Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH4415

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
174523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet niet in op grond waarvan de voorzieningenrechter de werking van het dwangsombesluit had dienen te schorsen nu niet gebleken is dat eiser daar zelf om had verzocht. Voor de voorzieningenrechter die hangende een beroepsprocedure is verzocht een voorlopige voorziening te treffen, bestaat geen verplichting om er (ambtshalve) voor te zorgen dat het besluit waartegen een beroep is ingesteld wordt geschorst. Evenmin bestaat er een wettelijke bepaling op grond waarvan het besluit van rechtswege wordt geschorst door indiening van een verzoek om voorlopige voorziening. Van een misslag van de voorzieningenrechter op grond waarvan de de Gemeente niet tot inning van de dwangsom zou mogen overgaan, is derhalve niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 174523 / HA ZA 08-1476

Vonnis van 25 februari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in het verzet,

advocaat mr. drs. H. Nijman te Nijmegen,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

DE GEMEENTE [ ]

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. J.A.M.P. Keijser te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser in het verzet] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 9 januari 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij besluit van 30 oktober 2007 (hierna: het dwangsombesluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente een last onder dwangsom opgelegd aan [eiser in het verzet]. In het dwangsombesluit staat onder andere het volgende.

Constatering

In november 2006 heeft onze inspecteur Bouw- en woningtoezicht, de heer [betrokkene], afwijkingen van de verleende bouwvergunning d.d. 9 mei 2006, voor de bouw van een woning met garage en kelder op uw perceel [adres] te [woonplaats] geconstateerd.

(…)

Overtreding

Door het bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning van 9 mei 2006 en het in stand houden van de uitsteek (het“kapje”) in het zijdakvlak van uw woning handelt u in strijd met artikel 40 van de Woningwet.

(…)

Legalisatiemogelijkheden

Wij hebben onderzocht of het mogelijk is om de uitsteek (het “kapje”) in het zijdakvlak van uw woning op het perceel [adres] te [woonplaats] te legaliseren. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat dit niet mogelijk is.

Gelet op de conclusie van de adviezen van de welstandcommissie d.d. 6 december 2006, 7 juni 2007 en 8 augustus 2007, dat het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand, hebben wij in onze vergadering van 16 januari 2007 en 23 oktober 2007 deze welstandsadviezen overgenomen en zijn wij niet bereid de uitsteek (het “kapje”) in het zijdakvlak te legaliseren.

(…)

Oplegging last onder dwangsom

Wij hebben besloten om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht u een last onder dwangsom op te leggen. Dit vanwege de genoemde overtreding van artikel 40 van de Woningwet.

De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op € 1000,00 voor elke week dat de uitsteek (het”kapje”) in het zijdakvlak van uw woning aan de [adres] te [woonplaats] in stand blijft. Het maximaal te verbeuren bedrag is in totaal bepaald op € 13.000,00.

Wij stellen u gedurende 4 weken in de gelegenheid om de genoemde overtreding ongedaan te maken door de uitsteek (het “kapje”) in het zijdakvlak van uw woning te verwijderen en verwijderd te houden en het zijdakvlak uit te voeren conform de vergunde tekening behorende bij de verleende bouwvergunning van 9 mei 2006.

Gedurende deze termijn wordt geen dwangsom verbeurd.

(…)

2.2. [eiser in het verzet] heeft op 24 november 2007 beroep ingesteld tegen het dwangsombesluit. Dit beroep is door de rechtbank op 12 december 2007 ontvangen. [eiser in het verzet] heeft tevens op 24 november 2007 de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door de rechtbank eveneens op 12 december 2007 ontvangen.

2.3. Bij uitspraak van 8 april 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.4. Bij brief van 25 april 2008 hebben burgemeester en wethouders van de Gemeente aan [eiser in het verzet] medegedeeld dat werd overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen over de periode van 12 december 2007 tot en met 26 februari 2008 omdat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening was afgewezen en [eiser in het verzet] niet aan de last had voldaan. In de brief staat verder onder andere het volgende.

Bij brief van 18 december 2007 (…) hebben wij u kenbaar gemaakt dat wij hebben geconstateerd dat u niet aan de last heeft voldaan en dat over de periode van 28 november tot en met 11 december 2007 (2 weken) dwangsommen zijn verbeurd. Het bedrag van € 2.000,00 (2 x € 1.000,00) hebben wij reeds ingevorderd en is door u betaald.

Voorlopige voorziening rechtbank

U heeft op 12 december 2007 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Wij hebben u medegedeeld in onze brief van 18 december 2007 dat wij geen verbeurde dwangsommen zullen invorderen voordat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van uw verzoek.

2.5. Op 24 juli 2008 is het door het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente op 24 juni 2008 uitgevaardigde dwangbevel aan [eiser in het verzet] betekend.

3. Het geschil

3.1. [eiser in het verzet] vordert primair dat de rechtbank de procedure zal aanhouden totdat het dwangsombesluit onherroepelijk is geworden. Subsidiair vordert [eiser in het verzet] dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het dwangbevel van 24 juni 2008 buiten effect zal stellen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.

3.2. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [eiser in het verzet] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. [eiser in het verzet] heeft de rechtbank primair verzocht de procedure aan te houden totdat het dwangsombesluit onherroepelijk is. [eiser in het verzet] heeft daartoe aangevoerd dat het beroep tegen het dwangsombesluit door de bestuursrechter op 22 oktober 2008 zou worden behandeld en dat er derhalve op korte termijn een oordeel van de bestuursrechter was te verwachten. Voorafgaand aan de comparitie is gebleken dat de rechtbank het door [eiser in het verzet] ingestelde beroep tegen het dwangsombesluit op 27 november 2008 ongegrond heeft verklaard. Ter comparitie heeft (de advocaat van) [eiser in het verzet] verklaard dat het verzoek om aanhouding daarmee is komen te vervallen. De rechtbank zal derhalve alleen het subsidiair gevorderde beoordelen.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser in het verzet] in strijd met de in 2006 verleende bouwvergunning een uitsteek in het zijdakvlak (hierna: het kapje) van de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft gebouwd en dat [eiser in het verzet] het kapje niet vóór het verstrijken van de in het dwangsombesluit bepaalde begunstigingstermijn heeft verwijderd. Tussen partijen is evenmin in geschil dat [eiser in het verzet] de maximale dwangsom van EUR 13.000,00 heeft verbeurd. De vraag is echter of er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aan inning van de dwangsom door de Gemeente in de weg zouden staan.

4.4. Het verzet tegen het dwangbevel dient volgens [eiser in het verzet] te slagen omdat het dwangsombesluit - en derhalve ook de invordering van de dwangsommen - onrechtmatig is.

[eiser in het verzet] heeft voor de onderbouwing van zijn stelling verwezen naar het door hem in de bestuursrechtelijke procedure ingediende beroepschrift en de nadere memorie. Ter comparitie heeft [eiser in het verzet] zich op het standpunt gesteld dat nu de bestuursrechter het beroep tegen het dwangsombesluit ongegrond heeft verklaard het geschil zich toespitst op de vraag of het dwangsombesluit door de voorzieningenrechter had moeten worden opgeschort gedurende de tijd dat partijen met elkaar in onderhandeling waren. [eiser in het verzet] stelt dat de maximale dwangsom is verbeurd door deze kennelijke misslag van de voorzieningenrechter en de misleidende mededeling van het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente dat de inning van de dwangsommen zou worden opgeschort totdat duidelijk was of het overleg tussen partijen tot resultaat zou leiden. [eiser in het verzet] is van mening dat de Gemeente in strijd met haar eigen handhavingsbeleid heeft gehandeld door de begunstigingstermijn niet op te schorten nadat [eiser in het verzet] een verzoek om voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter had ingediend.

4.5. In de uitspraak van 8 april 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem onder andere het volgende overwogen.

De behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening is vervolgens tot – uiterlijk – 1 april 2008 aangehouden, waarbij van de zijde van verweerder is toegezegd dat de dwangsommen in de tussentijd niet zullen worden ingevorderd.

(…)

Bij brief van 3 april 2008 heeft verzoeker bericht zijn verzoek om voorlopige voorziening te willen handhaven.

(…)

Uit de brief van verzoeker van 3 april 2008 kan worden afgeleid dat hij feitelijk beoogt te voorkomen dat de reeds verbeurde dwangsommen worden ingevorderd.

4.6. Vooropgesteld zij dat door [eiser in het verzet] niet is gesteld dat hij de voorzieningenrechter heeft verzocht om schorsing van het dwangsombesluit. [eiser in het verzet] is van mening dat de voorzieningenrechter zijn verzoek op deze wijze had dienen uit te leggen en er voor had moeten zorgen dat er geen dwangsommen werden verbeurd gedurende de periode dat partijen met elkaar in overleg waren. Uit de uitspraak van 8 april 2008 blijkt dat de voorzieningenrechter er op basis van de brief van 3 april 2008 van [eiser in het verzet] vanuit is gegaan dat [eiser in het verzet] de inning van de dwangsommen wilde voorkomen. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 8 april 2008 daarnaast overwogen dat een schorsing van de werking van het dwangsombesluit niet meer kan worden bewerkstelligd omdat de opgelegde last volledig verbeurd was geraakt. De rechtbank ziet niet in op grond waarvan de voorzieningenrechter de werking van het dwangsombesluit had dienen te schorsen nu niet gebleken is dat [eiser in het verzet] daar zelf om had verzocht. Voor de voorzieningenrechter die hangende een beroepsprocedure is verzocht een voorlopige voorziening te treffen, bestaat geen verplichting om er (ambtshalve) voor te zorgen dat het besluit waartegen een beroep is ingesteld wordt geschorst. Evenmin bestaat er een wettelijke bepaling op grond waarvan het besluit van rechtswege wordt geschorst door indiening van een verzoek om voorlopige voorziening. Van een misslag van de voorzieningenrechter op grond waarvan de de Gemeente niet tot inning van de dwangsom zou mogen overgaan, is derhalve niet gebleken.

4.7. Vervolgens is de vraag of de Gemeente de begunstigingstermijn had dienen op te schorten nadat [eiser in het verzet] een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend. [eiser in het verzet] stelt dat de Gemeente hiertoe op grond van haar eigen beleid verplicht was. [eiser in het verzet] baseert zijn stelling op hoofdstuk 3 van de Nota handhaving ruimtelijke ordening van de Gemeente die hij ter comparitie heeft overgelegd. Hierin staat op pagina 11 onder andere het volgende.

Wachten op uitspraak verzoek schorsing

We schorten de begunstigingstermijn op tot 4 weken na de datum van binnenkomst bij de rechtbank van een verzoek om voorlopige voorziening (ook bij toepassing bestuursdwang).

4.8. Vast staat dat het verzoek om voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem op 12 december 2007 is ontvangen. In het dwangsombesluit is bepaald dat de [eiser in het verzet] gedurende vier weken in de gelegenheid werd gesteld om het kapje te verwijderen. Dit betekent dat de begunstigingstermijn verstreek op 28 november 2007. Op het moment van binnenkomst van het verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank was de begunstigingstermijn derhalve al verstreken. Nu de begunstigingstermijn reeds was verstreken, kon deze niet meer worden opgeschort. Daarnaast is onvoldoende gesteld, gebleken of aannemelijk dat [eiser in het verzet] er op andere grond vanuit mocht gaan dat de begunstigingstermijn werd opgeschort of dat hij geen dwangsommen zou verbeuren gedurende de tijd dat hij in onderhandeling was met de Gemeente. De Gemeente had [eiser in het verzet] immers bij brief van 18 december 2007 slechts laten weten dat de dwangsommen in de tussentijd niet werden ingevorderd. De rechtbank is van oordeel dat deze mededeling door de Gemeente niet als misleidend kan worden aangemerkt. Uit het voorgaande volgt dat van bijzondere omstandigheden die aan inning in de weg zouden staan niet is gebleken.

4.9. [eiser in het verzet] heeft zich ten slotte verzet tegen de invordering door de Gemeente van het bedrag van EUR 1.963,50 aan incassokosten. [eiser in het verzet] is van mening dat de Gemeente dit bedrag niet heeft onderbouwd en hij betwist dat de Gemeente dusdanig hoge kosten heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat door de Gemeente werkzaamheden zijn verricht ter verkrijging van voldoening buiten rechte waarvoor een eventuele proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden echter matigen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, met een maximum van 15% van de hoofdsom, zijnde EUR 1.075,76, nu niet gesteld of voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten behoeve van de Gemeente werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat de Gemeente op basis van het dwangbevel van 24 juni 2008 kan overgaan tot invordering van het bedrag van EUR 11.000,00 wegens verbeurde dwangsommen en tot invordering van het bedrag van EUR 1.075,76 wegens op de invordering vallende kosten. Het verzet van [eiser in het verzet] zal derhalve grotendeels ongegrond worden verklaard.

4.11. [eiser in het verzet] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 254,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart het verzet gegrond,

5.2. stelt het dwangbevel van 24 juni 2008 buiten werking voor zover dit een bedrag van EUR 887,74 aan invorderingskosten betreft,

5.3. verklaart het verzet voor het overige ongegrond,

5.4. veroordeelt [eiser in het verzet] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.158,00,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van der Kuil en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009.