Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH3775

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
166381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval; rechtskeuze;

Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Verdrag van 4 mei 1971, Trb 1971, 118;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166381 / HA ZA 08-219

Vonnis van 18 februari 2009

in de zaak van

1. [eis.1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eis.2].,

gevestigd te [vest.plaats],

eisers,

advocaat mr. M.P.H. van Maanen Winters te Zwolle,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGENVERZEKERAARS,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procesadvocaat mr. F.J. Boom,

behandelend advocaat mr. K.J. van den Herik te Rotterdam.

Partijen zullen hierna kortweg [eis.1], [eis.2] en het Bureau worden genoemd. Eisers zullen gezamenlijk met [eisers] worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 juli 2008

- de brief van de advocaat van [eisers] van 10 oktober 2008

- de brief van de advocaat van het Bureau van 20 oktober 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2008

- de akte van [eisers]

- de antwoordakte van het Bureau.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 20 september 2002 heeft zich in de gemeente Duiven op de kruising tussen de Noordsingel en de Oostsingel een aanrijding voorgedaan tussen twee personenauto’s, beide met Duits kenteken. Eén daarvan werd bestuurd door [eis.1]. [eis.1] heeft de Nederlandse nationaliteit, maar woont in Duitsland. De andere auto werd bestuurd door [betrokkene], die eveneens in Duitsland woont. [betrokkene] heeft een rood verkeerslicht genegeerd toen hij de kruising opreed, waardoor de aanrijding met [eis.1] ontstond.

2.2. [betrokkene] had bij de in Duitsland gevestigde verzekeringsmaatschappij (toen) genaamd Gerling-Konzern Allgemeine Versicherungs-AG (hierna kortweg: Gerling) een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid afgesloten. Gerling heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.3. Door het ongeval heeft [eis.1] mondletsel opgelopen, waarvoor hij zich in het ziekenhuis onder behandeling van de kaakchirurg heeft moeten stellen. In de periode na het ongeval heeft [eis.1] verdere tandheelkundige behandelingen ondergaan. Ook heeft hij na het ongeval vele fysiotherapeutische behandelingen ondergaan in verband met nek- en schouderklachten en is in december 2002 orthopedisch onderzoek daarnaar verricht.

2.4. De Duitse huisarts van [eis.1], drs. [naam arts], heeft vanaf het ongeval tot en met (in elk geval) december 2007 maandelijks op formulieren ten behoeve van de Landeskrankenhilfe te Düsseldorf ingevuld dat [eis.1] ‘arbeitsunfähig erkrankt’ was. In opdracht van deze Landeskrankenhilfe heeft [naam chirurg], chirurg verbonden aan IMB Consult GmbH te Bochum, [eis.1] op 15 mei 2003 aan een medische keuring onderworpen. [nam chirurg] besluit zijn rapportage met (voor zover relevant) het volgende:

‘Am 20.09.2002 erlitt der Versicherungsnehmer eine Akzelerationsbewegung im Rahmen eines passiven Rechts-Frontalaufpralls (...). Er zog sich eine Zahnluxation des Ober- und Unterkiefers zu, die stationär durch Fixierung behandelt wurde. Nach der Entlassung aus der stationären Therapie stellten sich Beschwerden im Bereich der Halswirbelsäule mit Muskelhartspann und Schmerzen in Kopf- und Halsbereich sowie re. Schulter- und Armbereich ein, zum Schluss mit Sensibilitätsstörungen und Schmerzen des rechten Armes bis in den 4. und 5. Finger. (...) Auf Anraten des Physiotherapeuten wurde Herr [eis.1] einem Orthopäden vorgestellt, der seinerseits eine MR-Untersuchung der Halswirbelsäule initierte, die bei Ausschluss frischer Verletzungen eine Osteochondrose C5-C7 ergab. (...) Die Behandlungsführung durch den Hausarzt ist korrekt incl. der Überweisung an einen Facharzt für Orthopädie. Die zur Zeit vorliegende Befunde haben eine Krankschreibung gerechtfertigt. Eine Teilarbeitsfähigkeit von etwa 2 Stunden täglich wird zur Zeit angenommen. (...) Es wurde angeregt, wegen der neurologischen Symptomatik einen Facharzt für Neurologie zwecks Durchführung eines NLG und EMG aufzusuchen. Offensichtlich hat das vorbeschriebene Unfallereignis eine vorgeschädigte Halswirbelsäule getroffen und den Zustand der Symptomlosigkeit bei Osteochondrose in einen Zustand der Symptomatik übergeführt.’

2.5. [eisers] hebben het Bureau in rechte betrokken ter verkrijging van vergoeding van hun schade.

3. Het geschil

3.1. [eisers] hebben gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Ia het Bureau zal veroordelen tot betaling aan [eis.1] de som van EUR 332.388,38, te vermeerderen met een bedrag van EUR 5.159,86 voor elke maand die zal verstrijken na december 2006 zolang de (huidige mate van) arbeidsongeschiktheid van [eis.1] voortduurt,

Ib het Bureau zal veroordelen tot betaling aan [eis.1] van de in de dagvaarding beschreven DGA-schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

II het Bureau zal veroordelen tot betaling aan [eis.2] de som van EUR 15.950,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over de in de dagvaarding genoemde schadecomponenten vanaf de dag van het ontstaan ervan, althans een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, tot aan de dag der voldoening,

met veroordeling van het Bureau in de kosten van de procedure in de hoofdzaak en in het incident.

3.2. Aan deze vorderingen hebben [eisers] het volgende ten grondslag gelegd. Door het ongeval is [eis.1] ernstig gewond geraakt aan zijn nek, bovenlip, boven- en onderkaak en rechterschouder en heeft hij tevens ernstige gebitsschade en een post-whiplash syndroom opgelopen. Ten gevolge daarvan is hij tot en met 31 mei 2003 volledig en na die datum voor 75% arbeidsongeschikt geweest. Naast verlies van verdienvermogen, in de vorm van salarisderving en DGA-schade van [eis.1] en de schade van [eis.2] wegens doorbetaling van loon, bestaat de schade uit de bedragen die [eis.1] wegens zijn eigen risico aan zijn ziektekostenverzekeraar heeft moeten betalen, de reiskosten die de (para-)

medische behandelingen met zich brachten, de kosten van rechtsbijstand en smartengeld. Na aftrek van het door Gerling betaalde voorschot van EUR 20.000,00 van de schade van [eis.1] - minus het door de Duitse vennootschap van [eis.1], Wevamed, doorbetaalde loon ad EUR 6.902,45 - resteren per december 2006 de gevorderde bedragen aan schadevergoeding. Op grond van art. 2 lid 6 WAM hebben [eisers] het Bureau tot vergoeding van deze schade aangesproken.

3.3. De verweren van het Bureau zullen voor zover nodig bij de beoordeling van het geschil worden weergegeven.

4. De beoordeling

ontvankelijkheid/verjaring

4.1. Bij akte na comparitie heeft het Bureau zijn verweer dat de WAM in de onderhavige kwestie geen grondslag biedt voor een tegen hem gerichte vordering laten vallen. Hetzelfde geldt voor zijn verweer dat de vordering van [eisers] - naar Duits recht - is verjaard. Hetgeen de partijen op deze punten over en weer hebben aangevoerd, hoeft daarom geen bespreking meer.

toepasselijk recht

4.2. Het allereerst te beoordelen geschilpunt betreft de vraag naar het op de (omvang van de) aansprakelijkheid toe te passen recht. Volgens het Bureau is dat Duits recht, volgens [eisers] Nederlands recht. In dit verband is op zichzelf tussen partijen niet in geschil dat zich hier het in art. 4 aanhef en onder a en b van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Verdrag van 4 mei 1971, Trb 1971, 118; hierna: het Verdrag) beschreven geval voordoet dat bij een aanrijding twee voertuigen zijn betrokken die beide in (dezelfde) andere staat (Duitsland) geregistreerd staan dan die waar het ongeval plaatsvond (Nederland) en dat dan in afwijking van art. 3 van het Verdrag niet het recht van de staat van het ongeval van toepassing is op de aansprakelijkheid, maar dat van de staat van registratie. De vragen of art. 10 van het Verdrag de mogelijkheid van een afwijkende rechtskeuze open laat en zo ja, of een afwijkende rechtskeuze ook is gemaakt houden de partijen verdeeld.

4.3. Art. 10 van het Verdrag bepaalt dat een volgens het Verdrag van toepassing zijnde wet slechts ter zijde kan worden gesteld indien haar toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Die bepaling ziet niet op de aanwijzing van het toepasselijke recht als zodanig, maar op het materiële recht dat in een concreet geval als onderdeel van het aangewezen toepasselijke recht moet worden toegepast. Art. 10 van het Verdrag is dan ook niet van belang voor het antwoord op de vraag of een van de uitkomst van de verwijzingsregels van het Verdrag afwijkende rechtskeuze kan worden gemaakt. In wezen zegt het Verdrag niets over de mogelijkheid van een rechtskeuze. [eisers] hebben betoogd, onder verwijzing naar literatuur en lagere rechtspraak, dat een dergelijke keuze mogelijk is. Ook de rechtbank is van oordeel dat een van de uitkomst van het Verdrag afwijkende rechtskeuze mogelijk is. Niet valt in te zien wat daartegen is, aangezien het hier gaat om een rechtsverhouding die ter vrije bepaling van partijen staat.

4.4. Daarmee wordt toegekomen aan beoordeling van de door [eisers] gestelde maar door het Bureau betwiste keuze van de partijen voor Nederlands recht. [eisers] verwijzen ter staving hiervan naar de brief van Gerling aan K. Warthuysen (de Duitse advocaat van [eisers]) van 12 november 2003, die - voor zover hier relevant - luidt: ‘Unsere Korrespondenzgesellschaft Van Ameyde Interschade, Rijswijk/ZH hat inzwischen unsere Akte mit der Bitte erhalten, die Angelegenheit nach niederländischem Recht zu bearbeiten und auf die Klageabsicht zu antworten.’ Volgens hen betekent dit niet anders dan dat de zaak met toepassing van Nederlands recht zou worden afgewikkeld. Ook beroepen zij zich op de vervolgens op basis van Nederlands recht met Van Ameyde Interschade B.V., het door Gerling ingeschakelde schaderegelingsbureau (hierna: Van Ameyde), gevoerde onderhandelingen. In de brief van Van Ameyde aan de Nederlandse advocaat van [eis.1] van 21 november 2003 staat volgens [eisers] niet voor niets geschreven: ‘Voor wat betreft de reiskosten delen wij u mee dat de vergoeding naar Nederlands recht € 0,20 per kilometer is (...)’. Namens [eisers] is ter comparitie voorts genoemd dat voorafgaand aan deze correspondentie ook nog herhaaldelijk telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen Warthuysen en Gerling over het toepasselijke recht, waarbij aan beide zijden van toepasselijkheid van Nederlands recht werd uitgegaan, zonder dat hoefde te worden gekozen. Niet voor niets is er op een gegeven moment een Nederlandse advocaat aan te pas gekomen, aldus [eisers] Zij wijzen er verder op dat pas laat in de onderhandelingen, in 2006, ineens door Van Ameyde het standpunt ingenomen is dat Duits recht zou worden toegepast. Het Bureau heeft tegen de argumenten van [eisers] ingebracht dat de passage uit de brief van 12 november 2003 geen expliciete rechtskeuze inhoudt, doch slechts de opdracht van Gerling aan Van Ameyde de zaak naar Nederlands recht te beoordelen, waarna - na terugkoppeling met Gerling - nog steeds beoordeling op grond van het Duitse recht kan plaatsvinden. Volgens het Bureau is het verzoek van Gerling aan Van Ameyde van 12 november 2003 het praktische gevolg van de inschakeling, kort daarvoor, van een Nederlandse advocaat door [eisers] in verband met de procedure die in Nederland gevoerd zou gaan worden en kan er ook daarom geen rechtskeuze in worden gelezen. Het Bureau betwist dat in telefoongesprekken tussen Warthuysen en Gerling de keuze voor Nederlands recht is gemaakt. Verder wijst het Bureau erop dat volgens [eisers] zelf een deel van de schade - die van [eis.1]s Duitse vennootschap Wevamed - naar Duits recht is vergoed.

4.5. Op [eisers] rust, ingevolge art. 150 Rv, de last te bewijzen hun stelling dat de partijen de keuze voor Nederlands recht hebben gemaakt. Dat bewijs acht de rechtbank echter geleverd met de correspondentie waarop zij zich beroepen, in het bijzonder de brief van Gerling van 12 november 2003 aan Warthuysen. Daarbij speelt de context waarin die brief is geschreven een rol. Er had zich een ongeval voorgedaan in Nederland, waarbij een Nederlander betrokken was en waardoor naast de Nederlander zelf ook zijn Nederlandse rechtspersoon schade heeft geleden. De Nederlandse betrokkene, die in Duitsland woont, had inmiddels naast een Duitse advocaat ook een Nederlandse advocaat ingeschakeld, omdat de tot dan toe gevoerde onderhandelingen niet tot een schikking hadden geleid. Duidelijk was - dit is tussen de partijen op zichzelf niet in geschil - dat in Nederland een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt zou gaan worden. De vervolgens door Gerling in de brief van 12 november 2003 gedane onvoorwaardelijke mededeling kan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet anders worden opgevat dan dat de kwestie naar Nederlands recht zou worden afgewikkeld. In het midden kan blijven of tevoren daarover al telefonisch overeenstemming bestond of was bereikt tussen Warthuysen en Gerling. Het hierop gericht aanbod van tegenbewijs van het Bureau wordt als niet ter zake dienend gepasseerd. Immers, ook (en juist) indien er veronderstellenderwijs vanuit zou worden gegaan dat dat niet zo was, had het in de hiervoor geschetste omstandigheden op de weg gelegen van Gerling - als professionele speler op het gebied van aansprakelijkheidszaken en daaraan gerelateerde kwesties van internationaal privaatrecht - in die brief een voorbehoud ter zake van het uiteindelijk toepasselijke recht te maken. Nu zij dit heeft nagelaten is het op grond van die brief duidelijk dat voor de toepassing van Nederlands recht werd gekozen, althans hebben [eisers] die brief redelijkerwijs als (bevestiging van de) keuze voor toepassing van Nederlands recht mogen opvatten. Het Bureau - in zijn hoedanigheid van regelend bureau in het internationale groenekaartsysteem - is aan die keuze gebonden. Aan al het voorgaande doet niet af dat vanaf enig moment - ongeacht of dat nu in 2006 ([eisers]) of in 2004 (het Bureau) is geweest - door Van Ameyde alsnog het standpunt is ingenomen dat Duits recht zou moeten worden toegepast. Ook het evenzeer bestaan van aanknopingspunten met de Duitse rechtssfeer - zoals de aansprakelijkheid van een Duitse verzekeraar en het feit dat [eis.1] in Duitsland woont - en de afwikkeling van de schade van Wevamed naar Duits recht doen aan de betekenis van de brief van 12 november 2003 niet af. De rechtbank zal met toepassing van Nederlands recht op de vorderingen van [eisers] beslissen.

(verplaatst) verlies van verdienvermogen

4.6. Aangezien de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval door Gerling is erkend, spitst het geschil zich toe op de omvang van de door het Bureau aan [eisers] te vergoeden schade. De belangrijkste schadepost - en daarmee het belangrijkste geschilpunt - betreft de schade wegens het (deels richting [eis.2] verplaatste) verlies aan verdienvermogen van [eis.1]. Daarom zal allereerst deze post worden beoordeeld, waarbij het erom gaat het verschil vast te stellen tussen wat feitelijk sinds het ongeval aan inkomsten is en zal (kunnen) worden ontvangen en wat dat zou zijn geweest als het ongeval niet was geschied. Hiertoe zal een vergelijking moeten worden gemaakt van de hypothetische inkomenssituatie van [eis.1] zoals die zich zonder het ongeval redelijkerwijs zou hebben ontwikkeld en de situatie waarin hij door het ongeval is komen te verkeren. Ter beoordeling van deze laatste situatie is, onder meer, van belang wat nu precies de ongevalsgevolgen zijn, welke beperkingen [eis.1] daardoor ondervindt en in hoeverre deze van invloed zijn op het uitoefenen van zijn beroep en zijn inkomsten.

4.7. [eisers] hebben onder verwijzing naar de bij dagvaarding overgelegde medische informatie gesteld dat [eis.1] naast mondletsel ook whiplashklachten aan het ongeval heeft overgehouden. Volgens hen zijn tussen de vijfde en zesde nekwervel van [eis.1] verbindingsstukken ingedrukt met als resultaat nekpijn, bewegingsbeperking van hoofd, nek en schouders, hoofdpijnen, gevoelloosheid in armen en handen, concentratieproblemen en duizeligheid. Door het mond- en whiplashletsel is [eis.1] aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt geraakt en vervolgens is hij dat voor 75% gebleven, zo luidt hun stelling. [eis.1] maakt daarom aanspraak op vergoeding van zijn niet door [eis.2] doorbetaalde netto directeurssalaris en wel 100% in de maanden januari 2003 tot en met mei 2003 en 75% van de daarna verschenen maandsalarissen. [eis.2] heeft vergoeding gevorderd van het aan [eis.1] vanaf het ongeval tot en met 31 december 2002 doorbetaalde loon.

4.8. Het Bureau stelt onder verwijzing naar het politie-procesverbaal dat van de aanrijding is opgemaakt dat slechts sprake was van licht mondletsel. Het betwist dat ook sprake is van een postwhiplashsyndroom en van de beweerde (mate en duur van) arbeidsongeschiktheid van [eis.1]. Het Bureau mist objectieve stukken ter ondersteuning daarvan. Overigens blijkt volgens het Bureau uit het keuringsrapport van [naam chirurg] (zie onder 2.4), dat bij [eis.1] sprake was van pre-existente klachten door afwijkingen van de halswervels. Ook heeft het Bureau betwist dat het verlies van verdienvermogen van [eis.1] kan worden begroot aan de hand van de - door hemzelf, als DGA van zijn ondernemingen - vervaardigde salarisstroken.

4.9. Hoewel uit de bij dagvaarding overgelegde medische informatie van de behandelende sector en uit de (Duitse) verzekeringsgeneeskundige informatie blijkt van aanzienlijk mondletsel - op grond waarvan in elk geval een tijdelijke arbeidsongeschiktheid aannemelijk is - en van klachten die door [eisers] als postwhiplashsyndroom zijn geduid, kan op grond van die stukken bij de huidige stand van zaken niet worden vastgesteld wat het ongevalsletsel precies is en welke beperkingen [eis.1] daardoor ondervond en ondervindt bij de uitvoering van zijn werk en, meer in het algemeen, of sprake was en is van restcapaciteit tot het verrichten van arbeid. In kwesties van civielrechtelijke aansprakelijkheid zal de rechter zich daarover in het algemeen een eigen oordeel moeten vormen, op basis van onafhankelijke medische informatie. Die informatie is ook nodig in verband met het verweer van het Bureau dat sprake is van pre-existente klachten. Inderdaad bevatten de overgelegde medische stukken aanwijzingen voor de aanwezigheid van afwijkingen aan de halswervels van [eis.1] ten tijde van het ongeval. Niet vast staat echter dat, zoals het Bureau kennelijk meent, [eis.1] daarvan vóór het ongeval al klachten ondervond. Gelet op al het voorgaande heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een of meer medische deskundigen. Benoeming van een kaakchirurg ligt in verband met het mondletsel in elk geval voor de hand. Verder is de rechtbank voornemens een orthopedisch chirurg als deskundige te benoemd. Weliswaar benoemen [eisers] bepaalde klachten als ‘whiplash’ en is in beginsel de neuroloog op dat gebied bij uitstek de te raadplegen deskundige, maar uit de overgelegde medische stukken en de verdere stellingen van de partijen blijkt dat sprake is van aantoonbare afwijkingen aan de cervicale wervelkolom (osteochondrose/‘Bandscheibenbeschädigungen’) die tot de beweerde klachten zouden (kunnen) leiden. Op grond hiervan ligt benoeming van een orthopedisch chirurg vooralsnog in de rede, waarbij deze deskundige de mogelijkheid zou kunnen worden geboden een neuroloog van zijn keuze te consulteren.

4.10. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating bij akte door beide partijen, gelijktijdig, over het aantal, de medische discipline(s) en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen. In de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van het Bureau (Gerling) voor de gevolgen van het ongeval vast staat, ziet de rechtbank aanleiding het Bureau te belasten met het voorschot/de voorschotten op het loon en de kosten van de te benoemen deskundige(n).

4.11. Ter comparitie heeft [eis.1] de bereidheid uitgesproken tot overlegging van zijn gehele medische dossier aan de wederpartij en aan de rechtbank. Hem wordt verzocht dit bij de hiervoor bedoelde akte te doen.

4.12. Ter vaststelling van het (verplaatste) verlies aan verdienvermogen zullen naar verwachting in een later stadium in elk geval nog de volgende stappen moeten worden gezet. Er zal een verzekeringsgeneeskundige moeten worden geraadpleegd, die op basis van de nog in te winnen medische deskundigenberichten zal moeten vaststellen of en zo ja welke functionele beperkingen [eis.1] door het ongevalsletsel ondervond en ondervindt. Nadien zal een arbeidsdeskundige op basis van de door de verzekeringsgeneeskundige in te vullen functionele mogelijkhedenlijst (FML) de (toenmalige en huidige) geschiktheid van [eis.1] voor zijn werk moeten beoordelen. Onzeker is of vervolgens nog een rekenkundige zal moet worden geraadpleegd om op grond van de dan vaststaande uitgangspunten het te vergoeden verlies van verdienvermogen (nader) te becijferen, waarbij - zoals het Bureau heeft opgemerkt - ook aan de orde zal moeten komen de vraag hoe het de onderneming(en) van [eis.1] zou zijn vergaan indien het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden.

overige schadeposten

4.13. Het Bureau heeft ook tegen de overige door [eisers] opgevoerde schadeposten verweer gevoerd. Van [eisers] wordt verwacht dat zij in een later stadium van de procedure de beweerde schade met inachtneming van dat verweer nader toelichten.

‘eigen schuld’-verweer

4.14. Het Bureau heeft gesteld dat [eis.1] zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade, doordat hij ten tijde van de aanrijding de veiligheidsgordel niet droeg. Ter staving van deze stelling beroept het Bureau zich op het politieproces-verbaal, waarin dit door de verbalisant is vermeld. Volgens het Bureau brengt het niet dragen van de gordel met zich dat zijn schadevergoedingsplicht moet worden verminderd, aangezien de schade niet zou zijn ontstaan of geringer zou zijn geweest indien de gordel wel zou zijn gedragen. [eisers] hebben gemotiveerd betwist dat [eis.1] de veiligheidsgordel tijdens de botsing niet droeg. De opmerking van de verbalisant in het proces-verbaal van de politie berust volgens hem op een eigen interpretatie van de gebeurtenissen door die verbalisant. Dat hij ondanks het dragen van de gordel ernstig mondletsel heeft opgelopen, is volgens [eisers] te verklaren door de afwijkende positie van het stuur in zijn auto ten opzichte van het hoofd van de bestuurder (dichterbij dan gebruikelijk) en het feit dat hij op het moment van de aanrijding rookte en juist enigszins voorovergebogen zat, in de richting van de asbak.

4.15. Indien en voor zover komt vast te staan dat [eis.1] tijdens de aanrijding de autogordel niet droeg kan er aanleiding zijn de schadevergoedingsverplichting van het Bureau te verminderen. In verband met de gemotiveerde betwisting door [eisers] rust op het Bureau de last zijn stelling te bewijzen dat [eis.1] de autogordel niet droeg tijdens het ongeval (art. 150 Rv). Met de enkele opmerking in het proces-verbaal van de politie is dat bewijs, in het licht van hetgeen [eisers] daartegen hebben ingebracht, niet geleverd. Daarom zal aan het Bureau worden opgedragen haar stelling te bewijzen. De bewijsopdracht zal worden verstrekt bij hetzelfde tussenvonnis als waarbij de te raadplegen deskundigen zullen worden benoemd. Vooruitlopend hierop wordt aan het Bureau verzocht zich bij akte uit te laten of het dit bewijs door middel van getuigenverhoren en/of anderszins wil leveren.

4.16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 maart 2009 voor het nemen van een akte door beide partijen ter uitvoering van hetgeen is overwogen onder 4.10, 4.11 en 4.15,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.