1:30 uur, zo blijkt uit het verpleegkundig SEH-formulier) overgebracht naar het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen voor verdere behandeling.

2.9. De chirurgische overdracht van dr. [chirurg 2] d.d. 7 juni 2000 luidt onder meer:

“Bij binnenkomst op SEH waren er geen neurologische verschijnselen, benevens commotio cerebri en hematoom over linker oog. Aan thorax/abdomen en extremiteiten geen post-traumatische verschijnselen.

X-Thorax: longcontusiebeeld links

X-CWK: slechts tot/met C5 gefotografeerd

wegens neurologische uitvalverschijnselen werd MRI verricht: luxatie C5 ten opzichte van C6

Na + 45 min. op SEH waren de eerste neurologische uitvalsverschijnselen ontstaan.”

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de Stichting toerekenbaar tekort is geschoten in de behandeling van [eiseres] en dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de huidige situatie van [eiseres], bestaande uit een complete dwarslaesie, is toe te rekenen aan de Stichting, alsmede dat de Stichting gehouden is de schade tengevolge van de complete dwarslaesie te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander onder veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure en de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.

3.2. [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de behandeling op de SEH niet heeft voldaan aan de norm van artikel 7:453 BW. [eiseres] verwijt het ziekenhuis, in de kern genomen, dat het niet heeft gehandeld volgens de richtlijnen die gelden voor de opvang van slachtoffers van hoog-energetische ongevallen.

3.3. Voorafgaand aan de inleidende dagvaarding is op verzoek van [eiseres] een voorlopig getuigenverhoor gehouden. Bij dat voorlopige getuigenverhoor zijn de destijds aan het ziekenhuis verbonden artsen [neuroloog] (neuroloog), [voorletters] [arts-assistent] (arts-assistent), [ ] [chirurg] (chirurg) en [ ] [radioloog] (radioloog) gehoord. Ook zijn de destijds aan het ziekenhuis verbonden verpleegkundigen [twee verpleegkundigen] gehoord. Ten slotte is de zoon van [eiseres] gehoord, [zoon van eiseres]

3.4. Aan de hand van het medisch dossier en de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd, heeft [eiseres] een aantal concrete verwijten aan het ziekenhuis geformuleerd. [eiseres] heeft aangevoerd dat:

- ten onrechte het ABCD-onderzoek inclusief neurologisch onderzoek niet is afgerond voordat het oor werd aangehecht;

- ten onrechte de fixatie van de nek is opgeheven om het oor aan te hechten en een circulair verband om het hoofd aan te brengen, voordat volledig neurologisch onderzoek was gedaan en foto’s waren gemaakt van de nek. Bij zowel het hechten als het aanbrengen van het verband moet het hoofd zijn bewogen.

- ten onrechte de röntgenfoto’s zijn gemaakt zonder halskraag, zodat daarvoor de fixatie van de nek wederom is opgeheven voordat het onderzoek naar nekletsel was afgerond;

- de röntgenfoto volgens de beoordelaars daarvan een onvolledig beeld gaf, maar dat desondanks de nek is vrijgegeven (“CWK oké”);

- ten onrechte niet meteen nadat gebleken was dat de röntgenfoto een onvolledig beeld gaf, aanvullende diagnostiek is verricht door middel van een MRI-scan, terwijl daar wel een indicatie voor was;

- op de röntgenfoto’s bij zorgvuldige bestudering wel degelijk letsel aan de cervicale wervelkolom zichtbaar was, hetgeen ten onrechte niet is opgemerkt;

- sprake is geweest van onnodig tijdverlies op de SEH, terwijl tijd bij de behandeling van het letsel van [eiseres] van groot belang was;

- zij is overgetild voor het maken van de MRI-scan en dat bij het maken van die scan haar hoofd met de handen is gefixeerd.

3.5. De Stichting heeft verweer gevoerd. Zij heeft betwist dat zij niet zou hebben gehandeld met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener onder de omstandigheden mocht worden verwacht. Zij heeft aangevoerd dat bij aankomst op de SEH wel neurologisch onderzoek is verricht. Verder heeft zij gesteld dat sprake was van een forse bloeding aan het oor. Zij heeft betwist dat de nek gemanipuleerd is tijdens het hechten van het oor; volgens de Stichting is het hoofd van [eiseres] tijdens die ingreep manueel gefixeerd. Omdat gesteld noch gebleken is, volgens de Stichting, dat [eiseres] toen al uitval of gevoelsstoornissen had, heeft zij bovendien betwist dat het hechten van het oor en het in verband daarmee losmaken van de nekkraag van invloed is geweest op het ontstaan van de dwarslaesie. De Stichting heeft betwist dat tijdens het maken van de röntgenfoto de nekkraag is afgedaan. Volgens de Stichting staat vast dat op de röntgenfoto geen afwijkingen waarneembaar waren. Het beoordelen van een dergelijke foto met wijsheid achteraf is bovendien wat anders dan de beoordeling op het moment zelf. De Stichting heeft gesteld dat voorzover ten onrechte de cervicale wervelkolom is vrijgegeven, dat niet echt relevant is omdat [eiseres], direct nadat de halskraag was losgemaakt, klaagde over erge pijn in haar nek en de halskraag daarop meteen weer is vastgemaakt. Het tijdverloop gedurende de avond is volgens de Stichting niet aan haar te verwijten. Verder heeft zij betwist dat zij het letsel waarvoor [eiseres] vergoeding vordert had kunnen voorkomen. Volgens de Stichting is dit letsel niet zozeer het gevolg van de behandeling die [eiseres] op de SEH heeft ondergaan, maar veeleer het gevolg van de aanrijding.

3.6. Alvorens verder zal worden beslist, geldt het volgende. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij het ziekenhuis heeft gevraagd om een afschrift van het destijds geldende protocol voor trauma-opvang, maar dat zij dat niet heeft gekregen en dat zij er daarom vanuit gaat dat het handelen van het ziekenhuis dient te worden beoordeeld aan de hand van de ATLS-methode, de wereldwijd geldende gouden standaard voor trauma-opvang. Ter zitting is duidelijk geworden dat het ziekenhuis destijds werkte met het protocol van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna: UMCU), dat overeenstemt met de ATLS-methode. Ook volgens het ziekenhuis is de ATLS-methodiek de gouden standaard bij trauma-opvang en de ten tijde van het ongeval gangbare methodiek. Bij de beoordeling van het handelen van het ziekenhuis is het protocol relevant. De rechtbank zal daarom het ziekenhuis op grond van artikel 22 Rv bevelen dit protocol in het geding te brengen. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van het ziekenhuis. [eiseres] zal daarop mogen reageren.

3.7. [eiseres] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat alle MIP-gegevens door het ziekenhuis moeten worden overgelegd. Zij heeft al in het geding gebracht het meldingsformulier incidenten patiëntenzorg (productie 7 bij dagvaarding) en het verslag van de bijeenkomst ter afsluiting van de casus mevrouw [eiseres] d.d. 5 juli 2001 (productie 8 bij dagvaarding). Zij heeft echter gesteld dat er meer gegevens moeten zijn en dat het ziekenhuis in dit geval - gezien de ernstige gevolgen die de gang van zaken voor haar heeft gehad - die gegevens in het geding dient te brengen.

3.8. De rechtbank zal op grond van artikel 22 Rv het ziekenhuis bevelen het MIP-dossier bij haar akte in het geding te brengen. Zo het ziekenhuis dat zou weigeren, dient het bij akte gemotiveerd aan te geven op welke gewichtige redenen het zich beroept (zie artikel 22 Rv). [eiseres] zal ook hierop bij haar akte kunnen reageren.

3.9. Bij brief van 20 januari 2009 heeft de advocaat van [eiseres] nadere stukken aan de rechtbank en de advocaat van het ziekenhuis toegezonden. [eiseres] wordt verzocht deze stukken bij haar akte in het geding te brengen, zodat zij deel uitmaken van het procesdossier. De rechtbank gaat er van uit dat (de advocaat van) het ziekenhuis deze brief met bijlagen reeds heeft ontvangen. Desgewenst zal het ziekenhuis daarop ook bij zijn thans te nemen akte kunnen reageren.

3.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

beveelt het ziekenhuis om bij zijn akte het traumaprotocol dat het ten tijde van de behandeling van [eiseres] hanteerde, alsmede het MIP-dossier, in het geding te brengen,

verwijst de zaak naar de rol van 8 april 2009 voor akte aan de zijde van het ziekenhuis, als bedoeld in de rechtsoverwegingen 3.6, 3.8 en 3.9.,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2009.