Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH2165

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/3408
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK3612, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Burgemeester en wethouders van Rheden hebben het besluit om de Harderwijkerweg te Laag-Soeren, ter hoogte van de bebouwde kom, gesloten te verklaren voor vrachtverkeer na een bezwaar van burgemeester en wethouders van Brummen gehandhaafd. Zij hebben een rapport van Royal Haskoning niet overgenomen. In dat rapport is geadviseerd om niet tot de geslotenverklaring voor vrachtverkeer over te gaan omdat deze verkeersmaatregel leidt tot een toename van verkeersonveiligheid op een alternatieve rijroute voor het vrachtverkeer door Eerbeek. De rechtbank Arnhem is in beroep van oordeel dat burgemeester en wethouders van Rheden er niet in zijn geslaagd om het rapport van Haskoning met betrekking tot de toename van de verkeersonveiligheid, afdoende te weerleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/3408

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen, eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 juli 2008.

2. Procesverloop

Bij verkeersbesluit van 20 maart 2007 heeft verweerder de Harderwijkerweg te Laag-Soeren, ter hoogte van de bebouwde kom, gesloten verklaard voor het vrachtverkeer door middel van het plaatsen van borden overeenkomstig model C7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) met uitzondering van het bestemmingsverkeer door middel van het plaatsen van onderborden overeenkomstig model OB 108.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit heeft verweerder, voor zover hier relevant, het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 20 maart 2007, onder aanvulling van de motivering ervan, gehandhaafd.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 23 juli 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van gelijke datum heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit. Bij uitspraak van 14 augustus 2008 (AWB 08/3407) heeft de voorzieningenrechter de besluiten van verweerder van 20 maart 2007 en 1 juli 2008 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.

Door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van rechtbank van 21 november 2008. Eiser is daar vertegenwoordigd door [A] en [B]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en door [C], [D] en [E], ambtenaren van de gemeente Rheden.

3. Overwegingen

3.1 Verweerder heeft aan het na bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit samengevat ten grondslag gelegd dat met de geslotenverklaring van de Harderwijkerweg in de kern van Laag-Soeren is beoogd de veiligheid op dit weggedeelte, met name de veiligheid van fietsers, en de leefbaarheid te bevorderen. Volgens verweerder doen zich door het vrachtverkeer regelmatig verkeersonveilige situaties voor en wordt hinder ondervonden door de bewoners.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder onder meer een door adviesbureau Grontmij Nederland B.V. (hierna: Grontmij) opgestelde rapportage van 16 februari 2007 en een gemeentelijke notitie van 16 februari 2007 ten grondslag gelegd.

Uit de stukken blijkt voorts dat tijdens bestuurlijk overleg tussen de provincie Gelderland, eiser en verweerder naar aanleiding van het verkeersbesluit van 20 maart 2007 is besloten om een onafhankelijke adviseur de meest geschikte routering voor vrachtverkeer te laten onderzoeken. In opdracht van de provincie heeft Royal Haskoning (hierna: Haskoning) dit onderzoek uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 7 mei 2007. Verweerder heeft Grontmij gevraagd op het rapport van Haskoning te reageren. Onder verwijzing naar deze reactie van Grontmij heeft verweerder bij het bestreden besluit de conclusie en het advies van Haskoning niet overgenomen. Tevens is verwezen naar een advies van de Politie Gelderland-Midden van 21 maart 2007.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor vervoerders en de toename van vrachtverkeer op alternatieve routes niet opwegen tegen de belangen die met het nemen van het verkeersbesluit zijn gediend.

wettelijk kader

3.2 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels, voor zover hier van belang, strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), voor zover van belang, moet de plaatsing van het bord C7, zoals opgenomen in bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 14 van het BABW wordt, indien onder de in deze paragraaf genoemde verkeersborden onderborden worden geplaatst als bedoeld in artikel 8, tweede lid, of toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid, zulks in het betrokken verkeersbesluit tot uitdrukking gebracht.

Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd.

Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder a, van het BABW worden verkeersbesluiten genomen na overleg met de korpschef van het betrokken regionale politiekorps.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het BABW worden verkeersbesluiten als gevolg waarvan het verkeer op wegen anders dan die waarop het verkeer betrekking heeft rechtstreeks en ingrijpend wordt beïnvloed, genomen na overleg met het ten aanzien van die andere wegen bevoegd gezag.

artikelen 24 en 25 van het BABW en artikel 3:2 van de Awb

3.3 Eiser heeft allereerst aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 24 en 25 van het BABW en artikel 3:2 van de Awb, omdat de politie Noord- en Oost-Gelderland en de Provincie Gelderland niet zijn betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit.

Op grond van artikel 24, aanhef en onder a, moet de korpschef van de betrokken politieregio worden gehoord. In de nota van toelichting bij het BABW (Stb. 1990, 460, blz. 33) is aangegeven dat in dit artikel formeel de betrokkenheid bij de totstandkoming van verkeersbesluiten wordt geregeld van de met de handhaving van verkeersvoorschriften betrokken instantie. Door in het overleg voorafgaand aan de totstandkoming van een verkeersbesluit de politie te betrekken, wordt beoogd om het aspect van de handhaving van verkeersvoorschriften ook op lokaal niveau voldoende tot zijn recht te laten komen.

Gezien het doel en de strekking van artikel 24 van het BABW moet naar het oordeel van de rechtbank onder de betrokken korpschef worden verstaan: de korpschef binnen wiens regio de verkeersmaatregel wordt getroffen. Aangezien Rheden is gelegen in district Arnhem Veluwezoom van de Politieregio Gelderland Midden, dient de korpschef van deze regio op grond van artikel 24 van het BABW bij de besluitvorming te worden betrokken. Voor de veronderstelling van eiser dat op grond van artikel 24 van het BABW bij een verkeersmaatregel die gevolgen heeft voor wegen in een andere politieregio (hier: Noord- en Oost-Gelderland) ook de korpschef van die regio moet worden gehoord, is noch in de wet noch in de jurisprudentie steun te vinden.

De rechtbank stelt vast dat op 21 maart 2007 een schriftelijk advies namens de korpschef van de politieregio Gelderland Midden is uitgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee aan artikel 24 van het BABW voldaan. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zo zou worden aangenomen dat de korpschef voorafgaand aan het primaire besluit geen advies heeft uitgebracht, er weliswaar een formeel gebrek aan het primaire besluit zou kleven, maar dat dit gebrek in de bezwaarfase is hersteld. Daarom kan in het midden worden gelaten of het advies van 21 maart 2007 de schriftelijke neerslag is van een voorafgaand aan het verkeersbesluit gegeven advies.

3.4 Ook aan de in artikel 25 van het BABW neergelegde verplichting is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bestreden besluit voldaan.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, anders dan verweerder heeft betoogd, de verkeersmaatregel leidt tot een aanmerkelijke toename van vrachtverkeer op de route door Eerbeek en daarom valt aan te merken als een rechtstreekse en ingrijpende beïnvloeding als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Uit de gedingstukken blijkt dat in elk geval voorafgaand aan het bestreden besluit bestuurlijk overleg met de provincie en de gemeente Brummen heeft plaatsgehad over de verkeersmaatregel, hetgeen heeft geresulteerd in een verzoek om advies aan Haskoning. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan artikel 25 van het BABW. Ook hier geldt dat, voor zover moet worden aangenomen dat er voorafgaand aan het primaire besluit geen overleg heeft plaatsgehad, dit gebrek moet worden geacht te zijn hersteld bij het bestreden besluit.

3.5 Uit voorgaande volgt dat verweerder aan de in het BABW neergelegde overlegverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank is daarbij niet gebleken dat verweerder buiten deze wettelijke overlegverplichtingen in ontoereikende mate met (andere) betrokkenen overleg heeft gevoerd, zodat ook in zoverre geen sprake is van strijd met artikel 3:2 Awb.

vertrouwensbeginsel

3.6 Eiser heeft vervolgens betoogd dat verweerder in een bestuurlijk overleg met de provincie Gelderland en de gemeente Brummen heeft toegezegd de uitkomst van het Haskoning-advies te zullen respecteren. Doordat verweerder zich niet heeft gehouden aan die toezegging heeft verweerder volgens eiser gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd op zichzelf beschouwd geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat in een bestuurlijk overleg namens verweerder is toegezegd dat deze de uitkomsten van het - op dat moment nog uit te voeren – onderzoek van Haskoning zou respecteren. Hoewel niet is gebleken dat verweerder bij deze toezegging enig voorbehoud heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat eiser in dit geval aan deze toezegging niet de gerechtvaardigde verwachting heeft mogen ontlenen dat verweerder het advies van Haskoning, ongeacht de inhoud en kwaliteit daarvan, zou overnemen.

Hierbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat het rapport van Haskoning betrekking heeft op de bevoegdheid die verweerder krachtens de WVW 1994 toekomt om een besluit te nemen dat het algemeen belang dient, meer in het bijzonder het verzekeren van de verkeersveiligheid. Eiser, zijnde een bestuursorgaan, moet hebben kunnen onderkennen dat verweerder met de tijdens het bestuurlijk overleg gegeven verklaring niet kan hebben beoogd het rapport van Haskoning ook te zullen onderschrijven, als hij na kennisneming daarvan de overtuiging zou hebben dat het algemeen belang daarmee niet is gediend.

motiveringsbeginsel

3.7 Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verkeersbesluit strekt tot de door hem daaraan ten grondslag gelegde belangen van bevordering van de verkeersveiligheid en dat de verkeersveiligheid als geheel niet met het bestreden besluit is gediend. Naar de mening van eiser komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een verkeersbesluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

3.8 Het aan het verkeersbesluit ten grondslag gelegde rapport van Grontmij en de gemeentelijke notitie van 16 februari 2007 maken inzichtelijk dat de telkens vastgelopen besluitvorming over de realisatie van een rondweg om de kern van Laag-Soeren aanleiding is om met de voorgestane maatregel een tijdelijke oplossing te bieden voor verkeerssituatie in Laag-Soeren. In genoemde stukken wordt er op gewezen dat de Harderwijkerweg in Laag-Soeren niet geschikt is voor zwaar verkeer, omdat de weg een smal wegprofiel heeft zonder vrijliggende fietspaden en met smalle trottoirs. De rapportage vermeldt daarbij de aanwezigheid van een school aan de weg. De beoogde verkeersmaatregel op de Harderwijkerweg heeft volgens de rapportage en de notitie tot gevolg dat het doorgaande vrachtverkeer op de route Kanaalweg, Brummenseweg, Lageweg, Loubergweg en Coldenhovenseweg te Eerbeek zal toenemen. Gebaseerd op verkeerstellingen uit 2006 wordt ervan uitgegaan dat er 317 extra vrachtwagens over de Loubergweg zullen rijden, hetgeen een toename betreft van 54% ten opzichte van het huidige aantal vrachtverkeersbewegingen op die weg.

In de schriftelijke neerslag van het advies dat namens de korpschef Gelderland Midden is uitgebracht, beschrijft deze de toename van de verkeersoverlast als minimaal en wordt geconcludeerd dat de (negatieve) effecten daarvan niet opwegen tegen de beoogde verkeersveiligheid in de bebouwde kom Laag-Soeren.

3.9 In de bezwaarfase is een rapport uitgebracht door Haskoning, waarin door middel van een verkeersanalyse de verkeersveiligheid in Laag-Soeren, Dieren, Loenen en Eerbeek in kaart is gebracht. Haskoning heeft drie varianten beoordeeld op leefbaarheid, verkeersveiligheid, doorstroming en bereikbaarheid en handhaving. De varianten betroffen

A. het openhouden van de route door Laag-Soeren voor doorgaand vrachtverkeer;

B. het doorzetten van het verbod op doorgaand vrachtverkeer op die route;

C. een gedeeltelijk verbod voor doorgaand vrachtverkeer op die route.

Haskoning heeft naast verkeerstellingen onder meer gebruik gemaakt van een verkeersongevallenregistratie met vrachtwagens over de jaren 2001 tot en met 2005.

Met betrekking tot de Harderwijkerweg in Laag-Soeren heeft Haskoning aangegeven dat deze weg naar zijn inrichting is te kwalificeren als een erftoegangsweg met circa 6000 motorvoertuigen per dag en dat vanuit dat aantal sprake is van een goede verkeerssituatie, waarbij het percentage vrachtverkeer als ‘vervelend maar niet hinderlijk’ is te kwalificeren, omdat dit boven de 5 uitkomt. De weg voldoet volgens Haskoning grotendeels aan de richtlijnen voor de inrichting van wegen (CROW). Volgens de rapportage van Haskoning zijn op het wegvak door Laag-Soeren in deze periode geen ongevallen met vrachtwagens geregistreerd. Wel tekent Haskoning daarbij aan dat het percentage vrachtverkeer voor aanwonenden en fietsers leidt tot een subjectief gevoel van onveiligheid. Het instellen van het verbod voor doorgaand verkeer leidt volgens Haskoning tot een toename van vrachtverkeer op de route door Eerbeek die van vergelijkbare omvang is als in de gemeentelijke notitie is berekend. Volgens Haskoning voldoet de weg door Eerbeek niet aan de CROW-richtlijnen, door het ontbreken van fietspaden en het relatief grote aantal rechtstreekse erfaansluitingen. Verder wordt er op gewezen dat langzaam- en autoverkeer de route kruist. Van de beschouwde wegvakken vinden de meeste verkeersongevallen met vrachtwagens op de route door Eerbeek plaats. In de rapportage wordt aangegeven dat het toevoegen van vrachtverkeer aan de omrijroute als gevolg van het verkeersbesluit ten aanzien van Laag-Soeren een vermindering van de verkeersveiligheid betekent met een reële kans op extra ongevallen met vrachtwagens. Haskoning heeft geconcludeerd dat aan het aspect van leefbaarheid in Laag-Soeren een lager gewicht dient te worden toegekend dan aan het verkeersveiligheidsaspect in Eerbeek en adviseert te kiezen voor het openhouden van de route door Laag-Soeren voor doorgaand vrachtverkeer.

In een reactienota van Grontmij van 30 mei 2007 heeft deze adviseur kanttekeningen geplaatst bij het rapport van Haskoning. Grontmij stelt zich op het standpunt dat Haskoning in het rapport teveel is ingegaan op inschattingen en vermoedens en te weinig op verantwoord onderzoek. Ten onrechte is het advies van Haskoning volgens Grontmij enkel gebaseerd op de verkeersveiligheid in Eerbeek. Haskoning heeft enkel gekeken naar het objectieve aantal verkeersongevallen zonder deze ongevallen te analyseren en zonder de subjectieve verkeersonveiligheid in het advies te betrekken.

3.10 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van bovengenoemde stukken in redelijkheid niet tot de conclusie kunnen komen dat met het instellen van het verbod voor doorgaand vrachtverkeer op de Harderwijkerweg de verkeersveiligheid is gediend.

Daartoe stelt de rechtbank voorop dat de rapportages van Grontmij en de gemeentelijke notitie geen objectieve aanknopingspunten geven dat de Harderwijkerweg in Laag-Soeren verkeersonveilig is.

Verder is verweerder er bij het bestreden besluit niet in geslaagd het rapport van Haskoning, met betrekking tot de toename van de verkeersonveiligheid op de route door Eerbeek afdoende te weerleggen. De door Haskoning aan het rapport ten grondslag gelegde objectieve gegevens zijn door Grontmij niet zodanig in twijfel getrokken dat verweerder aan die gegevens en de daaraan verbonden conclusies bij de besluitvorming voorbij heeft kunnen gaan. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting benadrukt dat het wegprofiel van de route door Eerbeek breder is en ook de inrichting van die route meer op vrachtverkeer toegeëigend. De rechtbank ziet daarin echter geen toereikende grondslag om aan te nemen dat een toename van vrachtverkeer over de route door Eerbeek niet tot een onveiliger situatie kan leiden. Daargelaten dat de verkeersongevallenregistratie niet strookt met dit beeld, is in die redenering buiten beschouwing gelaten dat in de kern van Eerbeek de route door langzaam en gemotoriseerd verkeer wordt doorkruist en dat er relatief veel rechtstreekse erfaansluitingen zijn gesitueerd. De rechtbank acht daarbij niet onlogisch dat Haskoning is uitgegaan van een positief verband tussen de toename van vrachtverkeer en de toename van het aantal ongevallen. De in het verweerschrift aangehaalde omstandigheid dat het rapport Haskoning in een kort tijdsbestek tot stand is gekomen, levert evenmin grond op om aan de deugdelijkheid van het onderzoek van Haskoning te twijfelen.

3.11 Aangezien verweerder de mede aan het besluit ten grondslag gelegde verbetering van de leefbaarheid niet heeft onderbouwd, is ook daarin geen motivering te vinden die het besluit kan dragen.

3.12 Gelet op het voorgaande berust het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt, voor zover de bezwaren van eiser daarbij ongegrond zijn verklaard, voor vernietiging in aanmerking.

Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het te vernietigen besluit op basis van de nadere motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

Verweerder heeft in beroep een nadere rapportage van Grontmij in het geding gebracht, genaamd “Analyse verkeersveiligheid Laag-Soeren”. In die rapportage heeft Grontmij een nadere analyse uitgevoerd van de verkeersongevallenregistratie met betrekking tot vrachtverkeer over de routes door en langs de kern van Laag-Soeren. In de analyse zijn de ongevallen van vrachtwagens met een herkomst of bestemming langs de route niet nader beschouwd. Van de resterende ongevallen is beredeneerd dat het niet waarschijnlijk is dat dat type ongevallen bij een toename van vrachtverkeer zal toenemen.

De rechtbank merkt allereerst op dat de analyse geen gegevens aandraagt die de gestelde (objectieve) verkeersonveiligheid van de Harderwijkerweg onderbouwt. De omstandigheid dat de analyse geen oorzakelijk verband kan aantonen tussen een toename van vrachtverkeer en het aantal ongevallen op de omrijroute, acht de rechtbank verder geen toereikende grondslag voor de conclusie dat een toename van vrachtverkeer de kans op ongevallen ook niet zal vergroten. De rechtbank ziet in deze nadere analyse dan ook geen aanleiding voor instandlating van de rechtsgevolgen.

3.13 Aangezien de rechtbank voorshands betwijfelt of verweerder na heroverweging van het verkeersbesluit van 20 maart 2007 dit alsnog met een draagkrachtige motivering zal kunnen handhaven, is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb te bepalen dat de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 augustus 2008 uitgesproken schorsing van het besluit van 20 maart 2007 voortduurt tot zes weken na het nieuw te nemen besluit op bezwaar.

3.14 De rechtbank acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, aangezien van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard;

bepaalt dat de schorsing van het besluit van 20 maart 2007 vervalt na zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van eiser bekend is gemaakt;

bepaalt dat de gemeente Rheden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 288 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. L. van Gijn als voorzitter, mr. D.S.M. Bak en mr. J.M. Neefe als rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: