Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH3683

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
05/801307-08 en 05/800088-07 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:3275, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair. Het niet opvolgen van een dienstvoorschrift waardoor gevaar voor personen is ontstaan in Kamp Holland (art 136 lid 1 ahf/ond 2 WvMS). Verdachte heeft op zeer korte afstand van zijn collega en in een besloten ruimte, een seinpistool afgevuurd, terwijl hij niet had gecontroleerd of dit ontladen was. Hierdoor is een collega door een lichtpatroon (flare) getroffen aan de rechterborst. Gelet op het brandbare karakter van de munitie en het bereik van een lichtpatroon is door aldus te handelen reëel gevaar te duchten geweest voor de gezondheid van zijn collega maar ook voor de overige personen en goederen in Kamp Holland. De militaire kamer ziet dit zeer onverantwoorde gedrag als een ernstig strafbaar feit. Werkstraf 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/801307-08, 05/800088-07 (tul)

Datum zitting : 9 februari 2009

Datum uitspraak : 23 februari 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang/rnr. : [rang] / [nummer],

ingedeeld bij : [onderdeel].

Raadsman : mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk.

Officier – raadsman : majoor H.B. Lolkema.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij als militair, op of omstreeks 04 oktober 2008, te of nabij Tarin Kowt, in elk geval in Afghanistan, opzettelijk het dienstvoorschrift VS 7-510 (Pistool, sein, kal..4 (26,5 mm), 'GECO'), waarin onder "veiligheidsregels" (onder punt 6) was voorgeschreven dat bij alle handelingen aan het wapen, moet het wapen in een veilige richting worden gehouden, niet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij een wapen (seinpistool) ter hand heeft genomen en/of (vervolgens) de haan van het wapen naar achteren heeft gehaald en/of (vervolgens) het wapen op [slachtoffer] heeft gericht en/of (vervolgens) de trekker van het wapen heeft overgehaald waarbij/waarna een schot (flare) is afgegaan waardoor voornoemde [slachtoffer] door een (licht)patroon (flare) aan de (rechter)borst werd getroffen/geraakt, terwijl daarvan/daardoor gemeen gevaar voor een persoon, te weten genoemde [slachtoffer], te duchten is geweest;

(art 136 lid 1 ahf/ond 2 Wetboek van Militair Strafrecht)

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevinden zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05/800088-07).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 9 februari 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk en majoor H.B. Lolkema.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf subsidiair te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gevorderd, te weten de tenuitvoerlegging van 2 maanden militaire detentie, die door de militaire politierechter van de rechtbank Arnhem d.d. 27 september 2007 voorwaardelijk aan verdachte is opgelegd.

Verdachte en zijn raadslieden hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat dienstvoorschrift VS 7-510 (Pistool, sein, kal. 4 (26,5) 1993) niet door een daartoe bevoegde autoriteit is vastgesteld omdat, zo voert hij aan, de Commandant commando opleidingen van de Koninklijke Landmacht niet bevoegd is een dienstvoorschrift voor de gehele Landmacht vast te stellen. In verband hiermee concludeert de raadsman dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

De militaire kamer verwerpt dit verweer. Commandant van het opleidings- en trainingscommando is na reorganisatie van de Landmacht de rechtsopvolger van Commandant commando opleidingen. Blijkens artikel 4 lid 1 aanhef en sub c. 6o van de Uitvoeringsregeling militair straf- en tuchtrecht 2000 komt de bevoegdheid tot het geven van dienstvoorschriften als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht toe aan de Commandant van het opleidings- en trainingscommando voor zover het dienstvoorschriften betreft die binnen het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) breed moeten worden gehanteerd. De stelling van de raadsman van verdachte dat deze bevoegdheid ondanks het bepaalde in voornoemd artikel feitelijk beperkt zou zijn tot dienstvoorschriften die enkel de opleiding betreffen vindt geen steun in het recht en wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat Commandant commando opleidingen van de Koninklijke Landmacht bevoegd was om het dienstvoorschrift VS 7-510 voor de gehele Landmacht vast te stellen.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij als militair, op 04 oktober 2008, te Tarin Kowt opzettelijk het dienstvoorschrift VS 7-510 (Pistool, sein, kal..4 (26,5 mm), 'GECO'), waarin onder "veiligheidsregels" (onder punt 6) was voorgeschreven: ‘bij alle handelingen aan het wapen, moet het wapen in een veilige richting worden gehouden’, niet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij een wapen (seinpistool) ter hand heeft genomen en vervolgens) de haan van het wapen naar achteren heeft gehaald en het wapen op [slachtoffer] heeft gericht en (vervolgens) de trekker van het wapen heeft overgehaald waarna een schot (flare) is afgegaan waardoor voornoemde [slachtoffer] door een (licht)patroon (flare) aan de (rechter)borst werd getroffen/geraakt, terwijl daardoor gemeen gevaar voor een persoon, te weten genoemde [slachtoffer], te duchten is geweest;

(art 136 lid 1 ahf/ond 2 Wetboek van Militair Strafrecht)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Als militair opzettelijk een dienstvoorschrift niet opvolgen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen te duchten is.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel of gedeeltelijk uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 19 januari 2009.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte maakt deel uit van een militaire organisatie waar de omgang met wapens en munitie aan de orde van de dag is. Daarbij dient iedere militair zich op elk moment bewust te zijn van de gevaren die onzorgvuldig omgaan met wapens teweeg kunnen brengen. Verdachte heeft, ondanks zijn ervaring als militair, hier niet naar gehandeld door in strijd met een geldend dienstvoorschrift buiten noodzaak met een seinpistool op een collega te richten en vervolgens af te drukken. Hierbij is een collega door een lichtpatroon (flare) getroffen aan de rechterborst. De militaire kamer ziet dit zeer onverantwoorde gedrag als een ernstig strafbaar feit.

De militaire kamer is van oordeel dat, hoewel het letsel beperkt is gebleven tot een blauwe plek en een schaafwond, zich veel ernstiger gevolgen hadden kunnen verwezenlijken. Verdachte heeft immers op zeer korte afstand van zijn collega en in een besloten ruimte, het wapen afgevuurd, terwijl hij niet had gecontroleerd of dit ontladen was. Gelet op het brandbare karakter van de munitie en het bereik van een lichtpatroon is door aldus te handelen reëel gevaar te duchten geweest voor de gezondheid van [slachtoffer] maar ook voor de overige personen en goederen in Kamp Holland.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf laat de militaire kamer ten nadele van verdachte meewegen dat hij ten tijde van het plegen van het onderhavige feit in een proeftijd liep. Deze omstandigheid heeft voor verdachte kennelijk geen beletsel gevormd wederom een strafbaar feit te plegen. Voorts houdt de militaire kamer met het bepalen van de strafmaat ten gunste van verdachte rekening met de rol van het slachtoffer die zelf ook nodeloos een pistool hanteerde ten tijde van het incident. Namens verdachte is nog aangevoerd dat zijn positie als militair in gevaar komt indien hem een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke taakstraf of vrijheidstraf van welke omvang dan ook wordt opgelegd, omdat hij al eerder is veroordeeld en daarom voor hem een eventueel te ondergaan veiligheidsonderzoek negatief zal uitpakken. De rechtbank is van oordeel dat dit gegeven bij de strafmaatbepaling echter slechts van beperkt belang is nu het aan het eigen handelen van verdachte te wijten is dat hij in deze positie verkeert.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een werkstraf ter hoogte van de eis van de officier van justitie.

6a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist.

In aansluiting op hetgeen door de raadsvrouw van verdachte is betoogd ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling, zal de militaire kamer bepalen dat de proeftijd met één jaar zal worden verlengd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14f, 14g, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 91 van het Wetboek van Straf¬recht en voorts de artikelen 4, 136 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 50 (vijftig) dagen.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke gevangenisstraf die verdachte is opgelegd bij vonnis van de militaire politierechter van de rechtbank Arnhem van 27 september 2007 met 1 (één) jaar.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter als voorzitter,

mr. P. Oskam, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2009.

Zijnde mr. P. Oskam buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.