Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH8959

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/4590
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leefgeldregeling van de gemeente Wageningen ten behoeve van vreemdelingen die vallen onder de Regeling afwikkeling oude Vreemdelingenwet (“Generaal Pardon”) berust op een publiekrechtelijke grondslag. Besluiten op basis van deze regeling zijn besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4590

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 18 maart 2009

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 september 2008, verzonden op 17 september 2008.

2. Procesverloop

Op 3 januari 2008 heeft eiser een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor leefgeld en huisvesting.

Bij besluit van 28 januari 2008 is dit verzoek afgewezen.

Hiertegen heeft eiser bij schrijven van 30 januari 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 februari 2008 is het eerdergenoemde verzoek toegewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 februari 2009. De behandeling is gevoegd met de zaken bij de rechtbank bekend onder de registratienummers AWB 08/2982, 08/3872, 08/4873, 08/2980, 08/3557 en 08/4593. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. De Roo voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart en mr. M.M.A. Rijnders, beiden werkzaam bij verweerders gemeente. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt daarin afzonderlijk uitspraak gedaan.

3. Overwegingen

Bij besluit van 28 januari 2008 is het verzoek om eiser in aanmerking te brengen voor leefgeld en huisvesting afgewezen op de grond dat eiser niet kon aantonen dat hij vanaf 1 januari 2007 woonachtig is geweest in verweerders gemeente.

Bij besluit van 19 februari 2008 is hetzelfde verzoek toegewezen, omdat verweerder het aan de hand van de door eiser overgelegde gegevens aannemelijk acht dat hij vanaf 1 januari 2007 in de gemeente Wageningen verblijf heeft gehouden.

Standpunt van verweerder

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de regeling rond het leefgeld zelf door de gemeente Wageningen in het leven is geroepen en daarom een buitenwettelijke regeling is. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat de besluiten van 28 januari 2008 en 19 februari 2008 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat er geen publiekrechtelijke grondslag bestaat voor de regeling waarop de verstrekking van het leefgeld gebaseerd is. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

Standpunt van eiser

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de besluiten van 28 januari 2008 en 19 februari 2008 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Eiser heeft betoogd dat verweerder het bezwaar gegrond had dienen te verklaren en het in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, had moeten toewijzen.

Leefgeldregeling

Op 19 december 2007 heeft de raad van de gemeente Wageningen (verder: de raad) – gelezen het voorstel van verweerder – het besluit genomen eenmalig een bedrag vrij te maken voor de financiële noodopvang (leefgeld), gebaseerd op de beslagvrije voet met aftrek van huisvestingskosten, over de periode van 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 van personen die voldoen aan de volgende toetsingsvoorwaarden:

- de persoon komt naar alle waarschijnlijkheid in aanmerking voor de “Generaal Pardon”-regeling; én

- de persoon is vanaf 1 januari 2007 woonachtig in Wageningen, doch valt niet onder een COA regeling; én

- de persoon (of zijn verzorgende ouder) heeft zich inmiddels bij de gemeente Wageningen gemeld voor een bijstandsuitkering; én

- de persoon kan niet zelf in het levensonderhoud voorzien en verkeert in financiële nood.

Het vorenstaande wordt hierna aangeduid als: de Leefgeldregeling.

Gelet op het bepaalde in artikel 147, tweede lid, van de Gemeentewet, in verbinding met artikel 108, eerste lid, van die wet, overweegt de rechtbank dat de Leefgeldregeling gebaseerd is op de autonome regelgevende bevoegdheid van de raad. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat gemeenten de plicht hebben zorg te dragen voor de huisvesting van vreemdelingen die vallen onder de Regeling afwikkeling oude Vreemdelingenwet, ook wel de “Generaal Pardon”-regeling genoemd. Hierbij wordt verwezen naar de aan de gemeenten in dit verband opgelegde taakstelling (Kamerstukken II, 2007 2008, 31 018, nr. 37) en de tussen het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gemaakte afspraken (Kamerstukken II, 2006-2007, 31 018, nr. 1). Gelet hierop was de raad naar het oordeel van de rechtbank bevoegd de Leefgeldregeling en het daaraan verbonden rechtsgevolg in het leven te roepen.

Blijkens het voorstel van verweerder op grond waarvan de raad genoemd besluit heeft genomen, vindt de uitvoering van de Leefgeldregeling plaats door de afdeling Sociale Zaken. Deze afdeling ressorteert onder verweerder.

Verweerder heeft zich beroepen op de uitspraak van deze rechtbank van 28 oktober 2008, met registratienummer AWB 08/2889.

Het vorenstaande in overweging nemend, is de rechtbank – anders dan in bovenstaande uitspraak – thans van oordeel dat de Leefgeldregeling onmiskenbaar berust op een publiekrechtelijke grondslag. Derhalve zijn de besluiten van 28 januari 2008 en 19 februari 2008 aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Nieuw besluit hangende bezwaar

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 19 februari 2008 valt binnen de grondslag en de reikwijdte van het besluit van 28 januari 2008, zodat dit besluit geacht wordt een wijzigingsbesluit te zijn in de zin van artikel 6:18 van de Awb.

Met het eerstgenoemde besluit heeft verweerder het laatstgenoemde besluit ingetrokken. Op grond van artikel 6:18, eerste lid van de Awb was verweerder daartoe bevoegd, ondanks het aanhangige bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2008.

Vervolgens moet de rechtbank constateren dat verweerder met het besluit van 19 februari 2008 volledig aan het bezwaar van eiser is tegemoetgekomen, zodat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het bezwaar in zoverre niet langer mede tegen dat besluit was gericht.

Kosten in verband met de behandeling van het bezwaar

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingname dat hij, ondanks de totstandkoming van het besluit van 19 februari 2008, belang heeft gehouden bij de vaststelling in bezwaar van de rechtmatigheid van het - ingetrokken - besluit van 28 januari 2008.

Noch uit artikel 6:19, derde lid, van de Awb, noch uit artikel 7:11, tweede lid, van de Awb vloeit voort dat aan een beslissing op een verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar steeds gegrondverklaring van dat bezwaar of vernietiging van het in bezwaar bestreden besluit vooraf dient te gaan. Gelet op de systematiek van artikel 7:15, derde lid, van de Awb kan en dient het bestuursorgaan bij de

- afzonderlijke - beslissing op een dergelijk verzoek te erkennen dan wel - zoals in casu - te betwisten dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt onrechtmatig was. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 2005, LJN: AT7365.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser geen belang meer had bij het bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2008, zodat verweerder het tegen dat besluit gemaakte bezwaar terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder naar aanleiding van eisers verzoek om in aanmerking te komen voor huisvesting en leefgeld onderzoek heeft verricht en eiser op 16 januari 2008 heeft gehoord. Op basis van de hem op 28 januari 2008 bekende gegevens heeft verweerder het aannemelijk geacht dat eiser pas vanaf maart 2007 in Wageningen verblijft. Hierop heeft verweerder het besluit van 28 januari 2008 genomen.

Nadien is door [naam coördinator], coördinator van de stichting Vluchteling Onder Dak, bij schrijven van 15 februari 2008 verklaard dat eiser vanaf 1 januari 2007 in Wageningen woonachtig is.

Blijkens de aan het besluit van 19 februari 2008 ten grondslag liggende rapportage heeft verweerder met name op grond van deze verklaring aanleiding gezien eiser alsnog in aanmerking te brengen voor leefgeld en huisvesting. De verklaring van [naam coördinator] dateert van na het besluit van 28 januari 2008. Reeds daarom is laatstgenoemd besluit niet herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het verzoek om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, terecht heeft afgewezen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen en betogen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van

J.M.A. Koster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 18 maart 2009