Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH5436

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
05/701199-08 en 05/701521-07 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een 26-jarige man veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met als bijzonder voorwaarde reclasseringscontact ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij Iriszorg en/of Kairos en een werkstraf voor de duur van 60 uren voor het mishandelen van zijn stiefvader en vernieling van een ruit. Voor het mishandelen van zijn moeder is de man vrijgesproken.

Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast en deze omgezet in een werkstraf.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten en houdt ten voordele van verdachte rekening met het feit dat verdachte geen contact meer wil met zijn moeder, stiefvader en zus en dat hij zijn leven goed op de rit heeft.

De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenistraf en een werkstraf daarom een passende strafrechtelijke reactie is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/701199-08; 05/701521-07 (tul)

Datum zitting : 24 februari 2009

Datum uitspraak : 10 maart 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 te Eck en Wiel, gemeente Buren, opzettelijk mishandelend zijn moeder, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1], heeft geduwd en/of (vervolgens) tegen de rechterschouder/rechterborst, althans tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2008 te Eck en Wiel, gemeente Buren, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning (van het ouderlijk huis van verdachte), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (zijn moeder) [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met de vuist en/of met de arm heeft ingeslagen en aldus dat goed heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 18 oktober 2008 te Eck en Wiel, gemeente Buren, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (zijn stiefvader) [slachtoffer 2]), (meermalen) heeft geslagen/gestompt en/of (vervolgens) (terwijl zij op de grond lagen) (meermalen) op/tegen het gezicht, althans tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 24 februari 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en voorts een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Iriszorg en/of Kairos of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie gevorderd de tenuitvoerlegging van 1 week gevangenisstraf die door de politierechter te Arnhem op 5 maart 2008 voorwaardelijk is opgelegd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van feit 1

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft verklaard zijn moeder tegen haar schouder/borst te hebben geduwd, maar stelt zich zeer stellig op het standpunt dat hij haar niet heeft geslagen. De stiefvader van verdachte heeft verklaard dat hij blauwe plekken heeft waargenomen op haar beide borsten, rug en armen. Echter, gelet op de onderlinge verstandhouding en het feit dat kort tevoren, op 18 oktober 2008, een vechtpartij tussen verdachte en zijn stiefvader heeft plaatsgehad kan die verklaring niet objectief worden genoemd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte opzettelijk mishandelend zijn moeder heeft geduwd tegen haar schouder/borst en daarna heeft geslagen.

Er is aangifte gedaan door de moeder van verdachte en de stiefvader van verdachte heeft blauwe plekken waargenomen. Verder heeft verdachte zich daarna gemeld op het politiebureau met de mededeling dat hij een ruit heeft ingegooid en dat hij zijn moeder heeft geslagen. Het feit kan wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

Beoordeling van de standpunten

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte ontkent stellig dat hij zijn moeder heeft geslagen, terwijl hij wel heeft bekend dat hij haar heeft geduwd. Uit de aangifte is niet gebleken dat zij van dat duwen pijn of letsel heeft ondervonden. De stiefvader van verdachte heeft waargenomen dat beide borsten van aangeefster blauw waren en dat zich blauwe plekken bevonden op haar rug en armen. De aangifte spreekt evenwel enkel over slaan op de rechterschouder en rechterborst. Bovendien is de stiefvader op 18 oktober 2008 betrokken geweest bij een vechtpartij met verdachte, zijn stiefzoon. Op grond hiervan heeft de rechtbank twijfel aan de objectiviteit van de verklaring van de stiefvader. Voorts is het proces-verbaal van de politie, waarin staat vermeld dat verdachte heeft verklaard dat hij een ruit bij zijn moeder heeft ingeslagen en zijn moeder heeft geslagen, eerst op 3 november 2008, zijnde een aantal dagen na de aangifte, opgemaakt, zodat het niet uitgesloten moet worden geacht dat genoemd proces-verbaal is aangepast aan de aangifte.

Conclusie

De rechtbank spreekt verdachte vrij ten aanzien van feit 1.

Ten aanzien van feit 2 en 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld .

Verdachte heeft op 29 oktober 2008 te Eck en Wiel, gemeente Buren, een ruit van de woning van zijn moeder vernield. Voorts heeft verdachte op 18 oktober 2008 in dezelfde plaats zijn stiefvader gestompt.

De rechtbank heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 februari 2009;

Voorts ten aanzien van feit 2:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], blz. 19 t/m 22.

Voorts ten aanzien van feit 3:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], blz. 41 t/m 43;

- de als bijlage gevoegde foto’s van het letsel van aangever [slachtoffer 2], blz. 44.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

2.

hij op 29 oktober 2008 te Eck en Wiel, gemeente Buren, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning (van het ouderlijk huis van verdachte), toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, met de vuist of met de arm heeft ingeslagen en aldus dat goed heeft vernield.

3.

hij op 18 oktober 2008 te Eck en Wiel, gemeente Buren, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten zijn stiefvader [slachtoffer 2]), meermalen heeft gestompt en (vervolgens) terwijl zij op de grond lagen meermalen op/tegen het gezicht, heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Ten aanzien van feit 3:

Mishandeling

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 31 december 2008; en

• een verslag van een voorgeleidingconsult bij het Nederlands Instituut voor Forensische en Psychiatrie en Psychologie Arnhem d.d. 21 november 2008; en

• een afloopbericht toezicht van Iriszorg, d.d. 20 februari 2009; betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten. Verdachte heeft een ruit van zijn ouderlijk huis vernield. De stiefvader van verdachte heeft voorts een zwelling aan het rechteroog en een wond onder het linkeroog opgelopen door de vechtpartij met zijn stiefzoon. De rechtbank acht dit ernstige feiten, gelet op de schade, het letsel en het overige ongemak dat de slachtoffers is aangedaan. Verdachte is reeds eerder veroordeeld voor mishandeling, ditmaal tegen zijn zus die destijds bij haar moeder en stiefvader inwoonde, en liep hiervoor in een proeftijd. De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met het feit dat verdachte inmiddels zelf heeft ingezien dat geen verder contact met zijn moeder, stiefvader en zus onder de gegeven omstandigheden voor alle betrokkenen het beste is. Voorts is in de overwegingen betrokken dat verdachte zijn leven momenteel goed op de rit lijkt te hebben.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan het verrichten van een werkstraf van na te noemen duur en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging is de rechtbank van oordeel dat de grondslag voor de vordering juist is. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week, waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, om te zetten in een werkstraf van na te noemen duur, nu het in de hoofdzaak om een gelijksoortig feit gaat en verdachte daarvoor evenmin tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden veroordeeld.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 27, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

• Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook als dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Iriszorg en/of Kairos of een andere, vergelijkbare instelling, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling(en) nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 30 (dertig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 4 uren, zijnde 2 dagen hechtenis.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter Arnhem, d.d. 5 maart 2008, onder parketnummer 05/701521-07.

Gelast dat veroordeelde in plaats daarvan een werkstraf gedurende 14 (veertien) uren zal verrichten, subsidiair te vervangen door 7 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat, de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Aldus gewezen door:

mr. E.A.A.M. Pfeil, rechter als voorzitter,

mr. A.G. Broek-de Stigter, rechter,

mr. H.T. Wagenaar, rechter,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2009.