Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH8970

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/3152
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Schending hoorplicht. Desondanks toepassing 8:72, derde lid, van de Awb. Rechtsgevolgen in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3152

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 18 maart 2009

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Voets,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 mei 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2007 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij met ingang van 22 februari 2007 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 5 december 2007 gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 februari 2009. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel, werkzaam bij UWV Arnhem.

3. Overwegingen

Eiseres is op 31 oktober 1995 met psychische klachten uitgevallen uit haar maatgevende arbeid als taxichauffeur. Met ingang van 29 oktober 1996 (einde wachttijd) heeft verweerder aan eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 7 maart 2005 heeft verweerder na een herbeoordeling de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 8 mei 2005 ingetrokken. Deze herbeoordeling vond plaats op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSb), zoals dat met ingang van 1 oktober 2004 is gaan gelden. De door eiseres gemaakte bezwaren tegen voormeld besluit zijn ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.

Aangezien eiseres op 1 juli 2004 ouder dan 45 jaar was, heeft verweerder een herbeoordeling verricht op grond van het oude Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (oSb) zoals dat tot 1 oktober 2004 gold teneinde de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 vast te stellen. Dit heeft geleid tot het thans bestreden besluit.

Ten aanzien van de omvang van het geding overweegt de rechtbank allereerst als volgt.

Eiseres stelt in bezwaar dat verweerder middels het bestreden besluit geweigerd heeft om de beslissing op bezwaar van 2 augustus 2005 te herzien waarbij eiseres op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is afgeschat. Verweerder heeft dit verzoek in het bestreden besluit afgewezen. Nu dit onderdeel van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank een primair besluit is, zal het beroep voor zo ver het zich richt tegen dit onderdeel van het besluit niet-ontvankelijk worden verklaard en zal verweerder het beroepschrift in zoverre als bezwaarschrift moeten behandelen. De rechtbank zal met toepassing van artikel 6:15 van de Awb het beroepschrift aan verweerder doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift.

Eiseres stelt voorts dat zij tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om ter hoorzitting mondeling te worden gehoord.

Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, de belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling bestaat de mogelijkheid om, alvorens een uitnodiging wordt verzonden, telefonisch contact met de indiener van het bezwaarschrift te zoeken om een en ander te vragen en verduidelijkt te krijgen, waarbij het goed voorstelbaar is dat de indiener van het bezwaarschrift in dat gesprek laat weten geen behoefte te hebben aan het horen.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien deze hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan het bestuursorgaan op vele manieren vaststellen of de indiener van een bezwaarschrift geen gebruik wenst te maken van dit recht. Dit kan bijvoorbeeld geschieden in antwoord op een telefonisch gestelde vraag of in reactie op een schriftelijke uitnodiging.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) vormt het recht van een belanghebbende om te worden gehoord een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Daarnaast heeft de CRvB onder meer overwogen dat de beslissing van de belanghebbende om geen gebruik te maken van het recht te worden gehoord in elk geval dient te berusten op diens ‘informed consent’ (zie CRvB van 17 oktober 2000, LJN: ZB9019, JB 2000/354) en bij de geringste twijfel hierover verhindert dat van het horen kan worden afgezien (zie CRvB van 4 juli 2003, LJN: AI1113).

Verweerder geeft in de brief van 19 maart 2008 aan dat nadat de bezwaarverzekeringsarts het medisch gedeelte van het bezwaar heeft overwogen met eiseres contact wordt opgenomen over een eventuele hoorzitting. Uit de gedingstukken is echter niet gebleken van een telefonisch of schriftelijk contact van de zijde van de UWV zoals eiseres was toegezegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV eiseres aldus niet op voldoende wijze in de gelegenheid gesteld van het recht om te worden gehoord gebruik te maken. Mogelijke twijfel omtrent de intentie van eiseres is niet weggenomen en het bestreden besluit is dan ook tot stand gekomen zonder dat eiseres in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren mondeling toe te lichten zoals artikel 7:2, eerste lid en 7:3, aanhef onder c, van de Awb bepaalt.

Nu het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 7:2 van de Awb, zal de rechtbank derhalve het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank voegt hieraan toe dat eiseres inmiddels in beroep - zoals zij ter zitting zelf heeft aangegeven - alles naar voren heeft kunnen brengen wat zij op een hoorzitting bij het UWV had willen opmerken. De rechtbank ziet zich dan ook vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt als volgt.

Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is, kort weergegeven, degene die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 85% te verdienen van het inkomen dat een met hem of haar wat betreft opleiding en arbeidservaring vergelijkbare gezonde persoon (de maatman) kan verwerven.

Eerst dient te worden vastgesteld welke medische beperkingen betrokkene heeft en welke algemeen geaccepteerde arbeid betrokkene, rekening houdend met die beperkingen, kan verrichten. Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen moet vervolgens een vergelijking worden gemaakt tussen het inkomen dat de betrokkene met algemeen geaccepteerde arbeid kan verdienen en het maatgevende inkomen.

Eiseres heeft gesteld dat zij verdergaand beperkt had moeten worden geacht dan door verweerder is aangenomen.

Verweerder heeft zijn standpunt aangaande de belastbaarheid van eiseres doen steunen op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick van 14 april 2008 waarin de uitkomst van het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek is neergelegd, alsmede op het in beroep overgelegde rapport van 8 januari 2009.

De rechtbank acht geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Verweerder mocht derhalve uitgaan van de juistheid daarvan en heeft dusdoende op goede gronden en terecht geoordeeld dat per datum in geding geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die per 22 februari 2007 worden aangenomen en zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 mei 2008. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in het rapport van 14 april 2008 uitvoerig de klachten van eiseres en de zich in het dossier bevindende medische stukken weergegeven. Bij de heroverweging heeft de bezwaarverzekeringsarts de overigens voorhanden medische stukken, zoals de brieven van reumatoloog M.H.W. de Bois van 26 november 2007 en internist-oncoloog R. Vriesendorp van 22 januari 2008 en de door de bezwaarverzekeringsarts zelf bij de huisarts J.E.H. Verbeeten ingewonnen inlichtingen betrokken. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts eiseres lichamelijk onderzocht. Op basis van de medische gegevens ziet de bezwaarverzekeringsarts reden om verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van de items 4.14 ‘tillen en dragen’, 4.15 ‘frequent lichte voorwerpen hanteren’, 5.2 ‘zitten’, 5.4 ‘staan’ en 5.5 ‘geknield of gehurkt actief zijn’, en past de FML daartoe aan op 6 mei 2008. Ook het door eiseres ingebracht rapport van reumatoloog G.M. Steup-Beekman van 23 oktober 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn heroverwegingen meegenomen alsmede het feit dat eiseres fysiotherapie volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts relevante aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres heeft gemist.

Het betoog van eiseres dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest nu de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van het voorkomen van eiseres op een te positief beeld is gebaseerd, treft gezien voorstaande geen doel. De rechtbank overweegt daarbij dat het tot de taak van de bezwaarverzekeringsarts behoort om ook de psychische gesteldheid en presentatie tijdens lichamelijk onderzoek vast te stellen. Ook de stelling van eiseres dat zij vanaf 1996 al geruime tijd volledig arbeidsongeschikt is, doet daar volgens de rechtbank niet aan af.

Nu de rechtbank geen twijfels heeft aan de door verweerder vastgestelde belastbaarheid ziet de rechtbank geen aanleiding om een onderzoek door een onafhankelijke deskundige te gelasten, zoals eiseres heeft verzocht.

Geoordeeld moet worden dat eiseres op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid.

In het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek zijn functies geduid die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, te weten archiefmedewerker/medewerker bibliotheek (sbc-code 315130), wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en magazijn/ expeditiemedewerker (sbc-code 111220). De functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder deze functies onterecht heeft geduid, overweegt de rechtbank dat in de rapporten van de arbeidsdeskundigen J.J.C. Huiberts van 20 november 2007 en C. Bos van 30 januari 2008 en bezwaararbeidsdeskundige M.P.M. Jacobi-Verstegen van 25 mei 2008 op begrijpelijke wijze uiteen is gezet, dat wat betreft afwisseling in zitten, staan en lopen betreft, er geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid als weergegeven in de door de rechtbank onderschreven FML.

Nu met het voormeld rapport van bezwaararbeidsdeskundige alsnog voldoende inzicht is geboden in de grondslag van verweerders conclusie dat uit het arbeidsdeskundig onderzoek blijkt dat eiseres met de in beroep geduide functies een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd, zal de rechtbank de rechtsgevolgen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand laten.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op

€ 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 2 augustus 2005 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor het overige gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de weigering om per 22 februari 2007 een WAO-uitkering toe te kennen en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644

en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 18 maart 2009