Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH3671

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
05/801315-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer veroordeelt ex-militair tot 80 uur werkstraf. Verdachte heeft zich opzettelijk ontrokken aan de bewaking van een detainee door op bed te gaan liggen en de ogen gesloten te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis

Parketnummer : 05/801315-07

Data zitting : 14 april 2008, 15 december 2008 en 09 februari 2009

Datum uitspraak : 23 februari 2009

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

Raadsman : mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij als militair op of omstreeks 09 augustus 2007, te of nabij Tarin Kowt, in elk geval in Afghanistan, als "gauard detainee" belast met de bewaking van een detainee, opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig, zich heeft onttrokken aan, dan wel zich ongeschikt heeft gemaakt of laten maken voor een bijzondere verplichting betreffende de waakzaamheid of veiligheid, althans die verplichting niet heeft vervuld dan wel niet in staat was te vervullen, door toen en daar opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig op bed te gaan liggen en/of (vervolgens) in slaap te vallen, althans zijn, verdachtes, ogen gesloten te houden, waardoor er geen toezicht (meer) was op voornoemde

detainee, althans niet voortdurend paraat en waakzaam te zijn geweest, terwijl als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade is ontstaan aan, althans te duchten is geweest voor de bestrijding van gemeen gevaar voor personen en/of goederen, te weten de veiligheid van ISAF personeel en/of ISAF faciliteiten en/of voornoemde detainee, de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht dan wel de veiligheid, hierin bestaande dat voornoemde detainee niet voortdurend geobserveerd werd/kon worden en/of daardoor niet voortdurend toezicht op voornoemde detainee werd/kon worden uitgeoefend.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 9 februari 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.1 Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Verdachte was als militair op 09 augustus 2007 te Tarin Kowt, Afghanistan, als guard detainee belast met de bewaking van een detainee. Verdachte is gedurende zijn taak als guard detainee welbewust op bed gaan liggen en heeft zijn ogen gesloten en, gedurende verschillende perioden van enkele minuten, gesloten gehouden.

3.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft tot vrijspraak geconcludeerd van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe het navolgende aangevoerd:

• Het op bed liggen was in die situatie niet tegen de regels. Verdachte heeft van de Commander of the Guards, [getuige1] niet begrepen dat hij niet op bed mocht liggen. Hij stelt dat [getuige1] niet de waarheid spreekt omtrent dat punt en dat hij uit zijn woorden heeft begrepen dat het wellicht niet verstandig was, maar dat het wel mocht. Ook [getuige2] heeft verdachte op bed zien liggen, maar daar verder geen opmerking over gemaakt.

• Niet bewezen kan worden dat verdachte werkelijk sliep. De getuigen verklaren er voor respectievelijk 70 procent en 95 procent zeker te zijn dat verdachte sliep. Bovendien blijkt niet uit het dossier dat verdachte kenmerken van slaap vertoonde op het moment dat hij werd aangesproken, behalve dan dat hij zijn ogen gesloten had.

• Dat verdachte zijn ogen had gesloten, betekent nog niet dat hij geen toezicht meer had op verdachte. Er was met open ogen ook geen sprake van toezicht, daar de detainee achter een gordijn lag en voortdurend observeren niet mogelijk was. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte niet voordurend waakzaam is geweest.

• Er is geen sprake geweest van gevaarzetting, daar de detainee totaal weerloos was. Hij was aan ziekenhuisapparatuur verbonden en hij had een drain. Zodra iets los zou geraken zou de apparatuur gaan piepen. Bovendien was de detainee niet dusdanig gevaarlijk dat hij geblinddoekt was en dat hij oordoppen in moest, zoals het protocol voorschrijft. Bovendien is er geen schade ontstaan.

3.3 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende zijn taak als guard detainee opzettelijk op bed is gaan liggen en in slaap is gevallen en dat daarmee gevaar is ontstaan voor ISAF personeel en ISAF faciliteiten. Hij heeft daartoe gesteld dat twee getuigen ter terechtzitting van 15 december 2008 hebben verklaard dat zij verdachte hebben zien slapen, hoewel zij daar niet helemaal zeker van waren. Verdachte reageerde niet op het met kabaal binnenkomen van [getuige2] en [getuige3] of op lichtschijnsel in zijn ogen en reageerde wat versuft en nonchalant nadat [getuige2] hem tegen de voet had getikt, zo verklaarden de getuigen.

Voorts is de officier van justitie van oordeel dat getuige [getuige1] verdachte nog heeft gewaarschuwd dat hij niet op bed moest gaan liggen. Er zijn geen redenen om aan te nemen waarom [getuige1] daarover gelogen zou hebben, aldus de officier van justitie.

Tenslotte heeft de officier betoogd dat sprake is van gevaarzetting, nu de detainee gevangen was genomen als zijnde een vijandig element van de Nederlandse troepen en de Afghaanse bevolking. Bovendien is verklaard dat de detainee weliswaar een ontstoken arm had, maar niets aan zijn benen mankeerde.

3.4 Beoordeling en conclusie

De militaire kamer, gezien de standpunten, het dossier en overige stukken, overweegt als volgt:

• De militaire kamer acht niet overtuigend bewezen dat verdachte heeft geslapen, immers de getuigen [getuige2] en [getuige3] hebben ter terechtzitting van 15 december 2008 verklaard dat zij niet zeker wisten dat verdachte sliep. Dat verdachte niet heeft gereageerd op het lichtschijnsel in zijn ogen en het kabaal dat werd veroorzaakt door het klappen van de instap bij de deur doet hieraan niet af aangezien beide getuigen dit ontbreken van een reactie van verdachte hebben waargenomen en desondanks op basis van hun waarnemingen niet met meer dan respectievelijk 95% en 70% zekerheid konden verklaren dat hij sliep . Dit geldt ook voor de nonchalante of schrikachtige wijze waarop verdachte volgens de voornoemde getuigen reageerde toen getuige [getuige2] hem aanraakte , op welk punt de verklaringen van de getuigen voorts onderling verschillen.

• De militaire kamer verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat het op bed gaan liggen niet in strijd met de regels is.

Dat er geen op schrift gestelde regels zijn die expliciet verbieden om tijdens de wacht op bed te gaan liggen, betekent niet dat het wel zou mogen.

Daarbij komt dat verdachte niet enkel wordt verweten dat hij tijdens zijn wachtdienst op bed is gaan liggen, maar dat hij op bed is gaan liggen en zijn ogen daarbij gesloten heeft gehouden. De militaire kamer is van oordeel dat de door verdachte aangevoerde unieke situatie - het in een hospitaal bewaken van een gewonde gevangene - er niet aan af doet dat hij daarmee heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen. Verdachte dient juist in die situaties waarin geen specifieke regels opgesteld zijn terug te vallen op de voor alle militairen geldende ongeschreven regels. De militaire kamer is van oordeel dat het voor opgeleide militairen een feit van algemene bekendheid is dat er tijdens wachtdiensten, in welke vorm dan ook, in beginsel niet met gesloten ogen op bed mag worden gelegen aangezien dit de geboden waakzaamheid belemmert. Daarbij komt dat hij door zijn meerdere is gewezen op de onwenselijkheid van het - zelfs met open ogen - op bed liggen. [getuige1] heeft verklaard dat hij toen hij verdachte eerder die nacht (in wakkere toestand) op het bed had zien liggen tegen hem heeft gezegd “doe dit nu niet, zo meteen val je in slaap” en dat hij dit heeft herhaald toen verdachte zei dat hij niet in slaap zou vallen, waarna hij is weggelopen . Anders dan verdachte aanvoert kan naar het oordeel van de rechtbank uit deze woorden en het weglopen in redelijkheid niet worden begrepen dat het op bed liggen impliciet of expliciet werd toegestaan. De rechtbank heeft geen reden om aan voornoemde ter terechtzitting door [getuige1] onder ede herhaalde weergave van de gang van zaken te twijfelen zodat de stelling van verdachte dat [getuige1] daarover niet de waarheid heeft verteld wordt verworpen.

Nu verdachte welbewust op bed is gaan liggen en dit ook nadat hij daarop is aangesproken is blijven doen en hij daarbij ook nog zijn ogen heeft gesloten heeft hij opzettelijk in strijd met de basale regels gehandeld.

• De militaire kamer verwerpt ook het verweer van de raadsman inhoudende dat, gezien de bijzondere omstandigheden, waarbij de te bewaken detainee in een ziekenhuisbed lag te slapen, verdachte met zijn ogen dicht nog steeds voldoende waakzaam zou zijn omdat hij het zou kunnen horen indien de gevangene uit bed zou komen. Verdachte was niet voldoende waakzaam. Hij reageerde immers niet op het kabaal dat gemaakt werd door [getuige3] en [getuige2] bij het binnenkomen van de kamer en hij reageerde ook nog niet toen [getuige2] hem met haar petsel (hoofdlampje) in het gezicht scheen. Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij de aanwezigheid van [getuige2] en [getuige3] pas heeft waargenomen nadat hij door [getuige2] was aangeraakt. . De militaire kamer acht het daarom niet aannemelijk dat verdachte wel gemerkt zou hebben indien de detainee wakker zou zijn geworden en uit bed zou zijn geklommen, temeer niet nu verdachte zelf ter zitting verklaard heeft dat er een loeiende airconditioner in de kamer aanwezig was, waardoor naar het oordeel van de militaire kamer het scherp kunnen waarnemen van andere geluiden werd bemoeilijkt. Dat de detainee volgens de verklaringen van verdachte aan een monitor lag die zou gaan piepen zodra de verbinding zou worden verbroken, brengt evenmin mee dat verdachte, ondanks dat hij met zijn ogen dicht lag, zou hebben gemerkt indien dat gevangene zijn bed en de kamer zou verlaten. Verdachte heeft immers eveneens ter zitting verklaard dat het piepsignaal kon worden uitgezet.

• De militaire kamer verwerpt ten slotte het verweer van de raadsman inhoudende dat er geen sprake was van gevaarzetting voor ISAF personeel en ISAF faciliteiten. Immers, de detainee is gevangengenomen omdat hij een potentieel gevaarlijk lokaal strijder zou zijn. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat het niet met voldoende waakzaamheid bewaken van de detainee met zich bracht dat er gevaar te duchten was voor ISAF personeel en ISAF faciliteiten. De detainee had slechts een ontstoken arm en koorts en er bestonden voor hem geen medische belemmeringen het ziekenhuisbed te verlaten . Voorts mag verwacht worden dat de de detainee als “Opposing Militant Forces-detainee” de ISAF missie vijandig gezind was. Het was derhalve te duchten dat hij bij ontsnapping gevaar op zou leveren voor verdachte, het overige ISAF personeel en ISAF faciliteiten door bijvoorbeeld sabotageactiviteiten te ontplooien, onverhoeds geweld te gebruiken of zelfs op het kamp aanwezige wapens te bemachtigen en te gebruiken.

Gezien het bovenstaande acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Primair

hij als militair op 09 augustus 2007, te Tarin Kowt, in Afghanistan, als "guard detainee" belast met de bewaking van een detainee, opzettelijk, zich heeft onttrokken aan een bijzondere verplichting betreffende de waakzaamheid, door toen en daar opzettelijk, op bed te gaan liggen en zijn, verdachtes, ogen gesloten te houden, waardoor er geen toezicht (meer) was op voornoemde detainee, terwijl als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade te duchten is geweest voor de bestrijding van gemeen gevaar voor personen en goederen, te weten de veiligheid van ISAF personeel en ISAF faciliteiten.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

“als militair zich opzettelijk aan een bijzondere verplichting betreffende de waakzaamheid of veiligheid onttrekken, terwijl als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade te duchten is voor de bestrijding van gemeen gevaar voor personen of goederen”

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 19 november 2008.

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier is van oordeel dat er van de strafoplegging onder meer generale preventie uit moet gaan. Voorts moet worden meegewogen dat verdachte geen documentatie heeft en dat het feit relatief oud is.

6.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair tot vrijspraak geconcludeerd. Subsidiair heeft hij bepleit dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat de officier van justitie de zaak eerst wilde afdoen op een zogenaamde TOM-zitting. Bovendien draaide verdachte een 24-uursdienst en zulke diensten zijn direct na het incident afgeschaft. De functie van guard was een nevenfunctie. Tenslotte dient er rekening worden gehouden met de onberispelijke staat van dienst van verdachte bij defensie en met het feit dat hij zwaar gestraft is door de repatriëring en de doorkruising van zijn carrière bij defensie.

6.3 Beoordeling en conclusie

Verdachte is tijdens de bewaking van een potentieel gevaarlijke vijandige strijder (Opposing Militant Forces) op bed gaan liggen met de ogen dicht. Als ervaren militair had verdachte zich moeten realiseren dat hij door deze handelwijze niet meer adequaat zou kunnen reageren op een mogelijke ontsnappingspoging van de detainee. Ook brengt het tijdens de nachtelijke uren van een 24-uursdienst met gesloten ogen gaan liggen op een bed een niet onaanzienlijk risico mee dat verdachte in slaap zou vallen. Door zo te handelen is verdachte niet te allen tijde waakzaam geweest en heeft hij zichzelf, zijn collega’s en ISAF faciliteiten in gevaar gebracht. De militaire kamer is van oordeel dat verdachte hier een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij het opleggen van de straf houdt de militaire kamer echter rekening met het feit dat verdachte vroegtijdig gerepatrieerd is en dat het feit relatief oud is. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte een goede staat van dienst had bij defensie en dat hij geen justitiële documentatie heeft.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

• 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht, en

• 4 en 107 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Het verrichten van een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter,

mr. A.G. Broek – de Stigter, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe militair lid,

in tegenwoordigheid van S.P. Visser en mr. L.E. Huberts griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2009.