Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH5981

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
173079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of het recht van eiseres op een uitkering uit hoofde van het Inkomenszekerheidsplan op 8 januari 2001 is verjaard. Daarbij staat voorop dat de beantwoording van die vraag moet geschieden naar oud recht nu het huidige verzekeringsrecht pas op 1 januari 2006 in werking is getreden en de nieuwe wet geen verandering brengt in situaties waarin de verjaringstermijn reeds was verstreken op het moment van inwerkingtreding van die nieuwe wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 173079 / HA ZA 08-1266

Vonnis van 4 maart 2009

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. G.J.J.A. van Haeften te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap

OHRA SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Ohra genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 20 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is op 1 september 1998 in dienst getreden bij Nivel (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg).

2.2. Nivel had ten behoeve van haar werknemers een collectieve (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Ohra onder polisnummer 0204426-0420-0001. Het betrof een zogenaamd Inkomenszekerheidsplan Marktvariant (hierna te noemen het Inkomenszekerheidsplan).

2.3. Op het door Nivel bij Ohra afgesloten Inkomenszekerheidsplan waren de Voorwaarden Inkomen Zekerheidsplan model IZ9902 van toepassing. Hiertoe behoorden onder meer de volgende bepalingen:

ARTIKEL 7

SCHADE-ERKENNINGSPROCEDURE

(…)

e. elke aanspraak op een uitkering verjaart door het verstrijken van een periode van één jaar. Een melding van ziekte en/of arbeidsongeschiktheid na deze periode, vanaf de eerste datum van ziekte, leidt derhalve niet tot uitkering van de arbeidsongeschiktheidsrente en/of werkloosheidsaanvulling.

(…)

ARTIKEL 12

VERPLICHTINGEN BIJ ARBEIDSONGESCHIKTHEID EN WERKLOOSHEID

a. De verzekerde is verplicht bij ziekte of arbeidsongeschiktheid:

1. (…)

2. direct na zes weken na de eerste verzuimdag aan Ohra mededeling te doen of via de Arbodienst te laten doen, van de ontstane en nog aanwezige arbeidsongeschiktheid op het daarvoor bestemde aangifteformulier;

(…)

b. U bent gehouden de onder lid a. van dit artikel genoemde verplichtingen, voorzover de verzekerde daaraan niet heeft voldaan, na te (laten) komen voor zover dit met inachtneming van de wetgeving in uw vermogen ligt en alle inlichtingen, gegevens en risicowijzigingen, als omschreven in artikel 20 van deze voorwaarden, aan Ohra of een door haar aangewezen derde volledig en naar waarheid te verstrekken.

c. Geen recht op uitkering en/of premievrijstelling bestaat, als u en/of de verzekerde één of meer van deze verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van Ohra hebben geschaad. Ohra behoudt zich het recht voor eventueel ten onrechte verstrekte uitkeringen terug te vorderen. Voor zover deze bepalingen van toepassing zijn op nog in te gane uitkeringen, vervalt elk recht op uitkering als u en/of de verzekerde de betreffende verplichtingen niet nakomen of niet zijn nagekomen.

2.4. Per 8 januari 2000 is [eiseres] arbeidsongeschikt geraakt. Met ingang van 8 januari 2001 heeft zij een WAO-uitkering ontvangen waarbij werd uitgegaan van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. Deze WAO-uitkering is op 8 juli 2002 omgezet in een lagere vervolguitkering, nog steeds uitgaande van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. [eiseres] ontvangt deze uitkering nog steeds. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is ongewijzigd gebleven.

2.5. [eiseres] heeft op 26 maart 2007 telefonisch contact opgenomen met Ohra en aangegeven aanspraak te maken op uitkering uit hoofde van het Inkomenszekerheidsplan zoals dat door Nivel bij Ohra was afgesloten. Ohra weigert tot uitkering over te gaan.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert na vermeerdering van eis samengevat - nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het Inkomenszekerheidsplan alsmede verklaringen van recht met betrekking tot de gehoudenheid van Ohra tot betaling uit hoofde van dat Inkomenszekerheidsplan vanaf 8 juli 2002 tot op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarin [eiseres] de overeengekomen eindleeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim.

3.2. [eiseres] heeft hieraan ten grondslag gelegd de stelling dat het door Nivel met Ohra afgesloten Inkomenszekerheidsplan dekking biedt voor een WAO aanvullende arbeidsongeschiktheidsrente die opeisbaar is vanaf de datum van ingang van de vervolguitkering WAO. [eiseres] heeft gesteld dat zij de vervolguitkering WAO ontvangt vanaf 8 juli 2002 en dat Ohra daarom gehouden is vanaf 8 juli 2002 maandelijks aan [eiseres] WAO aanvullende arbeidsongeschiktheidsrente-uitkeringen te doen.

3.3. Ohra voert verweer. Het meest vergaande verweer betreft een beroep op verjaring. Ohra verwijst in dit verband naar artikel 7 sub e van de polisvoorwaarden. De mogelijke aanspraak op uitkering is volgens Ohra verjaard met ingang van 8 januari 2001. Daarnaast heeft Ohra er op gewezen dat in artikel 12 van de polisvoorwaarden een vervalbeding is opgenomen. Nu niet binnen zes weken na de eerste verzuimdag melding is gemaakt van de arbeidsongeschiktheid en Ohra door de (veel) te late melding van [eiseres] in haar belangen is geschaad, is het recht op uitkering komen te vervallen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of het recht van [eiseres] op een uitkering uit hoofde van het Inkomenszekerheidsplan op 8 januari 2001 is verjaard. Daarbij staat voorop dat de beantwoording van die vraag moet geschieden naar oud recht nu het huidige verzekeringsrecht pas op 1 januari 2006 in werking is getreden en de nieuwe wet geen verandering brengt in situaties waarin de verjaringstermijn reeds was verstreken op het moment van inwerkingtreding van die nieuwe wet. Dit betekent dat in elk geval ook niet van toepassing is, zoals [eiseres] in haar dagvaarding suggereert, artikel 7:942 lid 1 BW. In dat artikel wordt de verjaringstermijn gekoppeld aan de bekendheid van de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan. Bekendheid met de opeisbaarheid van de uitkering is geen voorwaarde voor de verjaring in het onderhavige geval. De verjaring dient namelijk in beginsel te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 3:307 Burgerlijk Wetboek. Nu dit artikel van regelend recht is, konden partijen daarvan afwijken. Dit is ook gebeurd zoals blijkt uit artikel 7 sub e van de polisvoorwaarden. Dit artikel dat een bijzondere bepaling bevat voor de verjaringtermijn kent in elk geval ook geen bekendheidsvereiste.

4.2. Een en ander leidt tot de conclusie dat onbekendheid van [eiseres] ten aanzien van (de mogelijkheid van) de opeisbaarheid van de uitkering niet van belang is voor het antwoord op de vraag of haar vorderingsrecht is verjaard. In het midden kan dan ook blijven of [eiseres], zoals zij stelt en door Ohra wordt betwist, pas op 7 maart 2007 bekend werd met het bestaan van het Inkomenszekerheidsplan.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de verjaringstermijn volgens artikel 7 sub e van de polisvoorwaarden één jaar bedroeg vanaf de eerste dag van ziekte. Nu de ziekte van [eiseres] is aangevangen op 8 januari 2000 leidt het voorgaande tot de conclusie dat haar eventuele vorderingsrecht uit hoofde van het Inkomenszekerheidsplan is verjaard op 8 januari 2001.

4.4. Ter comparitie heeft [eiseres] nog naar voren gebracht dat Ohra naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toe komt op artikel 7 sub e van de polisvoorwaarden. De omstandigheden die daarbij volgens haar een rol spelen zijn de onbekendheid met het bestaan van de verzekering aan haar zijde en de eigen verplichting van Ohra om verzekerden te informeren over het bestaan van de verzekering. Verder dient hier volgens haar bij meegenomen te worden dat de bepalingen in het huidige verzekeringsrecht, waar bekendheid met het bestaan van een verzekering wel van belang is voor de verjaring, mede is ingegeven door het feit dat verzekeraars in het verleden te veel ruimte hadden om korte termijnen te bedingen. Bovendien moet er volgens [eiseres] ook worden gekeken naar de wederzijdse belangen van partijen. Zij stelt dat haar, gelet hierop, alsnog een beroep toekomt op uitkering uit hoofde van de verzekering op gelijke wijze is aangenomen in het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2007, NJ 2008, 57 (Tros-arrest).

4.5. In deze stellingen kan [eiseres] echter niet worden gevolgd. Ohra heeft ter comparitie onbetwist gesteld dat zij niet beschikte over de adresgegevens van verzekerden en dat zij dan ook niet zelf in staat was om verzekerden te informeren over het Inkomenszekerheidsplan. Met Ohra kan verder worden aangenomen dat het eerst en vooral de verplichting van Nivel was om [eiseres] over het bestaan van het Inkomenszekerheidsplan in te lichten. Als niet betwist staat vast dat Nivel zelf een vermelding van het bestaan daarvan in de personeelsgids voldoende achtte. [eiseres] heeft erkend dat zij die personeelsgids, door haar genoemd kwaliteitsgids, bij indiensttreding heeft ontvangen. [eiseres] kan dan thans ook niet aan Ohra tegenwerpen dat zij op het punt van de bekendmaking van het bestaan van de verzekering tekort is geschoten. [eiseres] had in elk geval ook zelf van het bestaan op de hoogte kunnen raken indien zij de personeelsgids had geraadpleegd.

4.6. Ambthalve wordt opgemerkt dat, nu de verjaringstermijn in artikel 7 sub e van de polisvoorwaarden niet korter is dan één jaar, niet kan worden geconcludeerd dat de desbetreffende bepaling onredelijk bezwarend is. Een beroep op het bepaalde in artikel 6:236 sub g Burgerlijk Wetboek zou [eiseres] dan ook niet hebben geholpen.

4.7. Aan [eiseres] kan wel worden toegegeven dat de verjaringstermijn van één jaar erg kort is en dat daarom van Ohra enige soepelheid mag worden verwacht bij een beroep op die termijn. Ohra pleegt dit overigens ook te doen, zoals zij zelf stelt. Dit betekent echter niet dat van Ohra kan worden verwacht dat zij die termijn met jaren verlengt. In dit verband is ook van belang dat Ohra gemotiveerd heeft gesteld dat zij belang heeft bij een tijdige melding van de ziekte. Dit is niet alleen omdat zij zelf betrokken wil worden bij de beoordeling van de klachten en de behandeling maar ook omdat zij in staat wil zijn risico’s in te schatten en reserveringen te doen voor toekomstige uitkeringen. Als niet betwist staat vast dat Ohra in het verleden een bijzondere voorziening had voor niet gemelde aanspraken maar dat deze inmiddels is komen te vervallen. Verder bestond er een herverzekering voor 50% van de uitkeringen maar ook die bestaat niet meer.

Indien het belang van Ohra bij een tijdige melding wordt afgewogen tegen het belang van [eiseres] om nu alsnog aanspraak te kunnen maken op een uitkering, kan niet worden geconcludeerd dat een beroep op het verstrijken van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.8. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de vergelijking die [eiseres] maakt met de situatie die ten grondslag lag aan het Tros-arrest niet opgaat. In dit arrest ging het om een beroep op een vervalbeding. Zoals Ohra terecht heeft opgemerkt vindt verval plaats van rechtswege terwijl verjaring kan worden gestuit. Bij de toepassing van een vervalbeding past dan ook meer terughoudendheid dan bij een beroep op verjaring. Daarbij wordt aangetekend dat die terughoudendheid ook weer niet zover gaat dat een beroep op een vervalbeding in het geheel niet mogelijk zou zijn indien de verzekeraar, zoals ook in dit geval, door de te late melding van de ziekte in zijn redelijk belang is geschaad. In dat opzicht kan worden verwezen naar hetgeen daaromtrent is overwogen onder 4.6.

4.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.

4.10. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ohra worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Ohra tot op heden begroot op EUR 1.158,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [eiseres] in de nakosten, aan de zijde van Ohra bepaald op EUR 131,00 voor (na)salaris procureur, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,00 voor (na)salaris procureur en de daadwerkelijke betekeningskosten,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2009.