Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH3688

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
05/900100-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair. Vrijspraak 246, 45 WvSr. Bewezenverklaring 247, 45 WvSr. Poging tot ontucht met een meisje van 14 jaar. Eén op één verklaring verdachte en aangeefster. De militaire kamer heeft geen reden om de juistheid of de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster in twijfel te trekken. Daarbij heeft zij in haar overweging meegenomen dat de verklaringen van aangeefster duidelijk, logisch en consistent zijn. Vrijspraak primair tenlastegelegde: Naar het oordeel van de militaire kamer is onvoldoende vast komen te staan dat verdachte door aangeefster bij de capuchon vast te houden het opzet heeft gehad aangeefster door geweld of bedreiging te dwingen tot het plegen/dulden van ontuchtige handelingen. De militaire kamer houdt de mogelijkheid open dat verdachte dit heeft gedaan om op die manier aangeefster te laten stoppen met gillen en zo ontdekking te voorkomen. Militaire detentie 1 maand en een werkstraf van 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900100-08

Datum zittingen : 15 december 2008 en 9 februari 2009

Datum uitspraak : 23 februari 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

ranr/rnr : [rang], [nummer],

ingedeeld bij : [onderdeel].

Raadsman : mr. K.R Hofmann-Kuijl, advocaat te Hoorn.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer toegestane wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2008 in of nabij het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit onder meer het laten betasten van zijn penis, opzettelijk

- haar met zijn penis uit zijn gulp heeft benaderd, en/of

- haar heeft gevraagd of ze wel eens een piemel heeft gezien, en/of

- haar heeft gevraagd of ze zijn piemel wilde aanraken, en/of

- haar (onverhoeds) heeft vastgepakt/gegrepen bij haar capuchon en/of haar schouder, althans haar (boven)lichaam, en/of

- (vervolgens) haar naar zich toe heeft getrokken, en/of

- zijn hand voor haar mond heeft gehouden, en/of

- haar belet heeft weg te lopen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 246 Wetboek van Strafrecht

art. 45 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 29 januari 2008 in of nabij het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen, bestaande uit onder meer het laten betasten van zijn penis, te plegen

- haar met zijn penis uit zijn gulp heeft benaderd, en/of

- haar heeft gevraagd of ze wel eens een piemel heeft gezien, en/of

- haar heeft gevraagd of ze zijn piemel wilde aanraken, en/of

- haar heeft vastgepakt/gegrepen bij haar capuchon en/of haar schouder, althans haar (boven)lichaam, en/of

- (vervolgens) haar naar zich toe heeft getrokken, en/of

- zijn hand voor haar mond heeft gehouden, en/of

- haar belet heeft weg te lopen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 247 Wetboek van Strafrecht

art. 45 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 29 januari 2008 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in of nabij het Streekbos, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

art. 239 Wetboek van Strafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

Bij tussenvonnis d.d. 29 december 2008 heeft de militaire kamer het onderzoek heropend. De zaak is laatstelijk d.d. 9 februari 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. K.R Hofmann-Kuijl, advocaat te Hoorn.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen aangeefster [slachtoffer]. Eveneens is verschenen dhr. [betrokkene 1], haar wettelijk vertegenwoordiger.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 2 maanden militaire detentie geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook wanneer dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag. Voorts heeft de officier van justitie een werkstraf geëist voor de duur van 160 uren subsidiair te vervangen door 80 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [betrokkene 1], tot een bedrag van € 418,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld:

Op 29 januari 2008 bevond verdachte zich in het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec. Op enig moment is verdachte in dit Streekbos [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1994, tegengekomen.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde en beoordeling van het subsidiair tenlastegelegde

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat hij de lezing van aangeefster [slachtoffer] ten aanzien van de feiten geloofwaardig en authentiek acht. Op basis van haar verklaringen, met name op het punt dat verdachte een hand voor haar mond heeft gehouden terwijl hij haar vasthield, heeft de officier van justitie de overtuiging bekomen dat verdachte opzet had aangeefster [slachtoffer] door geweld of bedreiging daarmee, danwel door enige andere feitelijkheid te dwingen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat het op basis van de één op één verklaringen van verdachte en aangeefster [slachtoffer] niet mogelijk is wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte enig strafbaar feit heeft gepleegd.

Beoordeling van de standpunten

De militaire kamer stelt voorop dat in zedenzaken als de onderhavige de beoordeling van het tenlastegelegde in de kern neerkomt op een weging van de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaringen van enerzijds het slachtoffer en anderzijds de verdachte. De militaire kamer kan zich niet verenigen met het standpunt van de verdediging dat één op één verklaringen per definitie onvoldoende bewijsmateriaal opleveren om tot een wettig en overtuigende bewezenverklaring te kunnen komen.

De militaire kamer heeft geen reden om de juistheid of de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] in twijfel te trekken. De militaire kamer heeft daarbij in het bijzonder de volgende argumenten in haar overweging meegenomen. De eerste verklaring van aangeefster [slachtoffer] is vrijwel direct na het incident opgenomen, vlak nadat zij overstuur thuis was gekomen. De verbalisant die haar verklaring heeft opgenomen heeft waargenomen dat aangeefster [slachtoffer] emotioneel was, huilde en een wit gelaat had . Voorts heeft de militaire kamer geconstateerd dat deze door voornoemde verbalisant in een proces-verbaal van bevindingen opgetekende verklaring van aangeefster [slachtoffer] duidelijk is, geen onlogischheden bevat en consistent is met de door haar later afgelegde verklaringen. Ter terechtzitting heeft de militaire kamer opgemerkt dat aangeefster [slachtoffer] bij het afleggen van haar verklaring oprecht geëmotioneerd was. Naar het oordeel van de militaire kamer sterken die –authentiek overgekomen– emoties de betrouwbaarheid van de in haar verklaring aangegeven weergave van het incident.

Gelet hierop hecht de militaire kamer minder waarde aan de verklaring van verdachte, die haaks staat op die van [slachtoffer]. De militaire kamer baseert haar overtuiging mede op het feit dat verdachte op diverse punten wisselend verklaard heeft. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld in eerste instantie bij de politie verklaard aangeefster [slachtoffer] in het geheel niet te hebben vastgepakt. In datzelfde verhoor heeft verdachte vervolgens verklaard aangeefster [slachtoffer] wel te hebben vastgepakt bij de schouder en dat hij daarbij mogelijk zijn hand voor haar mond zou hebben gedaan. Vervolgens heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer] niet heeft vastgepakt, maar wel een beetje heeft aangeraakt. De militaire kamer heeft geen reden om aan te nemen dat de eerder op dit punt afgelegde verklaringen door de Koninklijke Marechaussee aan verdachte in de mond zijn gelegd zoals verdachte ter terechtzitting heeft betoogd.

In tegenstelling tot wat de raadsvrouw heeft bepleit acht de militaire kamer de verklaring van aangeefster [slachtoffer] betrouwbaar en bruikbaar als wettig bewijs. Aangeefster heeft bij de politie verklaard in het Streekbos te hebben gewandeld met haar hondje. Zowel verdachte als aangeefster hebben bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat zij elkaar daar twee maal tegen het lijf zijn gelopen. Bij die tweede ontmoeting had verdachte zijn geslachtsdeel uit zijn broek hangen. Verdachte heeft daarbij aan aangeefster [slachtoffer] gevraagd of zij wel eens een piemel had gezien. Eveneens heeft verdachte aan die [slachtoffer] gevraagd: ‘Wil je hem aanraken?’

Naar het oordeel van de militaire kamer is onvoldoende vast komen te staan dat verdachte met de in het primair en subsidiair tenlastegelegde omschreven geweldshandeling het opzet heeft gehad aangeefster door geweld of bedreiging te dwingen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar bij de capuchon heeft vast gehouden en voorts zijn hand voor haar mond heeft gehouden. De militaire kamer houdt de mogelijkheid open dat verdachte dit heeft gedaan om op die manier aangeefster te laten stoppen met gillen en zo ontdekking te voorkomen en niet om, zoals de officier heeft betoogd, haar te dwingen ontucht te plegen/dulden. Derhalve zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van het hem primair tenlastegelegde.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 29 januari 2008 in of nabij het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen, bestaande uit onder meer het laten betasten van zijn penis, te plegen

- haar met zijn penis uit zijn gulp heeft benaderd, en

- haar heeft gevraagd of ze wel eens een piemel heeft gezien, en

- haar heeft gevraagd of ze zijn piemel wilde aanraken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van subsidiair:

Poging tot het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel of gedeeltelijk uitsluiten met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 19 januari 2009 en een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 28 oktober 2008, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich als volwassene schuldig gemaakt aan een poging tot het plegen van ontuchtige handelingen met een voor hem onbekend veertienjarig meisje. Verdachte heeft daarbij alleen zijn eigen seksuele lustgevoelens laten prevaleren.

De militaire kamer rekent het verdachte sterk aan dat hij nadat hij zijn slachtoffer had aangesproken en zij niet op zijn verzoeken inging maar juist begon te gillen, haar 10 tot 15 seconden heeft vastgepakt bij haar capuchon en een hand op de mond heeft gelegd. Met dit handelen is verdachte een stap verder gegaan dan wanneer hij zijn slachtoffer fysiek met rust had gelaten. De omstandigheid dat niet is komen vast te staan wat op dat moment zijn precieze intentie was doet er niet aan af dat deze handeling voor het slachtoffer betekende dat zij zich niet aan de voor haar ongewenste en intimiderende aanwezigheid van verdachte kon onttrekken en dat dit voor haar bedreigend en beangstigend is geweest.

Ten gunste van verdachte houdt de militaire kamer rekening met het feit dat het thans bij een poging tot ontucht is gebleven en dat niet bewezen is dat het vasthouden van het slachtoffer het doel had haar te dwingen ontucht te plegen of te dulden. Voorts houdt de militaire kamer rekening met het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De militaire kamer is, alles overziende, van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf dient te worden opgelegd, die in duur beperkter is dan door de officier van justitie geëist nu hij tot een andere bewezenverklaring komt.

Voorts zal de militaire kamer een voorwaardelijke militaire detentie opleggen. Deze voorwaardelijke straf dient om de ernst van de feiten mede tot uitdrukking te brengen evenals om verdachte ervan te weerhouden soortgelijke feiten in de toekomst te plegen. Aan de voorwaardelijke straf zal de militaire kamer de bijzondere voorwaarde verbinden zoals de Reclassering Nederland in haar rapportage heeft geïndiceerd.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, evenals de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 51b en 51c van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [betrokkene 1] vordert bij wijze van voorschot een bedrag van € 418,-, vermeerderd met wettelijke rente, wegens immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 418,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

De militaire kamer acht voldoende bewezen dat [slachtoffer] door wat haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De militaire kamer acht in ieder geval een bedrag van

€ 418,- , vermeerderd met de wettelijke rente, toewijsbaar, nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd.

Voor de vordering geldt tevens dat de militaire kamer de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de militaire kamer toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45, 247 van het Wetboek van Straf¬recht en voorts artikel 11 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een militaire detentie voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat deze militaire detentie niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit danwel de navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, (ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij de Waag te Amsterdam of een andere vergelijkbare instelling) voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling(en) nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

En voorts tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten (4) uren, zijnde 2 (twee) dagen hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [betrokkene 1], wonende te [adres], [woonplaats], te betalen € 418,- (zegge vierhonderdachttien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2008.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 418,- subsidiair 8 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [betrokkene 1], wonende te [adres], [woonplaats], te betalen € 418,-, (zegge vierhonderdachttien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2008, bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.G. Broek – de Stigter, rechter als voorzitter,

mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2009.