Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH5388

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
168401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding van meerwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 168401 / HA ZA 08-512

Vonnis van 25 februari 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] MONTAGE B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. F. van der Hoek te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. SCHILDERSBEDRIJF [gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.P.A. Greuters te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juni 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 4 februari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] steigers opgebouwd ten behoeve van een door [gedaagde] uit te voeren gevelrenovatie aan het [ ] Hotel, op de hoek van [adres] in [woonplaats]. In dit kader is het volgende gebeurd.

2.2. Bij brief van 15 juli 2005 stelt [eiseres] vragen aan [gedaagde] over het werk aan het [ ] Hotel en maakt zij opmerkingen daarover. [eiseres] heeft dan voor steigerwerk ten behoeve van de gevelrenovatie al een offerte gemaakt voor een ander dan [gedaagde]. Deze offerte bevat onder meer een planning van het werk waarin beschreven staat aan welke gevelonderdelen achtereenvolgens gewerkt wordt.

2.3. [gedaagde] krijgt de opdracht tot renovatie van het hotel en partijen bereiken al snel overeenstemming over de volgorde van de werkzaamheden. Begonnen zal worden met de gevel aan de [locatie] (gevel B), waar zich onder meer een overdekt terras bevindt. Bij het torentje van het hotel (C), op de hoek van [adres], wordt in een later stadium het aanbrengen van reclame op de steiger voorzien.

2.4. Op 20 juli 2005 verzoekt [gedaagde] [eiseres] per fax om een prijsopgave. Daarin geeft zij aan waaruit haar werkzaamheden zouden bestaan en welke punten de begroting van [eiseres] moet bevatten. Het eerste van deze punten luidt: ‘Afhankelijk van bovengenoemde werkzaamheden en naar eigen inzicht het plaatsen van een aluminium of stalen steiger.’

2.5. Na een bezichtiging van de gevels en de zogenaamde lichthofjes van het hotel stuurt [eiseres] op 15 augustus 2005 een omschrijving van de steigers die zij kan gaan bouwen. Dit betreft uitsluitend ‘de eerste fase’ te weten de [locatie] B en het torentje C.

2.6. De offerte ‘voor de gevels B en C, die tot week 51 (van 2005, de rechtbank) worden aangepakt en de gevels D t/m H (zijde [locatie 2], de rechtbank), die volgens uw opgave tot week 9 (van 2006, de rechtbank) worden behandeld’ stuurt [eiseres] op 23 augustus 2005 aan [gedaagde]. In deze offerte besteedt [eiseres] aan een aantal bijzondere onderwerpen aandacht, zoals de boven de glazen uitbouw aan [locatie] te bouwen steigerconstructie. Zij stuurt plattegronden mee van het hotel met daarop aangegeven de rond de gevels en in de lichthofjes te plaatsen steigers.

2.7. De totaalprijs is volgens de offerte € 75.000,00 exclusief btw. [eiseres] vermeldt dat zij van week 38 van 2005 tot en met week 11 van 2006 wekelijks een factuur van € 5.500,00 exclusief btw zal sturen. Daarna volgt een slotfactuur met eventueel meerwerk. Over de facturering en het meerwerk vermeldt de offerte voorts:

Eventueel meer- en/of extra werk wat vooraf niet was opgenomen en als gevolg waarvan steigers langer moeten blijven staan, zullen dienovereenkomstig en in onderling overleg worden verrekend.

Betalingscondities: 30 dagen netto na factuurdatum (…).

Onze prijzen zijn gebaseerd op uitvoering tijdens de winterperiode zoals door u aangegeven. Wij behouden ons het recht voor onze prijzen aan te passen, indien de werkzaamheden worden voortgezet na week 2 in 2006.

2.8. [eiseres] stelt een werkomschrijving op en stuurt deze aan [gedaagde] die de opdracht verstrekt bij brief van 15 september 2005. Deze luidt onder meer als volgt.

Hierbij hebben wij het genoegen u de opdracht te verstrekken, zoals mondeling is overeengekomen tussen [eiseres] en [betrokkene] d.d. 9 september 2005 tot het uitvoeren van de hieronder omschreven werkzaamheden.

Uit te voeren werkzaamheden:

- Steigerwerkzaamheden conform uw prijsopgave (…) en de wijzigingen in de fasering, zoals besproken;

- Het verwijderen en afvoeren van de (vogel)netten zoals mondeling besproken.

Over wijziging in werkzaamheden (meer- en minderwerk) dient altijd vooraf overleg te worden gevoerd met de uitvoerder.

Onder Projectgegevens vermeldt deze brief als ‘planning en oplevering’ ‘conform laatst aangeleverde planning’ en als ‘aanneemsom’ ‘€ 75.000,00 excl. BTW en meerwerk reklame gevel C.’

2.9. In de planning zijn diverse wijzigingen doorgevoerd. Er zijn bouwvergaderingen gehouden, waarbij [eiseres] niet en [gedaagde] wel aanwezig was omdat het hotel wilde dat het overleg een beperkte omvang had.

2.10. Op 21 april 2006 is er een vergadering gehouden waarbij [eiseres]’ Koolhaas – tijdelijk – aanwezig was. In dit overleg is aan de orde geweest dat de hoeksteiger op last van het [ ] Hotel versneld moest worden geplaatst. Dit is de plaats, gevel C met het torentje, waar het reclamedoek moest worden aangebracht. Omdat met de gevels D tot en met F in plaats van met gevel B begonnen was, ontbrak aan één zijde de steun voor een steiger.

2.11. Op 17 juni 2006 voltooit [eiseres] haar werk – het laatste werk had een van de lichthofjes betroffen – en op 26 juni 2006 wordt het steigermateriaal afgevoerd.

2.12. Vervolgens vindt overleg tussen partijen plaats over de gevolgen van een aantal incidenten rond het uitgevoerde werk.

2.13. Op 22 augustus 2006 vraagt [gedaagde] per mail aan [eiseres] om een overzicht van het geld dat [gedaagde] volgens haar administratie nog schuldig zou zijn ‘met een duidelijke omschrijving van de kosten die het opdrachtbedrag overschrijden.’

2.14. Blijkens een brief van [eiseres] aan [gedaagde] d.d. 13 maart 2007 is er tussen partijen gesproken over arbeidskosten ad € 12.328,13 gebaseerd op volgens [eiseres] rechtstreeks aan haar opgedragen meerwerk, over een post arbeid ad € 13.003,12 die [eiseres] zelf voor haar rekening zal nemen en een post arbeid ad € 11.193,75 waarover nog overleg moet plaatsvinden. In dezelfde brief stelt [eiseres] voor om een post huur voor in opdracht van [gedaagde] geplaatst extra steigerwerk te berekenen naar de winterprijs met commerciële korting, zodat deze op € 20.070,57 in plaats van € 37.869,00 exclusief btw uitkomt.

2.15. [eiseres] beklaagt er zich in een brief van 9 mei 2007 over dat door veelvuldige personeelswisselingen bij [gedaagde] vertraging in de aanloop van het project plaatsvond, dat [gedaagde] de planning te elfder ure omgooide zodat niet op [locatie] gestart kon worden, dat er geen opslagruimte voor steigermateriaal was, dat er geen parkeergelegenheid was, dat de benodigde vergunningen ontbraken, dat het [ ] Hotel niet behoorlijk door [gedaagde] geïnformeerd was over de werkzaamheden en andere zaken.

2.16. Na overleg tussen partijen, in november 2007, zendt [eiseres] acht facturen aan [gedaagde] die meerwerk betreffen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het totaalbedrag van de in november 2007 verzonden facturen, namelijk € 80.751,62 (exclusief btw € 67.858,80) na verrekening van een creditfactuur, en daarbij vordert zij betaling van:

- de wettelijke handelsrente over € 13.090,00 inclusief btw vanaf 30 mei 2006,

- de wettelijke handelsrente over € 67.661,62 inclusief btw vanaf 12 april 2007,

- buitengerechtelijke kosten ad € 1.788,00 en

- de proceskosten.

3.2. [eiseres] stelt, samengevat, dat er sprake is van aanzienlijke meerwerkposten, onder meer veroorzaakt door het gebruik van meer vierkante meters steigermateriaal en doek tegelijkertijd dan gepland, het na week 11 van 2006 langer blijven staan van de steigers met uitloop – uitloop in de duurdere zomerperiode, maar door [eiseres] berekend naar de winterprijs – en het maken van meer arbeidsuren. Het bedrag van het meerwerk, zonder de kosten van reclamedoek, vormt de gevorderde hoofdsom.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de gronden hiervan gaat de rechtbank hieronder in.

4. De beoordeling

4.1. Uitgangspunt moet zijn wat partijen over meerwerk zijn overeengekomen. Aan de hand daarvan kan worden geoordeeld over de verschillende meerwerkposten en de oorzaken daarvan die onderwerp van geschil zijn.

4.2. [gedaagde] beroept zich in het algemeen op een gebrek aan specificatie in de meerwerknota’s, maar geeft niet per factuur aan wat daaraan onbegrijpelijk zou zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer. De facturen waarom het hier gaat, zijn gespecificeerd en de specificatie is op een aantal facturen toegelicht. Bovendien is er tussen partijen overleg over het op de facturen bedoelde meerwerk geweest. Het moet [gedaagde] redelijkerwijs duidelijk zijn geweest op welke handelingen in welke periodes de facturen betrekking hadden. [eiseres] valt geen tekortkoming in de opstelling van de facturen te verwijten.

4.3. [gedaagde] voert als tweede algemeen verweer aan dat haar akkoord voor het meerwerk ontbrak en dat de facturen ervoor pas anderhalf jaar na het project zijn opgesteld.

4.4. Voor meerwerk is blijkens de stukken en het ter zitting verhandelde geen schriftelijke overeenkomst vereist. Niet is gebleken dat de overeenkomst op dit punt uiteindelijk meer of anders inhield dan is vastgelegd in het onder 2.8 geciteerde deel van de brief van 15 september 2005. Dat betekent dat over wijzigingen in de werkzaamheden altijd tevoren overleg moest plaatsvinden tussen partijen. Hier sluit de regeling uit [eiseres]´ offerte bij aan die inhoudt dat meer- en minderwerk en extra werk dat ertoe leidde dat steigers langer bleven staan dan overeengekomen was – in dit geval dus langer dan tot en met week 11 van 2006 – verrekend zou worden.

4.5. Gesteld noch gebleken is dat overleg over wijzigingen in de werkzaamheden heeft ontbroken. Partijen zijn het erover eens dat wijzigingen in de aanvankelijke planning slechts plaatsvonden hetzij op verzoek van [gedaagde], die met het hotel en de architect de planning voor het uit te voeren werk vaststelde, hetzij naar aanleiding van van buitenaf komende omstandigheden, zoals het stellen van eisen door de gemeente, maar ook in het laatste geval nadat over deze omstandigheden overleg tussen partijen had plaatsgevonden.

4.6. Dat op deze wijze is gewerkt, wordt bevestigd door de mail van [gedaagde] d.d. 22 augustus 2006, waarin zij kort gezegd vraagt wat er per saldo aan meerwerk is te betalen.

4.7. Het voorgaande betekent dat ook het algemene verweer van [gedaagde] dat haar akkoord voor het meerwerk ontbrak, wordt verworpen.

4.8. Dat de facturen laat na voltooiing van het project zijn opgesteld, vindt zijn oorzaak in de gesprekken die partijen hebben gevoerd over de manier waarop zij met een aantal incidenten zouden omgaan. De late verzending is geen reden om ze niet te betalen.

4.9. Naast de algemene verweren zijn meer specifieke gevoerd. Bij de behandeling daarvan moet voorop staan dat het in deze procedure gaat om de meerwerkfacturen van [eiseres]. Slechts het meerwerk zelf of de verschuldigdheid van facturen kan dus onderwerp van het debat zijn. Stellingen van [gedaagde] die op onzorgvuldig werk van [eiseres] doelen, maar niet tot een conclusie ten aanzien van de meerwerkfacturen leiden, zijn, mede gelet op het feit dat [gedaagde] niet stelt schade te hebben geleden, althans geen vergoeding daarvan vordert, niet relevant.

4.10. Voor zover de concrete verwijten die [gedaagde] [eiseres] maakt, voldoen aan het onder 4.9 geformuleerde criterium voor relevantie in deze procedure, kan de rechtbank nagaan of zij tot afwijzing van een deel van de vordering moeten leiden. Daarbij gaat het dus om die concrete tekortkomingen van [eiseres] die tot extra, volgens [gedaagde] ten onrechte, als meerwerk in rekening gebrachte werkzaamheden zouden hebben geleid.

4.11. In de eerste plaats stelt [gedaagde] dat uit haar productie 4 – notulen van een werkbespreking van september of oktober 2005 – ‘blijkt (…) wie verantwoordelijk was voor het onjuist bouwen van de steiger.’ De rechtbank kan dit uit het stuk niet afleiden. Dat [eiseres] in deze vergadering aangeeft dat de steiger opnieuw moet worden opgebouwd, betekent nog niet dat er van een fout aan haar zijde sprake zou zijn geweest. Nu dit verweer waarvan een nadere onderbouwing ontbreekt, niet tot de conclusie kan leiden dat er sprake is van een tekortschieten van [eiseres], verwerpt de rechtbank het.

4.12. [gedaagde] stelt dat [eiseres] in strijd met plaatselijke vergunningen heeft gehandeld en niet tijdig vergunningen heeft aangevraagd. Zij laat echter na hierbij geconcretiseerd aan te geven of dit tot vertraging van het werk en/of onnodig meerwerk heeft geleid, wat geenszins het logische gevolg van handelen zonder vergunning is. De rechtbank verwerpt dit verweer daarom.

4.13. Voor de problemen met de deelgemeente die [gedaagde] noemt, zoals het verbod om aan de [locatie] te beginnen omdat in de periode waarin dat zou gebeuren [locatie] opengelegd werd voor de aanleg van de metrolijn en de eis om sterkteberekeningen uit te voeren, geldt hetzelfde als bij de vergunningen. [gedaagde] stelt niet gemotiveerd dat een deel van de meerwerkkosten hierdoor veroorzaakt zou zijn. Ook dit verweer wordt verworpen.

4.14. Op 4 oktober 2005 heeft [gedaagde] aan [eiseres] onder meer gefaxt dat de steiger niet hoog genoeg was en niet behoorlijk was afgekapt, dat [eiseres] achter liep op de planning en dat er een veiligheidsincident had plaatsgevonden. Ook hieraan worden geen concrete gevolgtrekkingen voor de verschuldigdheid van meerwerkkosten verbonden en ook dit betoog – voor zover het al een verweer is – passeert de rechtbank daarom.

4.15. Hoewel het werk op 17 juni 2006 af was, heeft het tot 26 juni 2006 geduurd tot het steigermateriaal kon worden afgevoerd, voert [gedaagde] aan. Zij noemt hiervan echter geen andere oorzaak dan [eiseres] noemt, namelijk het feit dat [gedaagde] zelf niet tijdig had gemeld dat de werkzaamheden beëindigd waren en er kon worden afgebroken. Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

4.16. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen van de weren opgaat, zodat de vordering voor toewijzing gereed ligt.

4.17. De rechtbank verwerpt het verweer dat niet gebleken is dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Reeds de langdurige periode van onderhandeling rechtvaardigt vergoeding hiervan. [eiseres] vordert vergoeding van deze kosten tot het bedrag dat is aanbevolen in het rapport Voor-werk II en de rechtbank zal de vergoeding tot dit bedrag, € 1.788,00, twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, toewijzen.

4.18. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 71,80

- vast recht 2.035,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.894,80

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 80.751,62 (tachtig duizendzevenhonderdéénenvijftig euro en tweeënzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van € 13.090,00 vanaf 30 mei 2006 tot de dag van volledige betaling en over het nog niet betaalde deel van het bedrag van € 67.661,62 vanaf 12 april 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 3.894,80,

5.3. veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 1.788,00,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009.