Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH3287

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/3991
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WMO-voorziening in de vorm van autoaanpassing. Collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv) is in dit geval de goedkoopste voorziening. Verweerder heeft echter de bovenregionale vervoersbehoefte van eiseres niet onderzocht, maar zich beperkt tot lokaal vervoer en verwijzing naar Valys. Daarom is stelling eiseres dat zij met het cvv in een sociaal isolement geraakt niet weerlegd. Gelet op artikel 26 van de Wmo zal verweerder alsnog moeten motiveren op welke wijze zijn besluit bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de normale maatschappelijke participatie van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3991

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 februari 2009

inzake

[naam eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaal, verweerder.

Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 augustus 2008.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008 heeft verweerder geweigerd eiseres met toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) in aanmerking te brengen voor een autoaanpassing in de vorm van een elektrische achterklepopener.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend, alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 januari 2009. Eiseres is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. M.S. Dekker.

Overwegingen

3.1 Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wmo - voor zover hier van belang - treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge het tweede artikellid houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Ingevolge het tweede artikellid is het in het eerste lid gestelde van overeenkomstige toepassing op een besluit op bezwaar.

De raad van de gemeente Lingewaal heeft op grond van artikel 5 van de Wmo de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lingewaal (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend, voor zover (a.) deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen, (b.) deze naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt en (c.) deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Ingevolge artikel 26 van de Verordening kan de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen, te verstrekken voorziening bestaan uit (a.) een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening; (b.) een vervoersvoorziening in natura; (c.) een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.

Ingevolge artikel 27 van de Verordening kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, voor de in artikel 26 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek (a.) het gebruik van het openbaar vervoer of (b.) het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.

Ingevolge artikel 28 van de Verordening kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, voor de in artikel 26, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer (a.) aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 26, onder a., onmogelijk maken dan wel (b.) een collectief systeem als bedoeld in artikel 26, onder a, niet aanwezig is.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Verordening wordt bij de te verstrekken vervoersvoorziening ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

3.2 Aan het bestreden besluit ligt, gelet op het advies van de bezwaarschriftencommissie, het standpunt van verweerder ten grondslag dat de aanvraag voor de autoaanpassing in redelijkheid is afgewezen, aangezien de aanvraag door een ergotherapeut is beoordeeld en eiseres al langdurig gebruik maakt van taxivervoer naar haar werk. Verweerder acht de collectieve vervoersvoorziening de goedkoopst adequate voorziening.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de noodzakelijke aanpassing van haar auto niet kan betalen. Voorts stelt eiseres dat verweerder, voordat zij de auto heeft aangeschaft, mondeling heeft toegezegd dat de auto van eiseres zou worden aangepast. Volgens eiseres is het niet mogelijk om met het regiovervoer naar het revalidatiecentrum in Utrecht te reizen, waar zij sport en therapie krijgt en tevens om naar haar vriend in Enschede te gaan. Eiseres stelt voorts dat zij met het regiovervoer haar sociale contacten niet kan onderhouden, waardoor zij als gehandicapte niet zelfstandig kan functioneren in de maatschappij.

3.3 Als gevolg van een hersenbloeding heeft eiseres hersenbeschadigingen opgelopen, waardoor zij beperkingen in het dagelijks functioneren ervaart. Eiseres kan alleen met behulp van een rollator kleine afstanden lopend afleggen. Doordat eiseres een evenwichtsstoornis heeft, is het voor haar moeilijk om de rollator achter in de auto te plaatsen.

Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres heeft verweerder het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) verzocht een medisch advies uit te brengen. Uit het advies van het CIZ, van 7 februari 2008, blijkt dat er een medische noodzaak bestaat voor een vervoersvoorziening, waarbij het CIZ de volgende mogelijkheden heeft aangegeven:

1. gebruik maken van het collectief vervoer, hetgeen het CIZ heeft aangeduid als goedkoopst adequaat;

2. aanschaffen van een auto, voorzien van algemeen gebruikelijke openingssystemen;

3. andere aanpassingen, zoals het plaatsen van een ontgrendelaar, te bedienen vanuit de bestuurdersplaats, het plaatsen van een hendel aan de zijkant van de achterklep, of een methode om de klep soepel en licht te laten lopen;

4. het plaatsen van de gevraagde elektrische achterklepopener, welke voorziening het CIZ aanmerkt als de duurst adequate voorziening.

3.4 In vervolg hierop heeft verweerder nader advies gevraagd aan J. Broekman Ergotherapie, om te bezien welke van de voorgedragen mogelijkheden in het kader van de Wmo de meest efficiënte en adequate oplossing biedt. Uit het advies van 23 maart 2008 blijkt dat Broekman op basis van het onderzoek, bestaande uit een huisbezoek, een gesprek met eiseres en een observatie van het gebruik van de huidige auto van eiseres, de door eiseres gevraagde voorziening niet noodzakelijk acht in het kader van de Wmo. Broekman heeft geconcludeerd dat een aanpassing van de huidige auto de goedkoopst adequate oplossing biedt, zoals het plaatsen van een ontgrendelaar, achterklep licht bedienbaar maken, plaatsen van een hendel en het aanbrengen van een rubberen bescherming achterdorpel (optie 3). Volgens Broekman zal eiseres met deze aanpassingen de achterklep van haar auto veilig en adequaat kunnen openen en sluiten. Voorts blijkt uit het advies dat eiseres dagelijks gebruik maakt van taxivervoer om naar haar werk in Gorinchem te gaan, welk vervoer wordt geregeld vanuit de Avelingengroep (werkgever).

Verweerder heeft op 27 maart 2008 telefonisch contact met de moeder van eiseres opgenomen, waaruit volgens verweerder is gebleken dat eiseres voor kleine afstanden gebruik maakt van taxivervoer.

3.5 Evenals in de voormalige Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is naar het oordeel van de rechtbank in de Wmo bewust aan de gemeentebesturen ruimte gegeven om naar eigen (beleids)inzicht gestalte te geven aan de Wmo, overigens onverminderd de gehoudenheid om zowel bij de vaststelling als bij de toepassing van de verordeningen de in de Wmo gegeven normeringen in acht te nemen.

In vergelijking met de Wvg kent de Wmo evenwel een ruimere doelgroep. De doelgroep van de Wmo is immers uitdrukkelijk niet beperkt tot personen die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen hebben, maar uitgebreid tot de ruimere groep van mensen die gelet op de kenmerken van de persoon beperkingen in hun zelfredzaamheid ondervinden. Daarbij heeft de wetgever bewust voor de brede begrippen “met een beperking”, “chronisch psychisch probleem” en “mensen met een psychosociaal probleem” gekozen – hetgeen overigens anders is dan de begripsomschrijving "persoon met beperkingen" die in casu in artikel 1, vijfde lid, van de Verordening is opgenomen. Aangenomen moet dan ook worden dat de verplichting tot het verstrekken van voorzieningen niet langer beperkt is tot die gevallen waarin iemand daar op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, op aangewezen is.

Evenals de Wvg is de Wmo gericht op de maatschappelijke participatie van personen. Anders dan in de Wvg is in de Wmo, gelet op artikel 4, eerste lid, van de Wmo, waarin het compensatiebeginsel tot uitdrukking is gebracht, evenwel de uitdrukkelijke resultaatsverplichting opgenomen dat een betrokkene deel moet kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer op een gelijkwaardige wijze als iemand die geen beperkingen ondervindt. Verder is in artikel 4, tweede lid, van de Wmo, waarin het individualiseringsbeginsel tot uitdrukking is gebracht, de uitdrukkelijke verplichting opgenomen tot het maken van een afweging van alle betrokken belangen, waaronder de behoeften en de persoonskenmerken van de aanvrager. Hiermee is in de Wmo een duidelijk ander toetsingskader voor het te verstrekken voorzieningenniveau opgenomen dan in de Wvg het geval was. Wel zijn enige onder de Wvg geldende beginselen, zoals het beginsel van de goedkoopst adequate voorziening, ook onder de Wmo toepasselijk. Voor het beginsel van de goedkoopst adequate voorziening brengt dat naar het oordeel van de rechtbank mee dat dit beginsel slechts geldt indien dat er niet toe leidt dat afbreuk wordt gedaan aan de compensatieplicht, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo.

3.6 Vast staat dat de goedkoopste voorziening in dit geval in beginsel gebruikmaking is van het collectief vraagafhankelijk vervoer. Dit vervoer is volgens het CIZ-advies voor eiseres medisch niet ongeschikt bevonden. Aan het bezwaar van eiseres, dat er geen vaststaande instaptijd is en zij daardoor zou moeten staan wachten en geen concrete afspraken zou kunnen maken, moet worden voorbij gegaan, aangezien er een telefonische melding kort voor het voorrijtijdstip van het vervoermiddel mogelijk is. In zoverre is het collectief vraagafhankelijk vervoer voor eiseres ook adequaat te achten.

3.7 Verweerder had evenwel de toepasselijkheid van de uitzonderingssituatie, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Verordening moeten onderzoeken. Eiseres heeft in bezwaar immers aangevoerd dat zij door de verstrekking van de voorziening van collectief vraagafhankelijk vervoer beperkt wordt in haar sociale contacten. In het CIZ-advies is voorts geconstateerd dat eiseres een duidelijke bovenregionale vervoersbehoefte heeft.

De vraag of eiseres door de verstrekte voorziening in een sociaal isolement dreigt te geraken heeft verweerder niet onderzocht. Verweerder heeft gesteld dat zijn verantwoordelijkheid beperkt is tot het lokaal vervoer en dat eiseres gebruik kan maken van taxivervoer en wellicht in aanmerking kan komen voor een persoonlijk kilometerbudget voor bovenregionaal vervoer door Valys, maar gelet op de wettelijke compensatieplicht had verweerder in dit geval de bovenregionale vervoersbehoefte van eiseres moeten onderzoeken. Daarbij hoort een onderzoek naar de vraag of eiseres met de voorziening van vraag-afhankelijk vervoer onder meer geen contact meer zou hebben met haar vriend in Enschede en met de revalidatiekliniek in Utrecht en daardoor dreigt te vereenzamen.

Gelet op de motiveringsplicht ingevolge artikel 26 van de Wmo zal verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar moeten motiveren op welke wijze het bestreden besluit bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de normale maatschappelijke participatie van eiseres.

3.8 Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder voorafgaand aan de aanschaf van de huidige auto mondeling heeft toegezegd dat deze zou worden aangepast. Eiseres heeft zulks echter onvoldoende onderbouwd, terwijl ook overigens van een toezegging niet is gebleken, zodat een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

3.9 Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, de artikelen 4 en 26 van de Wmo en artikel 31 van de Verordening.

3.10 Niet is gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor een proceskostenveroordeling in aanmerking komen.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat het griffierecht ad € 39 aan eiseres wordt vergoed door de gemeente Lingewaal.

Aldus gegeven door mr. L. van Gijn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 februari 2009