Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH1423

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/2388
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomen uit sparen en beleggen. Waardering vordering op frauderende beleggingsadviseur. Rekening houden met na 31 december bekend geworden gegevens die licht werpen op de werkelijke solvabiliteit van de debiteur op die datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/17.15 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2009, 11 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/2388

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 januari 2009

inzake

[X] wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [H.47]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.912 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.171. Daarbij is tevens bij beschikking een bedrag van € 84 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2008 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. Tevens heeft verweerder bij brief van 8 april 2008 het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten afgewezen.

Eiser heeft daartegen bij brief van 15 mei 2008, ontvangen bij de rechtbank op 19 mei 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2008 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door de heer mr. [A] RA. Namens verweerder is verschenen de heer [C].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser heeft op 6 juli 2004 aan de heer [B] een bedrag van € 200.000 uitgeleend. Op 15 juni 2005 is B failliet verklaard.

De Belastingdienst heeft een landelijke projectgroep ingesteld om de belastingheffing ten aanzien van personen die geld aan B hebben geleend te coördineren. Deze projectgroep heeft op 24 januari 2007 een draaiboek opgesteld, dat onder de inspecteurs van de Belastingdienst is verspreid. In dit draaiboek, met de naam “Gouden Bergen”, is onder andere het volgende opgenomen.

“1.1. Opdracht

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD/ECD naar vermoedelijke strafbare gedragingen door [B] is komen vast te staan dat een groot aantal belastingplichtigen betrokken is geweest bij, dan wel gedupeerd is door deze gedragingen. Op 15 juni 2005 is B in staat van faillissement verklaard. Inmiddels is B veroordeeld.

(…)

1.2.1. Fraudepatroon

B heeft vanaf eind 1999 met derden overeenkomsten van geldlening afgesloten. Bij deze activiteiten werd B gesteund door 14 “rayonhoofden”, die gezamenlijk circa 1700 inleggers hebben aangebracht. (…) De leningsovereenkomsten hielden in dat B het geleende geld zou beleggen. B garandeerde de inleggers hoge rendementen, die konden worden behaald binnen een korte looptijd. Hij gaf aan dat hij het geld waarover hij de beschikking kreeg, gebruikte voor beleggingen in onder andere effecten, valuta en grondprojecten in Tsjechië. Op de geldleningen werden rentes betaald, variërend van 36% per jaar tot meer dat 100% per jaar. Omdat B hoge rendementen voorspiegelde en in een aantal gevallen deze ook daadwerkelijk heeft uitbetaald, verlengden een groot aantal inleggers hun leningen, zodat B geen liquide middelen hoefde vrij te maken.

B werd er van verdacht dat hij de aan hem toevertrouwde gelden (nagenoeg) niet heeft belegd maar op een andere wijze heeft besteed. Uit het strafrechtelijk onderzoek dat de Belastingdienst/FIOD-ECD heeft uitgevoerd blijkt dat er nauwelijks gelden zijn belegd. De ingelegde bedragen zijn hoofdzakelijk besteed aan het uitbetalen van andere inleggers (hoofdsom en gegarandeerde rendementen). In de periode van januari 2002 tot het tweede kwartaal 2005 is er in ieder geval voor € 79.029.234 uitbetaald. Een deel van het ingelegde geld is ten goede gekomen aan B.

Tegen de inleggers is altijd gezegd dat hun ingelegde geld (risicovol) tegen hoge rendementen werd belegd. Iedereen had veel vertrouwen in B, met name omdat hij jarenlang de gegarandeerde rendementen nakwam. Door de garantie van hoge rendementen, verlengden een groot aantal inleggers hun leningen. Op deze manier hoefde B geen liquide middelen vrij te maken. Tot januari 2005 kwamen er nieuwe inleggers bij. Begin 2005 kon B zijn verplichtingen niet meer nakomen. De hele zaak stortte vervolgens als een kaartenhuis in elkaar, waarbij met name de laatste inleggers gedupeerd achter bleven. Op 15 juni 2005 is B in staat van faillissement verklaard. Bij de curator hebben zich inmiddels 1450 gedupeerde beleggers (hoofdzakelijk natuurlijke personen) gemeld die voor circa € 127.000.000 aan vorderingen hebben ingediend.

Het totaal aantal inleggers ligt rond de 1700 zoals blijkt uit de aanwezige bankgegevens. Een aantal inleggers heeft zich echter niet bij de curator gemeld. De Officier van Justitie heeft toestemming verleend om de gegevens uit het strafrechtelijke onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden.

(…)

1.2.3. Het einde

In januari 2005 is er een onderzoek begonnen naar de activiteiten van B door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Als gevolg van dit onderzoek stagneerde de aanwas van nieuwe inleggers (lees: nieuw geld) waardoor er een acuut tekort aan liquide middelen ontstond bij B. De AFM heeft B in februari 2005 verboden verder te handelen. B heeft door middel van een brief aan de schuldeisers te kennen gegeven dat er problemen waren ontstaan door het genoemde onderzoek, maar dat deze problemen door hem zouden worden opgelost.

Doordat er geen “nieuw” geld meer binnenkwam om uitbetalingen te doen terzake van de aflopende contracten, zijn een hoop inleggers als gedupeerde achtergebleven. Op 4 april 2005 is het faillissement van B aangevraagd. Op 15 juni 2005 is het faillissement van B uitgesproken.

Op 14 augustus 2006 is B door de rechtbank in Amsterdam tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. De veroordeling betrof oplichting, bedrieglijke bankbreuk, valsheid in geschriften, overtreding van de Wet toezicht kredietwezen en witwassen.

(…)”

In de onderdelen 2.1.2. tot en met en 2.1.4. van het draaiboek worden standpunten ingenomen met betrekking tot de voor het inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking te nemen waarde. Leningen aan B waarvan de looptijd op 31 december 2004 nog niet voorbij is en waarvan de belegger in 2005 geen uitkering van de inleg of het te verwachten rendement heeft ontvangen, moeten volgens het draaiboek per die datum voor de nominale waarde in aanmerking worden genomen. Aan het toegezegde rendement wordt geen waarde toegekend. Dit standpunt wordt onderbouwd door verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Gravenhage van 15 juni 1967, BNB 1968/137 en de uitspraak van rechtbank Leeuwarden van 16 mei 2006, LJN AX4633. Hierbij wordt in onderdeel 2.1.3. het volgende opgemerkt:

“Stel dat we moeten aannemen dat B op 31 december 2004 niet of niet geheel meer in staat was om aan zijn terugbetalingsverplichtingen te voldoen. De volgende vraag is dan of en in hoeverre dit bij de beleggers bekend kon zijn of bekend was op de peildatum. Het is bekend dat B tot maart 2005 aan zijn verplichtingen tot het uitbetalen van de inleg en de rendementen heeft voldaan. En we weten ook dat tot maart 2005 mensen zijn blijven inleggen bij B. Objectief gezien is er dan geen aanleiding om een lagere dan de nominale waarde te hanteren.”

De gemachtigde van eiser heeft inlichtingen gevraagd aan mr. [D], in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van B. De heer [D] schrijft hierover op 28 augustus 2007 aan de gemachtigde:

“(…) Tegenover deze bezittingen van in het beste geval enkele tientallen miljoenen euro’s, staat een bij mij ingediende schuld van meer dan € 125 miljoen. Deze schuld is in het faillissement nog niet geverifieerd. Het is daarom mogelijk dat de schuld uiteindelijk (aanmerkelijk) lager blijkt te zijn. Een deel van de schuld bestaat uit renteverplichtingen die zodanig hoog zijn dat zij door mij in ieder geval zullen worden betwist. Echter, ook wanneer met dit laatste rekening wordt gehouden, schat ik de kans zeer klein dat schuldeisers in dit faillissement ooit meer dan 50% van hun vorderingen uitgekeerd zullen krijgen. Ik teken daarbij aan dat de financiële situatie van de heer [B] bij mijn weten tussen 31 december 2004 en zijn faillietverklaring op 15 juni 2005 niet ingrijpend is gewijzigd.”

In zijn aangifte IB/PVV heeft eiser zijn vordering op B voor het berekenen van het inkomen uit sparen en beleggen per 31 december 2004 op nihil gewaardeerd.

De navorderingsaanslag is als volgt berekend:

Gemiddeld saldo bezittingen volgens aangife € 74.574

Gemiddeld saldo schulden volgens aangifte -101.045

Gemiddelde rendementsgrondslag volgens aangifte -26.471

Bij: Gemiddelde waarde lening aan B 100.000

73.529

Af: heffingvrij vermogen eiser volgens aangifte -19.252

Grondslag berekening inkomen uit sparen en beleggen 54.277

Inkomen uit sparen en beleggen 4% = 2.171

Belasting over inkomen uit sparen en beleggen 30% = 651

3. Geschil

In geschil is:

1. of de vordering van eiser per 31 december 2004 voor wat betreft de rendementsgrondslag van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op maximaal € 129.950 moet worden gewaardeerd (standpunt eiser) of op de nominale waarde van € 200.000 (standpunt verweerder);

2. of verweerder tijdens de bezwaarfase in strijd heeft gehandeld met de Awb en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag:

2.1 of verweerder terecht het verzoek om een hoorgesprek heeft afgewezen;

2.2 of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage heeft gelegd;

3. of eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding. Wanneer deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, heeft eiser verzocht om een vergoeding van de integrale kosten van de procedure.

Eiser heeft ten aanzien van het onder 2. genoemde geschilpunt de rechtbank verzocht om de procedure met toepassing van artikel 6:22 van de Awb niet terug te wijzen.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001 ) wordt het voordeel uit sparen en beleggen gesteld op 4% van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar, voorzover dit gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden (artikel 5.3 Wet IB 2001). Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer (artikel 5.19 Wet IB 2001).

Tussen partijen is in geschil of bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer rekening moet worden gehouden met de werkelijke financiële positie van B op 31 december 2004 (standpunt eiser) of dat moet worden uitgegaan van hetgeen daarover op die datum bekend was (standpunt verweerder).

Ter zitting heeft verweerder zich verenigd met het door eiser in beroep ingebrachte standpunt dat in afwijking van de navorderingsaanslag rekening kan worden gehouden met het heffingsvrije vermogen van zowel eiser als zijn partner. Als gevolg hiervan is van belang of eiser aannemelijk maakt dat aan de vordering op B een waarde per 31 december 2004 van € 129.950 of minder moet worden toegekend. Wanneer de waarde van de vordering namelijk minder dan € 129.950 bedraagt, is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil en is de navorderingsaanslag ten onrechte opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank moet voor het bepalen van de waarde in het economische verkeer worden uitgegaan van de financiële positie van B op 31 december 2004, waarbij rekening moet worden gehouden met alle na die datum beschikbaar gekomen gegevens die licht werpen op die toestand op de waardepeildatum. Dit vloeit rechtstreeks voort uit het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1997, BNB 1997/268. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad over een situatie waarin – net als in onderhavig geschil – inkomen op forfaitaire wijze werd berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van een bezitting. Met betrekking tot de berekening van het huurwaardeforfait voor een eigen woning overwoog de Hoge Raad:

´Voor de waarde in het economische verkeer van de woning van belanghebbende in 1991 is niet van belang of toen reeds bekend was dat de grond bij de woning was vervuild. Bepalend voor die waarde is de prijs die gegadigden voor de woning die bekend zouden zijn met de toestand van de grond zoals die naderhand is gebleken, in 1991 bereid zouden zijn geweest te betalen.”

In dezelfde lijn ligt het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2003, BNB 2003/351 met betrekking tot de waardebepaling van een onroerende zaak op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Ook hierin overweegt de Hoge Raad dat de waarde in het economische verkeer moet worden bepaald naar de werkelijke toestand van de zaak op de waardepeildatum, ook voorzover die toestand pas later is gebleken. Anders dan verweerder heeft aangevoerd en in het draaiboek is opgenomen, is dus niet relevant dat de feitelijke financiële situatie van B op 31 december 2004 op dat tijdstip bij beleggers nog niet bekend was.

Voor het onderhavige geschil staat vast dat B van begin af aan nauwelijks gelden heeft belegd. De ingelegde bedragen zijn hoofdzakelijk besteed aan het uitbetalen van andere inleggers (hoofdsom en zeer hoge gegarandeerde rendementen) en voor privé doeleinden van B. Dat betekent dat B slechts aan zijn verplichtingen op korte termijn kon voldoen als steeds nieuwe inleggers werden gevonden, of inleggers tot verlenging bereid waren. Volgens de verklaring van de curator is voor ruim € 125 miljoen aan vorderingen ingediend. Weliswaar acht hij de kans groot dat een aanmerkelijk gedeelte van deze vorderingen door hem zal worden betwist, maar zijn inschatting is dat van de niet-betwiste vorderingen maximaal de helft zal kunnen worden betaald. De curator verklaart tevens dat de financiële situatie van de heer B bij zijn weten tussen 31 december 2004 en zijn faillietverklaring op 15 juni 2005 niet ingrijpend is gewijzigd. Dat wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het beeld dat in het draaiboek wordt geschetst, namelijk dat de handelwijze van B al jaren dezelfde was.

De omstandigheid dat B in januari en februari 2005 nog aan zijn verplichtingen heeft voldaan door het uitkeren van rendementen en dat in die periode nog nieuwe beleggers zijn toegetreden doet aan het vorenstaande niet af. B was in die periode kennelijk in staat om aan een beperkt aantal verplichtingen op korte termijn te voldoen. Dat neemt niet weg dat uit de feiten naar voren komt dat de schulden van B ultimo 2004 zijn bezittingen zeer aanzienlijk overtroffen, zodat hij op lange termijn geenszins solvabel kon worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat eiser op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vordering op B een lagere waarde heeft dan € 129.950. Voor dat geval zijn partijen het er over eens dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd. De vraag of de navorderingsaanslag moet worden vernietigd op grond van de schending van de voorschriften uit Awb of op grond van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behoeft daarom geen beantwoording meer.

5. Proceskosten

Eiser heeft verzocht hem een volledige vergoeding van de in bezwaar (€ 7.212,11) en in beroep (€ 8.006,02) gemaakte kosten toe te kennen, met name omdat:

- bekend was dat de schulden van B vele malen hoger zijn dan zijn bezittingen;

- verweerder heeft volhard in zijn standpunt omtrent het “kennis-vereiste”;

- ondanks een daartoe strekkend verzoek, er geen ordentelijke hoorzitting heeft plaatsgevonden;

- verweerder niet voldaan heeft aan zijn verplichting om volledig inzage te verstrekken in het dossier.

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent een forfaitaire regeling voor het toekennen van een kostenvergoeding. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan van deze regeling worden afgeweken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven zich te kunnen verenigen met volledige vergoeding van de gestelde kosten van bezwaar en beroep. De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen.

6. Beslissing

De rechtbank:

• verklaart het beroep gegrond;

• vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag;

• vernietigt de beslissing op het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar;

• vernietigt de navorderingsaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

• veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 15.218,13, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

• gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 januari 2009

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.I. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.