Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH0797

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/2602
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) om een publicatiebijdrage toe te kennen voor de vertaling van een proefschrift. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het NWO zich op basis van de ingewonnen informatie op het standpunt kunnen stellen dat het proefschrift in de huidige vorm nog niet voor publicatie in een andere taal gereed is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2602

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 5 januari 2009

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats],

tegen

het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 april 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2007, aan eiseres bekendgemaakt bij schrijven van 26 november 2007, heeft het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) (hierna: het Algemeen Bestuur) de aanvraag van eiseres om een publicatiebijdrage in de kosten van het vertalen in het Italiaans van haar proefschrift "[titel proefschrift]” afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 november 2008. Eiseres is daar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. dr. C.J.M. van der Valk.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (hierna: de Wet op de NWO) is er een organisatie, genaamd Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet op de NWO heeft de organisatie tot taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek alsmede het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel voert de organisatie haar taak uit in het bijzonder door het toewijzen van middelen.

Ingevolge artikel 4 van de Wet op de NWO behoort aan het algemeen bestuur de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de organisatie, voor zover die niet bij of krachtens deze wet aan de gebiedsbesturen is opgedragen.

Ingevolge artikel 15 van de Wet op de NWO worden het bestuur en de inrichting van de organisatie alsmede de bestuurlijke betrekkingen van de organisatie tot de onderzoekorganisaties voor zover daaraan krachtens deze wet middelen worden toegewezen, nader bij reglement geregeld.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet op de NWO wordt het reglement vastgesteld door het algemeen bestuur.

Het reglement, bedoeld in de voormelde artikelen 15 en 16, eerste lid, van de Wet op de NWO, is het gewijzigd "Reglement NWO 2002" (hierna: het reglement).

Ingevolge artikel 2.1, vijfde lid, van het reglement geeft het Algemeen Bestuur, gehoord de betrokken gebiedsbesturen, algemene richtlijnen voor de wijze van beoordeling van subsidieaanvragen.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, voor zover hier relevant, van de Regeling subsidieverlening NWO (hierna: de Subsidieregeling NWO) is deze van toepassing ten aanzien van alle NWO-subsidies die in competitie worden toegekend, met uitzondering van onder meer publicatiebijdragen.

Ingevolge artikel 1.2 van de Subsidieregeling NWO is ingeval de regeling niet direct van toepassing is de brochure betreffende de steunvorm leidend. Voor het overige wordt deze regeling zoveel mogelijk analoog toegepast.

Ingevolge artikel 2.10 van de Subsidieregeling NWO kan bij subsidiebedragen van geringe omvang – ter beoordeling van het betrokken bestuursorgaan – een afwijkende procedure worden gevolgd ten aanzien van advisering, beoordeling en besluitvorming.

Blijkens de brochure "Publicatiebijdragen" (hierna: de brochure), zoals die luidde ten tijde hier van belang, kan NWO financiële steun geven voor de vertaling van wetenschappelijke boeken door een professionele vertaler. Onder het kopje "Procedure" staat vermeld dat NWO het oordeel vraagt van enkele externe deskundigen die volgens opgave van de auteur bekend zijn met de inhoud van het desbetreffende werk (referenten). Daarnaast wordt een aanvraag beoordeeld door een of meer door NWO aan te wijzen externe deskundigen (adviseurs). Een bijdrage kan worden toegekend als NWO op grond van de uitgebrachte beoordelingsrapporten tot het oordeel komt dat het werk van aanzienlijk wetenschappelijk belang is en dat de gevraagde bijdrage, gezien de van de uitgevers ontvangen gegevens of de door de auteur opgegeven vertaaltarieven, verantwoord lijkt. Voor de beantwoording van de vraag of een publicatie van aanzienlijk wetenschappelijk belang wordt geacht, wordt een aanvraag blijkens de brochure onder meer beoordeeld op:

- de oorspronkelijkheid van de probleemstelling

- het belang van de uitkomsten (respectievelijk van het verzamelde en bewerkte materiaal) voor het desbetreffende wetenschapsgebied en mede voor verder onderzoek;

- de deugdelijkheid van de methode;

- de helderheid van het werk.

Uit de gedingstukken is gebleken dat eiseres haar aanvraag om een subsidie op 27 februari 2007 heeft ingediend en op 7 maart 2007 heeft aangevuld. De aanvraag is vervolgens beoordeeld door twee door eiseres aangewezen referenten en door een adviseur die door NWO is geselecteerd.

Aan de hand van de ingekomen referenties en het advies heeft de commissie publicatiebijdragen (hierna: de commissie PB) in haar vergadering van 20 september 2007 de aanvraag van eiseres beoordeeld. De commissie PB heeft verweerder geadviseerd de aanvraag niet te honoreren.

Verweerder heeft vervolgens de aanvraag van eiseres afgewezen. Aan deze bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing heeft hij samengevat ten grondslag gelegd dat het manuscript nog bewerking behoefde, voordat het voor publicatie in de doeltaal gereed was.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank hierna, waar nodig, nader ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank zal allereerst het betoog van eiseres bespreken dat de beoordelingscriteria, waaraan haar aanvraag is getoetst onduidelijk zijn en willekeur in de hand werken. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Verweerder heeft aan de hem toekomende bevoegdheid om algemene richtlijnen te geven uitvoering gegeven door het neerleggen van beoordelingscriteria in de brochure. Deze algemene richtlijnen in de Brochure zijn - naar ter zitting is verduidelijkt - nader uitgewerkt in een “Toelichting voor de beoordeling van Boeken” (hierna: de Toelichting) die als bijlage naar referenten en adviseurs (beoordelaars) wordt gezonden. In de Toelichting wordt naast de genoemde richtlijnen in de brochure aan beoordelaars onder meer gevraagd zich uit te spreken over de vraag of vermenigvuldiging van het werk zeer gewenst is, of belangrijke bekortingen kunnen worden aangebracht in het boek, of de bijlagen en illustraties noodzakelijk zijn en of verschijning in de beoogde doeltaal wenselijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder aldus de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gegaan. De rechtbank deelt daarbij niet het standpunt van eiseres dat de formulering van de criteria willekeur in de hand zou werken, te minder nu is gesteld noch gebleken dat de genoemde criteria door verweerder willekeurig zijn toegepast.

Ook in de omstandigheid dat eiseres naar zij stelt niet bekend was of kon zijn met een deel van de criteria - klaarblijkelijk wordt gedoeld op de nadere criteria in de Toelichting - ziet de rechtbank geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat indien eiseres voorafgaand aan de indiening van haar aanvraag met deze nadere criteria bekend was geweest, dit niet zonder meer tot een voor haar gunstiger resultaat zou hebben geleid. Verder kan verweerder gegeven de hem toekomende discretionaire bevoegdheid niet worden gehouden de beoordeling van een subsidieaanvraag uitsluitend te baseren op criteria die de aanvrager tevoren bekend zijn. De rechtbank wijst in dit verband op een uitspraak van de ABRS van 25 oktober 2006, LJN: AZ0846, waaruit volgt dat zelfs ingeval aan de geformuleerde voorwaarden voor subsidieverlening is voldaan, een bestuursorgaan niet gehouden is de gevraagde subsidie te verstrekken, maar dat hij deze kan afwijzen indien niet aan de doelstelling van de subsidieregeling wordt voldaan.

Vervolgens heeft eiseres betoogd dat verweerder de weigering om subsidie te verlenen niet heeft kunnen baseren op de daaraan ten grondslag gelegde referenties en het advies, die vóór een publicatiebijdrage pleiten. Dit betoog faalt.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat uit de referenties en het advies kan worden afgeleid – hetgeen verweerder ook niet betwist – dat de wetenschappelijke waarde en relevantie van het boek van eiseres aanzienlijk zijn. De beoordelaars loven de gedegenheid van het onderzoek en geven er blijk van dat een vertaling van het werk – met een kanttekening bij de doeltaal – op zichzelf in de rede ligt. De adviseur, die naar ter zitting is aangegeven een leerstoel bekleedt op het terrein van kunst, religie en cultuurwetenschappen, heeft in het advies echter nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht dat de redactie van het boek nog voor verbetering vatbaar is. De referenten hebben zich over de redactionele kwaliteit van het werk niet nadrukkelijk uitgelaten. Verweerder heeft zich daarom op basis van de redactionele kanttekeningen van de adviseur in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het geschrift in de huidige vorm niet voor publicatie in een andere taal geschikt was. Van het afwijken van een advies als bedoeld in het door eiseres genoemde artikel 3:50 van de Awb is hier dan ook geen sprake. Dat verweerder de adviseur had moeten verzoeken om een nadere toelichting op het advies te geven acht de rechtbank, anders dan eiseres, evenmin vereist nu de strekking van het advies voldoende duidelijk is.

Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder bij het bestreden besluit geen deugdelijke belangenafweging heeft verricht, althans dat hij onvoldoende waarde heeft gehecht aan het grote belang van eiseres dat met vertaling van het werk is gemoeid.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In de hier aan de orde zijnde situatie, waarin niet aan de voorwaarden voor subsidieverlening wordt voldaan, kan in het belang van de aanvrager om subsidie te ontvangen geen grond voor toewijzing van de aanvraag worden gevonden. De rechtbank realiseert zich daarbij dat eiseres vanwege het eindigen van de subsidieregeling niet meer de kans heeft gehad om haar werk in geredigeerde vorm alsnog voor subsidie in aanmerking te laten komen. Deze omstandigheid heeft verweerder er echter niet toe hoeven nopen voorbij te gaan aan het oordeel van de adviseur dat er op neerkomt dat het werk in de huidige vorm niet voor subsidie in aanmerking komt.

Anders dan eiseres heeft betoogd hoefde een vergelijking met andere subsidieaanvragen die in dezelfde subsidieronde zijn beoordeeld niet plaats te vinden. De aanvraag van eiseres om een vertaalsubsidie is immers niet in competitieverband, maar op zichzelf beoordeeld. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank van 21 januari 2008, LJN BC2707, gaat dan ook niet op, omdat het in die zaak wel om een subsidie ging die in competitieverband is toegekend.

Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat er sprake is geweest van vooringenomenheid en van ondeskundige beoordeling. Het betoog van eiseres komt er samengevat op neer dat het primaire besluit is gebaseerd op een onzorgvuldige en onjuiste interpretatie van de referenties en het advies door het secretariaat van de commissie PB. De commissie PB heeft zelf op geen enkele kenbare wijze het advies inhoudelijk beoordeeld, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 2:4 van de Awb het bestuursorgaan zijn taak dient te vervullen zonder vooringenomenheid. In de door eiseres genoemde omstandigheden noch de stukken of het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat verweerder de beoordeling van de aanvraag met vooringenomenheid zou hebben verricht. Het beroep kan ook in zoverre niet slagen.

Evenmin is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit zodanig onzorgvuldig te werk is gegaan dat het bestreden besluit om die reden niet in stand zou kunnen blijven. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit geen kennis zou hebben genomen van het advies en de referenties, maar zich uitsluitend op de weergave daarvan door het secretariaat zou hebben gebaseerd. De rechtbank stelt verder vast dat de commissie PB normaal gesproken in mandaat beslissingen neemt op verzoeken als de onderhavige, maar dat vanwege ziekte van de voorzitter van de commissie het besluit in dit geval aan verweerder is gelaten. Mede gelet op het bepaalde in artikel 10:7 van de Awb, waarin is bepaald dat de mandaatgever bevoegd blijft de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen, is deze gang van zaken niet onzorgvuldig te achten.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.M. Neefe als voorzitter, mr. L. van Gijn en mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 5 januari 2009