Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH5612

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-01-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/2286
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verder terugwerkende kracht dan één jaar; bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ?

Eiser is van mening dat sprake is van een bijzonder geval. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij vanaf eind 1988 meerdere keren met klachten bij de huisarts is geweest, dat hij dan werd gerust gesteld, en dat hem telkens werd meegedeeld dat er niets aan de hand was.

De rechtbank is van oordeel dat indien sprake is van klachten en beperkingen het op de weg van een betrokkene ligt om zich in voldoende mate medisch te laten beoordelen. De rechtbank is echter voorts van oordeel dat, indien die medische beoordeling geen medische oorzaak voor de klachten en beperkingen oplevert, een betrokkene redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest indien hij geen uitkering aanvraagt, aangezien een betrokkene er in dat geval van uit mag gaan dat een uitkering geweigerd zal worden.

Verweerder heeft bij zijn besluitvorming ten onrechte niet de vraag betrokken of eiser zich vanaf eind 1988 in voldoende mate medisch heeft laten beoordelen, en of de uitkomsten van die medische beoordelingen zodanig waren dat eiser ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2286

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 15 januari 2009

inzake

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door L.A.M. de Groot Heupner,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 april 2008, uitgereikt door het UWV, kantoor Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2007 heeft verweerder aan eiser vanaf 7 augustus 2006 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 december 2008. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door L.A.M. de Groot-Heupner, adviseur te Wijchen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.J.L. van Klaveren-Drost, werkzaam bij het UWV, kantoor Arnhem.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WAZ wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend. Artikel 36, eerste lid, van de WAZ bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, met ingang waarvan de verzekerde aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Het tweede lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder terecht opgemerkt dat de brief van eiser van 2 juli 2007 moet worden aangemerkt als eerste aanvraag om uitkering. Dit betekent dat de WAZ-uitkering in ieder geval had moeten worden toegekend vanaf een jaar voor deze aanvraag. Reeds hierom is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Het tweede lid van artikel 36 van de WAZ bepaalt voorts dat het UWV voor bijzondere gevallen van de eerste zin van het tweede lid kan afwijken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is de aanwezigheid van een bijzonder geval als bedoeld voorwaarde voor het ontstaan van de bevoegdheid tot het stellen van een langere dan de in artikel 36, tweede lid, van de WAZ voorziene termijn van een jaar, betreffende het ingaan van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Derhalve zal eerst in volle omvang dienen te worden getoetst of aan die voorwaarde is voldaan. Eerst wanneer dat het geval is, kan worden beoordeeld of de - eventuele - uitoefening van evenbedoelde discretionaire bevoegdheid de toetsing van de rechter kan doorstaan. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de CRvB moet van een bijzonder geval in voornoemde zin worden gesproken indien de betrokken verzekerde terzake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Aan de gedingstukken ontleent de rechtbank het volgende.

Niet in geschil is dat 10 december 1988 de eerste ziektedag is. Op die dag is eiser onwel geworden; hij kreeg een “aanval”. In verband hiermee is eiser door de huisarts verwezen naar de internist. Afgezien van een infectie heeft de internist niets kunnen vinden. Eiser had een agrarisch bedrijf met ongeveer 20 koeien en 150 mestvarkens. Aangezien eiser beperkingen ondervond bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft hij daarvoor aanvankelijk de hulp van anderen ingeroepen. Omdat de klachten en beperkingen bleven heeft eiser geleidelijk zijn bedrijf beperkt/afgestoten. Tussen 1989 en 1992 heeft eiser de varkens weggedaan en de veestapel afgebouwd tot nagenoeg nul. Het melkquotum is verhuurd en verkocht, het laatste deel in 1998. Ook is geleidelijk een deel van de grond verkocht. Vanaf 2003 zijn diverse onderzoeken door specialisten uitgevoerd (longarts, cardioloog, neuroloog). Uiteindelijk is vastgesteld dat eiser een aangeboren hartafwijking heeft (het WPW-syndroom). De rechtbank begrijpt uit het rapport van de verzekeringsarts O.B.G.M. Beurskens van 30 oktober 2007 dat de “aanval” van 10 december 1988 naar alle waarschijnlijkheid een uiting van het WPW-syndroom is geweest, dat eiser per einde wachttijd beperkingen had, maar dat niet meer kan worden vastgesteld in welke mate. Voorts is in de loop van de tijd gebleken dat eiser longklachten heeft die het gevolg zijn van een zogenaamde boerenlong.

Uit de stukken blijkt dat de beperkingen die eiser in 2006/2007 ondervond zodanig waren dat hij vrijwel volledig ongeschikt was voor zijn eigen werk en het duiden van functies ook niet mogelijk was. Verweerder heeft eiser daarom per 7 augustus 2006 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Met betrekking tot de vraag of de uitkering per een eerdere datum moet worden toegekend heeft verweerder het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ. Daaraan ligt ten grondslag dat eiser vanwege de vanaf de eerste ziektedag bestaande klachten en arbeidsbeperkingen eerder een aanvraag had moeten indienen, ook al was de medische oorzaak voor die beperkingen niet bekend.

Eiser is van mening dat wel sprake is van een bijzonder geval. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij voor zijn klachten medisch is onderzocht, maar dat tot 2006 geen oorzaak voor de klachten gevonden kon worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Beoordeeld dient te worden of eiser terzake van de verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat de enkele omstandigheid dat eiser vanaf eind 1988 evidente klachten had en evidente beperkingen ondervond in zijn werkzaamheden voor eiser aanleiding had moeten zijn om een uitkering aan te vragen, ook al was de medische oorzaak voor die beperkingen niet bekend.

Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit het in de WAZ, en in de voorafgaand aan de WAZ geldende AAW, opgenomen arbeidsongeschiktheidsbegrip voortvloeit dat de arbeidsbeperkingen van een betrokkene een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken moeten zijn. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank en van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geldt dit ook bij toepassing van de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC), zoals later geïncorporeerd in het Schattingsbesluit. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2003, RSV 2004/4, LJN: AO1438, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“De Raad overweegt dat volgens zijn vaste rechtspraak het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus dient te worden uitgelegd dat van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

(…)

In het vorenoverwogene ligt reeds besloten dat de Raad zich — in navolging van appellant — evenmin kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat door appellant in strijd is gehandeld met de richtlijn MAOC. Naar de Raad vaker van zijn oordeel heeft doen blijken beoogt die richtlijn door een interpretatie van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium uitgangspunten voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren, en is deze derhalve te beschouwen als een werkinstructie aan verzekeringsartsen, waarin de verschillende facetten van de door een verzekeringsarts te verrichten beoordeling aan de orde komen.

(…)

Wat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten materiële betreft, is in voornoemde richtlijn nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de hiervoor vermelde vaste jurisprudentie van de Raad inzake het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip. Voorzover mitsdien het namens gedaagde gehouden — door de rechtbank gevolgde — betoog inzake de richtlijn MAOC aldus zou moeten worden begrepen dat onder de werking van meergenoemde richtlijn niet langer de eis zou gelden dat beperkingen, willen deze tot uitkering kunnen leiden, aantoonbaar dienen te berusten op ziekte of gebreken, dan berust dat betoog op een onjuist uitgangspunt.”

Indien sprake is van klachten en beperkingen ligt het op de weg van een betrokkene om zich in voldoende mate medisch te laten beoordelen. De rechtbank is echter van oordeel dat, indien die medische beoordeling geen medische oorzaak voor de klachten en beperkingen oplevert, een betrokkene redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest indien hij geen uitkering aanvraagt, aangezien een betrokkene er in dat geval van uit mag gaan dat een uitkering geweigerd zal worden.

Voor de opvatting dat de uitkomst van een medische beoordeling van invloed is op de vraag of van een betrokken verwacht kan worden dat een uitkering wordt aangevraagd, vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2007, LJN: BA2350, alwaar de CRvB het volgende overweegt:

“Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de signalen die appellant heeft gekregen omtrent zijn gezondheidstoestand voor hem redelijkerwijs aanleiding hadden moeten zijn om zijn medische situatie te laten beoordelen en in het verlengde daarvan in een eerder stadium een aanvraag om een WAZ-uitkering in te dienen.”

Samenvattend heeft eiser zich in bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat hij vanaf eind 1988 meerdere keren met klachten bij de huisarts is geweest, dat hij dan werd gerust gesteld, en dat hem telkens werd meegedeeld dat er niets aan de hand was. Eiser heeft de vermelding in de verwijsbrief van de huisarts M.D.J. ten Berg van 7 november 2003 dat eiser langdurig verwijzing heeft uitgesteld bestreden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming ten onrechte niet de vraag heeft betrokken of eiser zich vanaf eind 1988 in voldoende mate medisch heeft laten beoordelen, en of de uitkomsten van die medische beoordelingen zodanig waren dat eiser ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Ook hierin vindt de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren.

Bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar zal verweerder de hiervoor genoemde vragen dienen te betrekken. Zonodig zal eiser in de gelegenheid gesteld moeten worden om zijn stelling dat hij vanaf eind 1988 meerdere keren bij de huisarts is geweest in verband met zijn klachten te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van het journaal van de huisarts uit die periode of een verklaring van zijn toenmalige huisarts.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 15 januari 2009