Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH0785

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
05/801273-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer veroordeelt oud-militair tot een werkstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, wegens het in vereniging telen van 981 hennepplanten, diefstal van elektriciteit en diefstal van goederen toebehorend aan collega's. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte gedurende langere tijd hennep geteeld en om die kwekerij draaiende te houden heeft hij illegaal elektriciteit afgetapt. De diefstal van de mini-bike, spelcomputer, televisie en computerspellen rekent de militaire kamer verdachte zwaar aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis

Parketnummer : 05/801273-07

Datum zitting : 12 januari 2009

Datum uitspraak : 26 januari 2009

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement [geboorteplaats]

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. C.H. Molenaar, advocaat te Zevenaar.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer toegelaten vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van van 1 januari 2007 tot en met 23 juli 2007 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 981 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2007 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 73 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA , zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2007 tot en met 22 juli 2007 te Oirschot, in ieder geval in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (zogenaamde) mini-bike en/of een playstation II spelcomputer en/of een televisie en/of dertig, althans een aantal playstation II spellen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan D. [slachtoffer1] en/of R.M.M. de [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

Hijin of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 juli 2007 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (tot een waarde van 16.397,90 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan NV Continuon Netbeheer en/of NV Nuon Monitoring, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 januari 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.H. Molenaar, advocaat te Zevenaar.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren werkstraf subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht naar rato van 2 uur per dag.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.1 Ten aanzien van feiten 1 en 4.

3.1.1. Vaststaande feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

In de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 juli 2007 waren er 981 planten in de (huur)woning van verdachte en zijn medeverdachte te Arnhem aanwezig. ,

In voornoemde periode is er illegaal elektriciteit weggenomen in het huis van verdachte te Arnhem , welke electriciteit toebehoorde aan NV Continuon Netbeheer en/of NV Nuon Monitoring. , ,

3.1.2. Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander hennepplanten heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de hennepkwekerij zelf heeft ingericht en dat hij of zijn toenmalige vriendin de hennepplanten verzorgde. Het overige bewijs is de verklaring van zijn toenmalige vriendin en tevens medeverdachte.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij de verklaringen van verdachte afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee betrouwbaar en geloofwaardig acht, daar deze gedetailleerd en onderling consistent zijn.

Dat verdachte één en ander onder druk van anderen gedaan heeft, doet niet af aan het bewijs van het hem onder 1 tenlastegelegde, aldus de officier van justitie. Hij was betrokken bij het opbouwen en in standhouden van de plantage, bovendien verkocht hij uit eigen beweging hennep.

De officier van justitie heeft gesteld dat de in het huis van verdachte aangetroffen planten, hennepplanten zijn, op basis van de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte en op basis van de bevindingen van de Koninklijke Marechaussee.

Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte tevens het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, echter niet tezamen en in vereniging, nu niet uit het dossier blijkt dat zijn medeverdachte op de hoogte was van het illegaal aftappen van de elektriciteit.

3.1.3. Standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte 981 hennepplanten aanwezig heeft gehad, maar dat hij van het telen, bereiden, bewerken en verwerken vrijgesproken moet worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aanwezig was bij de bouw van de plantage noch bij het telen, bereiden, bewerken of verwerken van de hennepplanten. Dat zelfde geldt voor de tenlastegelegde diefstal van de elektriciteit, aldus de raadsman. Dat baseert de raadsman op de in de ogen van de raadsman geloofwaardige verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2009, inhoudende dat verdachte onder druk van bedreiging de plantage in zijn huis toegelaten heeft, maar zelf niets heeft gedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 januari 2009 verklaard dat hij bij de Koninklijke Marechaussee niet geheel naar waarheid heeft verklaard, omdat hij bang was voor [medeverdachte]. Laatstgenoemde zou hem hebben bedreigd.

3.1.4. Beoordeling en conclusie.

De militaire kamer is op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2009, de verklaring van zijn medeverdachte en de bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van oordeel dat de 981 aangetroffen planten, hennepplanten zijn.

De militaire kamer verwerpt de verweren van verdachte en zijn raadsman. Zij overweegt daartoe in het bijzonder het navolgende:

Niet aannemelijk is geworden dat verdachte slechts onder druk heeft toegestaan dat er hennepplanten in zijn woning aanwezig waren. De militaire kamer acht die verklaring, althans dat deel van die verklaring, niet aannemelijk geworden nu verdachte tevens ter terechtzitting en bij de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard dat hij de wiet die in zijn woning werd geteeld, heeft proberen te verkopen, zonder daartoe onder druk te zijn gezet. Een dergelijke handelwijze is niet goed begrijpelijk indien verdachte niet met de aanwezigheid van de hennepplantage in zijn woning zou hebben ingestemd. De militaire kamer houdt verdachte daarom aan zijn verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee, te meer daar die verklaringen gedetailleerd en onderling consistent zijn . Ten aanzien van verdachtes verklaring ter zitting dat hij door anderen onder druk is gezet om de hennepplantage toe te laten en in stand te houden is de militaire kamer van oordeel dat deze verklaring niet getuigd van een reële werkelijke druk of bedreiging gedurende een lange periode ook na het oprollen van de plantage. Ook de verklaring dat verdachte een week voor de zitting tot overtuiging is gekomen dat degenen die hem onder druk zouden hebben gezet hun dreigementen nooit zouden uitvoeren acht de militaire kamer ongeloofwaardig.

Voorts is de militaire kamer van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte de planten teelde, nu verdachte heeft verklaard dat zijn medeverdachte de planten verzorgde wanneer hij niet thuis was ,.

De militaire acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging 981 hennepplanten heeft geteeld.

Voorts acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen, op grond van het voorgaande, dat verdachte elektriciteit heeft gestolen. Dat hij dit deed in vereniging met een ander is niet vast komen te staan, daar uit het dossier niet blijkt dat zijn medeverdachte, die op dit punt niet is ondervraagd, kennis heeft gehad van het illegaal aftappen van de elektriciteit.

3.2 Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

• Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2009;

• Proces-verbaal Sporenonderzoek, dossierpagina 27;

• Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, dossierpagina 24 en 25.

3.3 Ten aanzien van feit 3

3.3.1. Vaststaande feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Verdachte heeft in de periode van 20 juli 2007 tot en met 22 juli 2007 een mini-bike, een playstation II spelcomputer en een aantal playstation II computerspellen zonder medeweten van de eigenaren onder zich gehad . De mini-bike behoorde toe aan het broertje van de vriendin van D. [slachtoffer1]. [slachtoffer1] zou de mini-bike op de kazerne repareren . De spelcomputer en de computerspellen waren eigendom van R.M.M. de [slachtoffer2]. Voor de verdwijning van deze goederen en een aan de [slachtoffer2] toebehorende LCD-televisie bevonden deze goederen zich in de gemeenschappelijke kamer van [slachtoffer1], De [slachtoffer2] en verdachte in de kazerne te Oirschot .

3.3.2. Standpunt van de verdediging.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal van de mini-bike daar hij niet het oogmerk heeft gehad om deze weg te nemen, aldus de raadsman. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij de mini-bike wilde repareren als verrassing voor D. [slachtoffer1].

Verdachte heeft weliswaar een sms gestuurd aan [naam] waarin verdachte hem een mini-bike te koop aanbiedt. Maar dat was bedoeld als codetaal voor het verkopen van drugs, aldus verdachte.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat verdachte vrij moet worden gesproken van de diefstal van een televisie en de spelcomputer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de televisie onder [naam] is aangetroffen en alleen [naam] heeft verklaard dat hij de televisie van verdachte heeft gekocht voor € 150,00 terwijl verdachte dit feit ontkent. Voorts heeft verdachte verklaard de spelcomputer van [naam] te hebben gekregen, terwijl hij wist dat [naam] deze had gestolen.

Tenslotte heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de diefstal van de computerspellen, daar verdachte niet het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening van die spellen had. Hij wilde ze immers lenen, aldus de raadsman.

3.3.3. Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte de mini-bike van D. [slachtoffer1] gestolen heeft. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de mini-bike zonder medeweten van [slachtoffer1] heeft meegenomen en de mini-bike later te koop heeft aangeboden aan [naam]. De verklaring dat het per sms te koop aanbieden van de mini-bike niet als zodanig bedoeld is, acht de officier van justitie niet geloofwaardig. Te meer daar [naam] heeft verklaard niet bekend te zijn met die codetaal.

Voorts is de officier van justitie van oordeel dat verdachte de spelcomputer, de computerspellen en de televisie weggenomen heeft. Volgens de officier van justitie past de verklaring die verdachte heeft gegeven voor het aantreffen van de spelcomputer en de spelen in zijn woning niet bij de feitelijke gebeurtenissen.

Verdachte heeft de computerspellen geleend zonder toestemming van de eigenaar en beschikte daarmee als heer en meester over deze goederen.

De verklaring van verdachte dat niet hij maar [naam] de playstation II en televisie heeft gestolen, acht de officier van justitie niet geloofwaardig. Hij heeft daartoe aangevoerd dat De [slachtoffer2] heeft verklaard dat hij van [naam2] heeft gehoord dat verdachte verteld heeft dat hij nog wel een “flatscreen” op zijn kamer had voor [naam3]. Dit ondersteunt de verklaring van [naam] dat hij de televisie voor € 150,00 van verdachte heeft gekocht.

3.3.4. Beoordeling en conclusie

De militaire kamer verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe in het bijzonder het navolgende:

Ten aanzien van de mini-bike en computer spellen

Verdachte heeft de mini-bike en een aantal computerspellen zonder medeweten van de rechthebbenden weggenomen. Dat hij voornemens was de goederen terug te geven is niet aannemelijk geworden. Voor wat de mini-bike betreft komt de militaire kamer tot dit oordeel, nu verdachte in een sms een mini-bike aanbiedt aan [naam]. Dat met de term mini-bike drugs wordt bedoeld zoals door verdachte aangegeven spoort niet met de verklaring van [naam] die stelt niet bekend te zijn met die codetaal. Voor wat betreft de spellen is niet aannemelijk geworden dat deze door verdachte slechts zijn geleend, omdat van lenen geen sprake kan zijn indien de eigenaar niet om toestemming daarvoor is gevraagd.

De militaire kamer is daarom van oordeel dat verdachte op het moment van wegnemen van de goederen het oogmerk had om wederrechtelijk als heer en meester daarover te beschikken.

Ten aanzien van de spelcomputer en de televisie

De militaire kamer acht de verklaring van verdachte dat [naam] deze goederen zou hebben gestolen, niet aannemelijk geworden. Te meer niet daar [naam] heeft verklaard een televisie van verdachte te hebben gekocht terwijl hij wist dat deze gestolen was en voorts dat [slachtoffer2] heeft verklaard op 19 juli 2007 van [naam2] gehoord te hebben dat verdachte te kennen heeft gegeven dat er nog een televisie op zijn kamer stond, nadat tegen verdachte was gezegd dat iemand nog een “flatscreen” wilde hebben.

Voorts is de lezing van verdachte dat hij de spelcomputer van [naam] heeft gekregen niet aannemelijk geworden, nu deze verklaring nergens wordt ondersteund door andere uit het dossier gebleken feiten en omstandigheden, terwijl de verklaring van [naam], zoals overwogen, wel ondersteund wordt.

Gezien het voorgaande acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een mini-bike, een playstation II spelcomputer, een aantal playstation II spellen en een televisie heeft gestolen.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 juli 2007 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van 981 hennepplanten, zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 23 juli 2007 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad 73 tabletten, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij in de periode van 20 juli 2007 tot en met 22 juli 2007 te Oirschot, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (zogenaamde) mini-bike en een playstation II spelcomputer en een televisie en een aantal playstation II spellen, toebehorende aan anderen dan aan verdachte;

4.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 juli 2007 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan NV Continuon Netbeheer en/of NV Nuon Monitoring.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’

Ten aanzien van feit 2:

‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’

Ten aanzien van de feit 3:

‘diefstal, meermalen gepleegd’

Ten aanzien van feit 4:

‘diefstal’

4b. De strafbaarheid van het/de feit(en)

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 19 december 2008.

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een werkstraf van maximale duur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden gevorderd. Naar het oordeel van de officier van justitie is gelet op de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd maar gelet op de navolgende punten, is de officier van justitie tot voornoemde strafeis gekomen:

- Verdachte is door Defensie ontslagen;

- Verdachte heeft geen relevante justitiële documentatie;

- Het zijn relatief oude feiten.

6.2 Standpunt van de raadsman

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de militaire kamer.

6.3 Beoordeling en conclusie

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte gedurende langere tijd hennep geteeld en om die kwekerij draaiende te houden heeft hij illegaal elektriciteit afgetapt. Hij heeft daarmee de energieleverancier benadeeld en bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. De militaire kamer rekent hem dat aan, te meer nu verdachte ten tijde van het plegen van het delict militair was en met zijn handelen het aanzien van de krijgsmacht geschonden heeft.

De diefstal van de mini-bike, spelcomputer, televisie en computerspellen rekent de militaire kamer verdachte zwaar aan. Defensie is een organisatie waarbinnen collega’s nagenoeg blindelings op elkaar moeten kunnen vertrouwen. Zij opereren immers vaak samen onder zware en moeilijke omstandigheden waarbij er geen plaats is voor onderlinge wrijvingen, die door zulke delicten kunnen ontstaan. Verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat zijn collega’s in hem moeten kunnen stellen.

Daar komt bij dat verdachte eerder is veroordeeld wegens diefstal en zich kennelijk niets gelegen heeft laten liggen aan de in die eerdere veroordeling gelegen waarschuwing.

Gezien het voorgaande acht de militaire kamer een werkstraf van na te melden duur en een voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte in de toekomst te weerhouden van criminele activiteiten een gepaste strafrechtelijke reactie. De duur van de werkstraf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de militaire kamer meer dan de officier van justitie in het voordeel van verdachte rekening houdt met de relatieve ouderdom van de zaken.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

• 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 91, 310 van het Wetboek van Straf¬recht;

• 2, 3, 10, 11 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

En voorts tot:

Het verrichten van een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 100 (honderd) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 6 (zes) uren, zijnde 3 (drie) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van S.P. Visser, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 januari 2009.