Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH4148

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
27-02-2009
Zaaknummer
05/520996-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Arnhem heeft een 22-jarige man veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 8 maanden wegens betrokkenheid bij een heel ernstig ongeval in Ede als gevolg waarvan een meisje van 13 jaar om het leven is gekomen. Het meisje nam met andere kinderen deel aan een dropping, die onderdeel was van een jeugdkamp. De rechtbank acht bewezen dat de man dood door schuld, in de zin van artikel 6 WVW, verweten kan worden nu hij ’s avonds op een smalle, donkere en slecht verlichte weg sneller dan de toegestane maximum snelheid van 60 km/uur heeft gereden, onvoldoende heeft opgelet en onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijke aanwezigheid van mede-weggebruikers.

De rechtbank laat in de straftoemeting zwaar meewegen -en zij wijkt daardoor af van wat landelijk als richtlijn in de strafsectoren geldt- dat de organisatie van de dropping heeft nagelaten de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen te treffen, waardoor de groep kinderen, waar het meisje deel van uitmaakte, zonder begeleiding en zonder reflecterende hesjes, werkende zaklampen of andere maatregelen ter verbetering van de zichtbaarheid, langs en deels op de onverlichte weg liep.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2009/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/520996-07

Datum zitting : 13 februari 2009

Datum uitspraak : 27 februari 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : Mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 mei 2007, te Ede in de gemeente Ede als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede, komende vanuit de richting van de Wekeromseweg, op de weg, de Hessenweg,zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl de koplamp/en van voormeld motorrijtuig (personenauto) te laag was/waren afgesteld, met een snelheid ongeveer gelegen tussen de 70 en 80 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid, dan de aldaar voor hem, verdachte toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur, heeft gereden en/of de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet, als gesteld in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was voormeld motorrijtuig (personenauto)tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of niet of niet voortdurend heeft gelet op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer, gelet op verdachtes rijrichting, aan de rechter zijde op die weg, zich bevindende voetganger/s, ten gevolge waarvan die voetganger/s ten val is/zijn gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 02 mei 2007, te Ede in de gemeente Ede als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede, komende vanuit de richting van de Wekeromseweg, op de weg, de Hessenweg, terwijl de koplamp/en van voormeld motorrijtuig (personenauto) te laag was/waren afgesteld, met een snelheid ongeveer gelegen tussen de 70 en 80 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid, dan de aldaar voor hem, verdachte toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur, heeft gereden en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meer, gelet op verdachtes rijrichting, aan de rechter zijde op die weg, zich bevindende voetganger/s, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 13 februari 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de avond van 2 mei 2007, omstreeks 23.05 uur, reed verdachte in Ede, gemeente Ede, als bestuurder van een personenauto, merk BMW, op de Hessenweg, komende uit de richting van de Wekeromseweg. Verdachte voerde dimlicht.

De Hessenweg ligt buiten de bebouwde kom van Ede. De weg is circa 5.65 meter breed en aan beide zijden van de weg loopt een onderbroken witte streep, waarschijnlijk bedoeld als fietssuggestiestroken. De maximumsnelheid op de Hessenweg is 60 km/u.

Aan de rechterzijde van de Hessenweg liep een groep van ongeveer 10 kinderen, die bezig waren met een dropping, onderdeel van een jeugdkamp. De kinderen liepen (deels) op de weg, [slachtoffer] liep op de weg.

Nadat verdachte had afgeremd om een drempel, gelegen net voor de Woutersweg, te passeren, gaf hij weer gas. Na ongeveer 100 tot 150 meter hoorde hij een harde klap tegen zijn auto. Hij zag een grote tak, die door iemand werd vastgehouden, en mensen. Hij reed een klein stukje door, keerde toen zijn auto en ging terug naar de plaats van aanrijding.

Als gevolg van de aanrijding is [slachtoffer] om het leven gekomen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] is overleden. Hiertoe acht hij redengevend dat verdachte verklaard heeft dat hij ten tijde van het ongeval 70 à 80 kilometer per uur heeft gereden, terwijl hij wist dat de maximum snelheid ter plaatse 60 kilometer per uur was. Er is weliswaar geen onderzoek mogelijk geweest naar de door verdachte gereden snelheid, maar de verklaring van verdachte, dat hij te hard reed, wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1]. Deze getuige heeft verklaard dat hij verdachte, kort voor het ongeval, zag rijden en dat deze 60 à 70 kilometer per uur reed. Hij verklaart daarbij snelheid goed te kunnen inschatten omdat hij rij-instructeur is.

Relevant acht hij nog dat verdachte reeds drie maal eerder in aanraking met justitie is geweest voor snelheidsovertredingen.

Verdachte heeft niet voortdurend op de weg voor hem gelet. Dit had wel van hem mogen worden verwacht, nu de weg langs woonerven leidt en er dus andere verkeersdeelnemers te verwachten zijn. Bovendien was het donker, was de weg maar gedeeltelijk verlicht en was de weg smal. Verdachte had daarom redenen genoeg om zijn snelheid aan te passen tot onder de maximaal toegestane snelheid.

Uit onderzoek is gebleken dat de koplampen van de auto van verdachte te laag waren afgesteld en daardoor een beperkter zicht boden. Eveneens is uit onderzoek gebleken dat verdachte in het geheel niet heeft geremd. Hij heeft zijn snelheid dus niet aangepast zodat hij tijdig stil zou kunnen staan binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien.

Gelet op deze omstandigheden heeft verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gereden, waardoor hij een ongeval veroorzaakt heeft als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte kan derhalve het hem primair tenlastegelegde verweten worden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter verdediging van verdachte betoogd dat vrijspraak dient te volgen van het primair tenlastegelegde.

Verdachte heeft ten tijde van het ongeval gereden met een snelheid die hij zelf niet zeker weet. Hij denkt dat dat 70 à 80 kilometer per uur was, maar hij weet dat niet zeker en er waren geen technische mogelijkheden ter bepaling van de daadwerkelijk door hem gereden snelheid. Verdachte heeft verklaard kort voor het ongeval te zijn opgetrokken na te hebben afgeremd voor een drempel. Zijn snelheid kan dus wat lager zijn, meer richting de 60 à 70 kilometer per uur, zoals de getuige [getuige 1] ook heeft ingeschat. Opgemerkt zij nog dat de maximale toegestane snelheid op de betreffende weg redelijk recent is veranderd van 80 naar 60 kilometer per uur.

Verdachte heeft verklaard dat hij voor de aanrijding niet heeft gezien dat er kinderen liepen. Na het ongeval heeft hij zich afgevraagd wat de oorzaak is geweest van de aanrijding. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij misschien naar rechts of links keek, of met zijn autoradio bezig was, maar hij weet het niet. De raadsman betoogt dat een samenspel van omstandigheden het meest waarschijnlijk is geweest. Hierbij acht hij relevant dat de kinderen zonder begeleiding en zonder reflecterende hesjes of werkende zaklampen daar liepen, zodat verdachte niet voor hun aanwezigheid werd gewaarschuwd.

De snelheid van verdachte is daarbij niet relevant, aldus de raadsman, nu er een technische oorzaak was voor het feit dat hij de kinderen niet kon zien. De koplampen van zijn auto waren niet goed afgesteld en dat kan hem niet verweten worden; hij wist daar niets van af en de auto was APK-gekeurd.

Concluderend valt het verwijt dat verdachte te maken valt niet te kwalificeren als schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Beoordeling van de standpunten

Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt opgemerkt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De maximaal toegestane snelheid ter plaatse was 60 kilometer per uur. Dit was bij verdachte bekend. Bij het onderzoek dat naar het verkeersongeval is gedaan heeft men niet kunnen vaststellen wat de snelheid van verdachte was op het moment dat het ongeval plaatsvond. Verdachte heeft zelf, tijdens zijn verhoor bij de politie en ter terechtzitting, verklaard dat hij zijn eigen snelheid inschatte tussen de 70 en 80 kilometer per uur. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte, kort voor de aanrijding, heftig optrok en naar schatting 60 à 70 kilometer per uur reed. De rechtbank acht aannemelijk dat [getuige 1] snelheid redelijk goed kan inschatten omdat hij van beroep rij-instructeur is. Hoewel de exacte snelheid van verdachte ten tijde van het ongeval dus niet vast staat, acht de rechtbank bewezen dat verdachte harder reed dan de maximaal toegestane snelheid van 60 kilometer per uur.

Daarnaast heeft verdachte zijn snelheid niet zodanig gereguleerd dat hij zijn auto tot stilstand kon brengen binnen een afstand waarover hij de weg kon overzien. Hij had immers slechts een beperkt overzicht op de weg die voor hem lag. Al was de weg hem goed bekend, het was donker en de weg was slecht verlicht. Daarbij was de weg smal. Onder die omstandigheden had verdachte zijn snelheid moeten aanpassen zodat hij, indien nodig, tijdig zou kunnen stoppen.

Verdachte heeft daarbij niet steeds zijn aandacht bij de voor hem liggende weg gehouden. Hierover heeft hij zelf verklaard dat hij de kinderen in het geheel niet heeft zien lopen, dat hij niemand verwachtte op de weg op dat tijdstip, dat hij niet meer weet waar hij mee bezig was vlak voor het moment van het ongeval, dat het kan zijn dat hij naar rechts of naar links keek of naar zijn radio. Hij heeft verklaard dat hij denkt dat hij weggekeken heeft of bezig was met zijn radio, omdat hij denkt dat als hij vooruit gekeken had, hij de kinderen wel had gezien.

Uit onderzoek is gebleken dat de afstelling van de koplampen van de auto van verdachte afwijkend was, namelijk dat ze te laag waren afgesteld. Deze afwijking werd vastgesteld op tussen de 1.1 % en 2.5%. Bij een reconstructie blijkt dat de figuranten zichtbaar waren binnen een afstand van 30 meter, waarbij het onderste deel van hun lichaam zichtbaar was.

De rechtbank concludeert dat de geconstateerde afwijking slechts marginaal was en er dus niet aan in de weg stond om de wandelaars tijdig op te kunnen merken. De rijbaan ter plaatse was voor verdachte in voldoende mate te overzien. Daaruit volgt dat verdachte het slachtoffer had kunnen zien en had moeten opmerken en daarop had moeten anticiperen.

De rechtbank overweegt dat met name uit het feit dat de Hessenweg op de plek van het ongeval langs een woonwijk loopt en aan beide zijden van de weg een onderbroken witte streep loopt, verdachte had kunnen afleiden dat hij rekening moest houden met de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers. Hij had zijn rijgedrag hierop moeten aanpassen, zijn snelheid moeten matigen en voortdurend alert op de weg voor zich moeten letten.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig is geweest als gevolg waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen. Het verweer van de raadsman, dat sprake was van een samenspel van omstandigheden die niet alle aan verdachte toe te rekenen zijn zodat hem het ongeluk niet (geheel) verweten kan worden zodat vrijgesproken zou moeten worden van het primair tenlastegelegde, wordt verworpen. De eventuele aanwezigheid van medeschuld van het slachtoffer heft immers de schuld van de verdachte in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in het algemeen niet op.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 02 mei 2007, te Ede in de gemeente Ede als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede, komende vanuit de richting van de Wekeromseweg, op de weg, de Hessenweg aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig met een grotere snelheid, dan de aldaar voor hem, verdachte toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur, heeft gereden en de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet, als gesteld in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was voormeld motorrijtuig (personenauto)tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en waarover deze vrij was en niet of niet voortdurend heeft gelet op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en in aanrijding is gekomen met één , gelet op verdachtes rijrichting, aan de rechterzijde zich op die weg bevindende voetganger en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor die voetganger [slachtoffer] werd gedood.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot:

een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis (met aftrek).

Ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen van het primair ten laste gelegde. De raadsman heeft bepleit dat, indien de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaart, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor verdachte een te ingrijpende straf is, nu hij als voorman “beplater” zijn rijbewijs voor zijn werk nodig heeft. Zijn werkgever heeft daartoe een verklaring opgesteld. Er is voor verdachte geen alternatief vervoer beschikbaar en zonder rijbewijs zal hij zijn baan verliezen.

De raadsman heeft voorts bepleit dat het tijdsverloop dient te worden meegewogen in de strafmaat.

Beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 13 februari 2009.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is verantwoordelijk voor een verkeersongeval dat buitengewoon ernstige gevolgen heeft gehad. Bij het ongeval is [slachtoffer], een meisje van 13 jaar, om het leven gekomen. Hierdoor is haar ouders, haar broer en zus onherstelbaar leed aangedaan. Bij het ongeval was een groep kinderen aanwezig die getuige zijn geweest van de dood van hun leeftijdsgenoot. Aangenomen kan worden dat de gevolgen van deze gebeurtenis voor hen als ook voor verdachte lang voelbaar zullen zijn.

De rechtbank laat bij de bepaling van een passende straf echter zwaar meewegen dat de organisatie van de dropping in gebreke is gebleven bij het treffen van de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen en wijkt daardoor af van wat landelijk als richtlijn in de strafsectoren als uitgangspunt geldt. De rechtbank acht het onverantwoord om een groep kinderen in het donker onbegeleid te laten lopen op een slecht verlichte weg, zonder dat zij reflecterende hesjes droegen, gebruik maakten van zaklampen of anderszins beter zichtbaar gemaakt waren voor het verkeer. Het is op geen enkele manier duidelijk geworden waarom de bij de leiding aanwezige hesjes niet gebruikt zijn en waarom de zaklampen, die tijdens de dropping aanwezig waren, niet aangezet zijn.

De rechtbank laat verder het tijdsverloop sinds het ongeval meewegen. Concluderend acht de rechtbank, met de officier van justitie, een werkstraf van na te melden duur passend. Daarnaast is, mede gelet op de documentatie van verdachte, een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op zijn plaats. De rechtbank zal deze echter geheel voorwaardelijk opleggen nu een onvoorwaardelijke ontzegging verdachte onevenredig zwaar in zijn beroepsuitoefening zou treffen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

Legt op een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 8 (acht) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat van deze ontzegging 8 (acht) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. T.H.P. de Roos, vice-president als voorzitter,

mr. M.F. Gielissen, rechter,

mr. A.M. van Gorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Vogel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2009.