Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH0815

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
177801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer vordert opheffing van schorsing en toelating tot de bedongen werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 177801 / KG ZA 08-752

Vonnis in kort geding van 15 januari 2009

in de zaak van

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H. Th. Schravenmade te Maarssenbroek,

tegen

de stichting

STICHTING VAN HALL LARENSTEIN,

gevestigd te Velp,

gedaagde,

advocaat mr. S. Kropman te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting VHL genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van Stichting VHL.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft een arbeidsovereenkomst met Stichting VHL. [eiser] is werkzaam bij Stichting VHL als docent bij de afdeling Bos en Natuurbeheer (‘BNB’).

2.2. Op 18 april 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de opleidingsdirecteur BNB en het interim hoofd P&O van Stichting VHL. In dit gesprek is aan [eiser] het besluit medegedeeld dat hij van bepaalde taken werd ontheven.

Bij brief van 6 juli 2007 heeft de opleidingsdirecteur BNB van Stichting VHL aan [eiser] medegedeeld dat [eiser] met ingang van het schooljaar 2007/2008 van al zijn taken binnen BNB werd ontheven.

2.3. Op 14 juli 2007 heeft [eiser] bezwaar ingediend bij het College van Bestuur van Stichting VHL tegen de twee besluiten van de opleidingsdirecteur BNB van Stichting VHL om hem van taken te ontheffen.

2.4. Op 18 juli 2008 heeft Stichting VHL aan [eiser] opgedragen om op basis van detachering te gaan werken bij een andere onderwijsinstelling, het IPC te Schaarsbergen. [eiser] heeft vervolgens medegedeeld aan het IPC en Stichting VHL dat hij een opschorting van de detachering voorstond en niet op de door Stichting VHL aangegeven dag bij het IPC zou aanvangen met de detachering.

Naar aanleiding van de opstelling van [eiser] heeft Stichting VHL besloten disciplinaire maatregelen tegen [eiser] te treffen. In het kader van het opleggen van een maatregel heeft op 11 september 2008 een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [eiser] en anderzijds de heer [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2] namens Stichting VHL. Stichting VHL heeft bij besluit van 10 november 2008 aan [eiser] de sanctie van schorsing opgelegd voor de duur van één week, te weten vanaf 17 november tot en met 21 november 2008, met inhouding van loon over die periode.

2.5. Op 4 december 2008 heeft de Adviescommissie Heroverweging personeel VHL haar advies vastgesteld met betrekking tot het bezwaar van [eiser] van 14 juli 2007.

In haar advies stelt de commissie vast dat de beslissingen om [eiser] van zijn taken te ontheffen niet op deugdelijke wijze is medegedeeld aan [eiser]. Voorts constateert de commissie dat Stichting VHL geen regeling inzake functioneringsgesprekken of een beoordelingssysteem heeft vastgesteld en dat Stichting VHL niet heeft duidelijk gemaakt welke status het wegnemen van taken bij [eiser] heeft. De commissie stelt ten slotte vast dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige beoordeling, alleen al omdat Stichting VHL het beoordelingsgesprek van 18 april 2007 niet op zorgvuldige wijze aan [eiser] was aangekondigd en tevens omdat een objectief beoordelingssysteem ontbrak.

De commissie adviseert het College van Bestuur van Stichting VHL onder meer het volgende:

- de bestreden beslissingen in te trekken, en

- zorg te dragen voor een passende rehabilitatie van de heer [eiser], en

- zorg te dragen voor een zorgvuldige beoordeling van de heer [eiser], met inachtneming van een beoordelingssysteem zoals bedoeld in artikel N-2 van de CAO-HBO.

2.6. Op 17 december 2008 heeft [eiser] een bezwaarschrift ingediend bij de Commissie van Beroep voor het HBO tegen de opgelegde disciplinaire maatregelen van schorsing en inhouding van loon. Op dit bezwaarschrift heeft de Commissie van Beroep ten tijde van de terechtzitting in het kader van deze voorlopige voorziening nog geen besluit genomen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, kort weergegeven:

1. veroordeling van gedaagde tot het opheffen van de schorsing van 18 april 2007 en het laten verrichten van de bedongen werkzaamheden, bij gebreke van naleving daarvan tot betaling van een dwangsom van € 7.500,- per dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 375.000,-;

2. zodanige voorzieningen te treffen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren te treffen, bij gebreke van naleving daarvan tot betaling van een dwangsom van

€ 7.500,- per dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 375.000,-;

3. een voorschot op immateriële schadevergoeding toe te kennen, groot € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding;

4. gedaagde te gebieden over te gaan tot uitbetaling van het salaris over de periode van 17 november tot en met 21 november, zulks op straffe van een dwangsom ad € 2.000,-;

5. veroordeling van gedaagde tot voldoening van het verschuldigde salaris over de periode van 17 november 2008 tot en met 21 november 2008, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex 7:625 BW en de wettelijke rente over de som van het verschuldigde salaris en de wettelijke verhoging van het moment waarop het salaris verschuldigd werd;

6. gedaagde te verbieden een opvolger te benoemen in de reguliere functie van eiser, op straffe van een dwangsom van € 200.000,-;

7. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Stichting VHL voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot het bezwaarschrift van 18 juli 2007 van [eiser] tegen de beslissingen van de opleidingsdirecteur BNB heeft Stichting VHL ter terechtzitting aangegeven dat zij zich zal neerleggen bij het advies van de Adviescommissie Heroverweging personeel VHL d.d. 4 december 2008 en dit advies zal volgen. Voorts heeft Stichting VHL aangegeven [eiser] tot de werkplek te zullen toelaten en zijn werkzaamheden weer te laten hervatten. Hiervoor heeft zij [eiser] uitgenodigd om op

5 januari 2009 in gesprek te treden over de vraag op welke wijze aan de hervatting van zijn werkzaamheden uitvoering zal worden gegeven.

4.2. Hoewel Stichting VHL heeft aangegeven [eiser] weer tot de werkplek toe te laten en zijn werkzaamheden weer te laten uitvoeren, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser], mede gelet op de lange duur en aard van het conflict tussen partijen, voldoende belang heeft bij het verkrijgen van de voorziening.

De voorzieningenrechter acht in het licht van de uitlatingen door Stichting VHL de vordering strekkende tot het toelaten tot de werkplek en het laten hervatten van de werkzaamheden, inclusief de gevorderde dwangsom, voor toewijzing vatbaar. [eiser] heeft zijn werkzaamheden sinds 18 april 2007 niet of nauwelijks meer kunnen uitoefenen. Bij de hervatting van de werkzaamheden dient wel rekening te worden gehouden met de wijzigingen in het curriculum en in de organisatie van Stichting VHL die los van het arbeidsconflict met [eiser] hebben plaatsgevonden. Stichting VHL zal daarom worden veroordeeld om [eiser] zo veel als mogelijk is toe te laten tot de werkzaamheden die hij voorafgaand aan 19 april 2007 verrichtte. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te matigen tot € 1.000,- per dag en te maximeren tot

€ 100.000,-.

4.3. Ten aanzien van het besluit van 10 november 2008 tot het nemen van disciplinaire maatregelen van schorsing en inhouding van loon heeft Stichting VHL zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van [eiser], omdat hij beroep heeft ingesteld bij de Commissie van Beroep HBO. Zij stelt dat deze rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed, zodat er geen taak is weggelegd voor de voorzieningenrechter. Dit verweer wordt verworpen.

Op grond van artikel S-2 CAO HBO heeft een werknemer de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Commissie van Beroep CAO. Een uitspraak van de Commissie van Beroep CAO is bindend voor werknemer en werkgever (artikel S-5 CAO HBO). Een werknemer is niet verplicht deze bindend-adviesprocedure te volgen (HR 9 november 2001, NJ 2001, 692). Als hij echter voor deze procedure kiest, zal hij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in een procedure voor de civiele rechter, waarin hij vernietiging van het besluit vordert. [eiser] vordert in deze procedure een voorlopige voorziening. Stichting VHL heeft niet gesteld dat er voor de Commissie van Beroep HBO een voorlopige voorzieningenprocedure is, zodat de voorzieningenrechter ervan heeft uit te gaan dat die er niet is. Dat betekent dat [eiser] in deze procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk is, ook voor zover het een voorlopige voorziening betreft naar aanleiding van het besluit van 10 november 2008.

4.4. Stichting VHL heeft disciplinaire maatregelen tegen [eiser] getroffen vanwege zijn weigering mee te werken aan de detachering bij het IPC zoals door Stichting VHL voorgestaan. Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet op onredelijke gronden heeft geweigerd om mee te werken aan zijn detachering bij het IPC.

De Adviescommissie Heroverweging personeel VHL is in haar advies van 4 december 2008 zeer kritisch geweest over de wijze waarop Stichting VHL bij besluit van 18 april 2007 [eiser] heeft ontheven van een gedeelte van zijn taken en waarop zij nadien is omgegaan met de belangen van [eiser]. [eiser] vreesde dat de detachering bij het IPC zou worden gebruikt als een exit-strategie, gezien de mededeling dat de detachering zou worden gebruikt als een oriëntering voor werk buiten Stichting VHL. Voorshands oordelend kan [eiser] onder deze omstandigheden niet worden verweten dat hij niet voetstoots heeft willen meewerken aan detachering bij het IPC. Dat brengt mee dat aannemelijk is dat het daarop genomen besluit tot het nemen van disciplinaire maatregelen geen stand zal houden.

4.5. Het voorgaande brengt met zich mee dat het gedeelte van de vordering dat ziet op het uitbetalen van het ingehouden loon te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:265 lid 1 BW zal worden toegewezen. De onder punt 4 van het petitum gevorderde dwangsom kan niet worden toegewezen nu de wet het opleggen van een dwangsom ter zake de betaling van een geldsom uitsluit (artikel 611a lid 1 Rv).

4.6. [eiser] vordert voorts veroordeling van Stichting VHL tot betaling van schadevergoeding voor geleden immateriële schade, onder meer bestaande uit het niet-naleven van procedurevoorschriften door Stichting VHL, de langdurige onzekerheid over zijn schorsing en reputatieschade.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de vordering tot een voorschot op schadevergoeding ten dele kan worden toegewezen. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is [eiser] immateriële schade heeft geleden door de besluiten van Stichting VHL, waaronder het afnemen van zijn taken, de schorsing en het inhouden van het loon, de lange periode voordat herziening van deze besluiten aan de orde is gekomen en de aantasting van zijn goede naam en eer. De voorzieningenrechter zal een bedrag van € 2.000,- als voorschot toewijzen.

4.7. Het gevorderde onder punt 2 van het petitum heeft geen zelfstandige betekenis en zal daarom worden afgewezen.

Met betrekking tot het door [eiser] onder punt 6 van het petitum gevorderde verbod om een opvolger in zijn functie te benoemen, overweegt de voorzieningenrechter dat het voorshands voldoende duidelijk is dat Stichting VHL bereid is mee te werken aan de hervatting van de werkzaamheden door [eiser], zodat [eiser] belang bij dit onderdeel van de vordering mist en dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

4.8. Stichting VHL zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.155,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt Stichting VHL om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de opgelegde schorsing d.d. 18 april 2007 op te heffen en [eiser] toe te laten tot de gebouwen van Stichting VHL en [eiser] zo veel als mogelijk de werkzaamheden te laten verrichten die [eiser] voorafgaand aan 18 april 2007 verrichtte,

5.2. bepaalt dat Stichting VHL voor iedere dag dat zij in strijd geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met naleving van het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-, tot een maximum van € 100.000,-,

5.3. veroordeelt Stichting VHL om aan [eiser] als schadevergoeding te betalen een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,

5.4. veroordeelt Stichting VHL om aan [eiser] het achterstallige loon over de periode van 17 tot en met 21 november 2008 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW, te rekenen vanaf de gebruikelijke betaaldag tot aan de dag der algehele voldoening,

5.5. veroordeelt Stichting VHL in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.155,44,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B. de Jonge op 15 januari 2009.