Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH2203

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/2727
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gewijzigde aangifte IB/PVV ingediend. Vervolgens aanslag opgelegd waarin deze gewijzigde aangifte niet is verwerkt. Kennisgeving van ontvangst of wijze van afhandeling van de gewijzigde aangifte is achterwege gebleven. Indiening van bezwaarschrift ter behoud van rechten is in dat geval redelijk. Gevolgen van de ontstane onduidelijkheid komen voor rekening en risico van de Belastingdienst. Kostenvergoeding in bezwaar op grond van art. 7:15, lid 2, Awb ten onrechte afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/16.9 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/2727

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 30 januari 2009

inzake

[X], wonende te [Z] eiser,

vertegenwoordigd door [A],

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 15 februari 2008, aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [H.66]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.290.

Op 25 februari 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 15 februari 2008, onder verwijzing naar een door hem op 1 februari 2008 ingediende gewijzigde aangifte. In het bezwaarschrift heeft eiser een verzoek om vergoeding van kosten in de zin van artikel 7:15 Awb opgenomen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 17 april 2008, de aanslag voor het jaar 2006 overeenkomstig de gewijzigde aangifte verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.558.

Bij brief van 2 mei 2008 heeft eiser bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het niet beslissen op zijn verzoek om vergoeding van kosten. Voor de kosten van dit bezwaarschrift is een verzoek op grond van 7:15 Awb opgenomen.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2008 heeft verweerder eisers verzoek om kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van de Awb afgewezen.

Eiser heeft daartegen bij brief van 9 juni 2008, ontvangen bij de rechtbank op 10 juni 2008, beroep ingesteld. Eiser heeft dit beroep bij brieven van 4 juli 2008, ontvangen op 7 juli 2008, en 22 augustus 2008, ontvangen op 25 augustus 2008, aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009 te Arnhem.

Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door [A], belastingconsulent te [Z]. Namens verweerder is verschenen [B], werkzaam bij de Belastingdienst[te P].

2. Feiten

Op 2 maart 2007 heeft eiser een (eerste) digitale aangifte IB/PVV bij verweerder ingediend. Het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 23.290.

Op 1 februari 2008 heeft eiser een (tweede, gewijzigde) digitale aangifte IB/PVV ingediend, waarin verwerkt een persoonsgebonden aftrek van € 732. Volgens deze aangifte bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning € 22.558.

Met dagtekening 15 februari 2008 legt verweerder een aanslag aan eiser op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.290.

Op 25 februari 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 15 februari 2008, onder verwijzing naar zijn gewijzigde aangifte van 1 februari 2008.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 april 2008 vermindert verweerder de aanslag naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.558.

Op 2 mei 2008 maakt eiser bezwaar bij verweerder tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2008 heeft verweerder eisers verzoek om toekenning van een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase afgewezen.

De website van de Belastingdienst vermeldt onder het kopje “ Elektronische aangifte wijzigen” het volgende:

“Een elektronische aangifte kunt u wijzigen of aanvullen zolang u hiervoor nog geen definitieve aanslag hebt gekregen. U past de eerder ingevulde en opgestuurde aangifte aan en verstuurt deze opnieuw. Wij nemen de gewijzigde of aangevulde aangifte dan in behandeling.”

Eiser heeft van de Belastingdienst geen bericht ontvangen dat zijn tweede aangifte niet meer in behandeling kon worden genomen. Evenmin heeft hij bericht ontvangen op welke wijze deze dienst zijn tweede aangifte vervolgens zou behandelen.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht eisers verzoek om kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van de Awb heeft afgewezen.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een herroeping van het primaire besluit wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Hij voert hiertoe aan dat, gelet op het stadium van het geautomatiseerde verwerkingsproces waarin eisers eerste aangifte zich bevond, het voor hem redelijkerwijs niet meer mogelijk was om de gewijzigde aangifte van 1 februari 2008 nog te verwerken in de definitieve aanslag van 15 februari 2008.

De rechtbank overweegt als volgt. De Belastingdienst stelt blijkens de mededeling op haar website belanghebbenden zonder beperking in staat meerdere aangiftes in te dienen en zegt daarbij toe uit te gaan van de laatst ingediende aangifte. Op welk moment een aangifte in behandeling wordt genomen is in veel gevallen – als er geen correspondentie wordt gevoerd – niet bekend voor de betrokkene. Deze is daarom niet van de behandeling van de aangifte op de hoogte, laat staan van het moment waarop een door hem in te dienen tweede of volgende verbeterde aangifte niet meer kan worden verwerkt. Van dit laatste moment wordt hij ook niet op de hoogte gesteld.

Als een belanghebbende vervolgens zonder nadere toelichting een aanslag ontvangt die is gebaseerd op een andere dan de laatst ingediende aangifte – zoals bij eiser het geval is – tast hij in het duister over de oorzaak en de gevolgen daarvan. In het geval van eiser heeft verweerder bijvoorbeeld geen ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb verstuurd. Als verweerder de laatste aangifte van eiser als een bezwaarschrift zou aanmerken, dan had hij de ontvangst daarvan aan eiser moeten bevestigen. Door iedere kennisgeving achterwege te laten heeft verweerder eiser onnodig in onzekerheid gelaten over de wijze van afhandeling. Wat de oorzaak van de afwijking van zijn laatste aangifte betreft weet eiser niet of er bewust is afgeweken van die aangifte of dat er een andere aanleiding is geweest. Wat de gevolgen van die afwijking betreft weet hij niet of de Belastingdienst zijn laatste aangifte nog gaat behandelen en zo ja, op welke wijze dat zal geschieden, in de vorm van een formele uitspraak op bezwaar of een ambtshalve vermindering van de aanslag. Ook weet hij niet op welke termijn de Belastingdienst dat zal doen en of hij – bij een afwijking van zijn laatste aangifte – zijn rechtsmiddelen heeft veiliggesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook volstrekt logisch dat een belanghebbende in de zojuist geschetste omstandigheden ter behoud van rechten een bezwaarschrift indient. Anders dan verweerder bepleit had eiser niet hoeven te volstaan met telefonisch contact met de Belastingdienst. Nog afgezien van het feit dat eiser onweersproken heeft gesteld dat medewerkers van de Belastingtelefoon hem hebben medegedeeld dat met vanaf een bepaald tijdstip in het proces ingediende verbeterde aangiften niets werd gedaan, is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk ter behoud van rechten een schriftelijk bezwaarschrift in te dienen.

Hoewel de rechtbank het begrijpelijk acht dat een massaal en complex proces als de verwerking van aangiftes IB/PVV volgens een dwingende planning verloopt waarop vanaf een bepaald tijdstip ingrijpen niet meer mogelijk is, behoren de gevolgen van die werkwijze echter voor rekening van de Belastingdienst te komen. Eiser heeft verweerder tijdig van alle relevante informatie voorzien om een correcte aanslag op te leggen. Nu verweerder dat niet heeft gedaan is het aan zijn onrechtmatigheid te wijten dat het bestreden besluit wordt herroepen.

Het beroep moet dan ook gegrond worden verklaard en de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om kostenvergoeding. Doende wat verweerder had behoren te doen, wijst de rechtbank eiser een kostenvergoeding toe voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2006. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 161 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en een wegingsfactor 1).

Bij uitspraak op bezwaar van 17 april 2008 heeft verweerder het belastbare inkomen uit werk en woning van eiser verminderd, zonder gelijktijdig een beslissing te nemen op eisers verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar in de zin van artikel 7:15 van de Awb. Eiser heeft vervolgens een (tweede) bezwaarschrift bij verweerder ingediend wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om vergoeding van kosten van het bezwaar. Verweerder heeft bij separate uitspraak 8 mei 2008 eisers verzoek afgewezen. In beroep verzoekt eiser ook voor dit tweede bezwaarschrift een vergoeding van € 161 toe te kennen.

Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb diende verweerder gelijktijdig met zijn beslissing op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV een beslissing te nemen op het verzoek om kostenvergoeding. De beslissing wordt genomen bij de uitspraak op bezwaar. Bij een afwijzende beslissing of - zoals in casu het geval is – het niet tijdig nemen van die beslissing staat voor een belanghebbende niet de mogelijkheid van bezwaar open, maar dient hij in beroep te gaan tegen de uitspraak of het niet tijdig doen van een uitspraak (artikel 6:2 Awb). Nu volgens de wettelijke regeling geen bezwaar mogelijk is, kan van een vergoeding van de kosten van de tweede bezwaarprocedure op de voet van artikel 7:15 Awb geen sprake zijn.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het betreft de beslissing omtrent de kostenvergoeding in bezwaar;

- wijst eiser een vergoeding toe in verband met de door hem gemaakte kosten in bezwaar voor een bedrag van € 161 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2009

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.I. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van C.A. Murray, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.