Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH0768

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
05/800649-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer veroordeelt Nederlandse marinier voor openlijk geweld op Aruba.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/800649-08

Datum zitting : 12 januari 2009

Datum uitspraak : 26 januari 2009

Promis

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te Venlo,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 november 2007 in Aruba, openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen de persoon [slachtoffer], immers heeft/hebben

verdachte(n) en/of zijn mededader(s) aldaar op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg de Weststraat en/of de L.G. Smithboulevard opzettelijk die

[slachtoffer] meermalen, althans een maal geslagen en/of gestompt tegen het hoofd

en/of het lichaam en/of geschopt en/of getrapt tegen het lichaam;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 12 januari 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van 410 euro subsidiair 8 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Op 10 november 2007 heeft er op Aruba op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de hoek van de Weststraat en/of de L.G. Smithboulevard, een vechtpartij plaatsgevonden. Bij deze vechtpartij waren betrokken de personen [slachtoffer], E. [medeverdachte] en verdachte. E. [medeverdachte] heeft daarbij opzettelijk [slachtoffer] meermalen geslagen of gestompt tegen het hoofd en/of het lichaam als ook geschopt tegen het lichaam.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte

uitsluitend aanwezig is geweest bij de vechtpartij tussen E. [medeverdachte] en [slachtoffer] en dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte ook daadwerkelijk zelf geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt. Naar het oordeel van de raadsman zou verdachte daarom moeten worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.

Beoordeling van het standpunt

De militaire kamer overweegt als volgt.

Op 16 november 2007 heeft verdachte verklaard dat hij “in gevecht gegaan” is met [slachtoffer] en dat hij heeft geslagen, geschopt en geduwd. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van E. [medeverdachte], die heeft verklaard dat hij zag dat verdachte klappen en schoppen uitdeelde en door de verklaring van [slachtoffer] die verklaart dat hij door twee mariniers is aangevallen waarbij hij een klap tegen zijn hoofd kreeg en op de grond viel waarna die mariniers begonnen te schoppen en met hun gebalde vuisten te slaan . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gelet op het tijdsverloop de precieze gang van zaken bij de vechtpartij niet meer weet, dat hij niet zeker weet of hij [slachtoffer] heeft geraakt maar dat hij denkt dat hij hem niet heeft geraakt.

Nu de verklaring van verdachte van 16 november 2007 slechts een week na het voorval is afgelegd, heeft de militaire kamer geen reden om aan het waarheidsgehalte van die verklaring te twijfelen. De militaire kamer acht daarom op grond van de verklaring van verdachte, afgelegd op 16 november 2007 en op grond van de bovengenoemde verklaringen van E. [medeverdachte] en [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen heeft geslagen en/of gestompt tegen het hoofd en/of het lichaam en geschopt tegen het lichaam.

De militaire kamer verwerpt het verweer van de raadsman.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 10 november 2007 op Aruba, openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen de persoon [slachtoffer], immers hebben

verdachte en zijn mededader aldaar op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg de Weststraat en/of de L.G. Smithboulevard opzettelijk die

Acosta meermalen, geslagen en/of gestompt tegen het hoofd

en/of het lichaam en geschopt tegen het lichaam.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

4b. De strafbaarheid van het feit

Standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de raadsman heeft verdachte het feit begaan omdat hij E. [medeverdachte] wilde verdedigen toen deze werd aangevallen. De raadsman doet daarmee een beroep op noodweer.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat E. [medeverdachte] zelf de confrontatie met [slachtoffer] heeft opgezocht en dat er daarom geen sprake is van een situatie waarin verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer zou kunnen doen.

Beoordeling van de standpunten

Voor een gerechtvaardigd beroep op noodweer is in dit geval noodzakelijk dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van E. [medeverdachte], waartegen verdachte hem noodzakelijk moest verdedigen.

De militaire kamer stelt vast dat verdachte, naar hij heeft verklaard, geconfronteerd werd met de situatie waarin E. [medeverdachte] in gevecht was met [slachtoffer] en dat hij vervolgens [medeverdachte] is gaan helpen. Ter zitting heeft verdachte over dat moment nog verklaard dat hij [medeverdachte] toen uit dat gevecht heeft willen wegtrekken maar dat dit niet lukte omdat [medeverdachte] het gevecht wilde voortzetten. Tegenover de Koninklijke Marechaussee heeft verdachte verklaard dat al snel nadat hij [medeverdachte] was komen helpen drie anderen erbij kwamen en dat hij vervolgens ook in gevecht is gegaan met [slachtoffer] en de drie anderen. Ter zitting heeft verdachte deze verklaring nader toegelicht en erop gewezen dat hij pas in gevecht is gegaan toen hij zag dat [medeverdachte] door al deze personen werd aangevallen. De militaire kamer hecht aan deze nadere toelichting geen waarde. Immers, het had voor de hand gelegen dat verdachte deze toelichting ook tegenover de Koninklijke Marechaussee had gegeven in zijn verklaring kort na het voorval, nu dit een essentiële beweegreden voor zijn handelen zou betreffen. Aangezien hij dit niet heeft gedaan en bovendien ter zitting heeft gezegd dat hij thans niet goed meer weer wat er precies is gebeurd, houdt de militaire kamer verdachte aan zijn verklaring afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat verdachte vanuit een noodweersituatie heeft gehandeld.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; en

- de persoon, de persoonlijke en de financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 14 oktober 2008.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld op Aruba. Dit is een ernstig feit. Dergelijke delicten dragen bij aan gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en bij de mensen die onverwachts met dit soort geweld worden geconfronteerd. Daarbij komt dat de Nederlandse mariniers die op Aruba zijn gestationeerd daar te gast zijn en zich daar ook zo te gedragen hebben.

In beginsel is voor dit soort feiten daarom een werkstraf passend en geboden. De militaire kamer houdt echter ook rekening met het feit dat verdachte 11 nachten in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft gezeten voor het bewezenverklaarde feit. Zij is daarom van oordeel dat voor afdoening van dit feit conform de vordering van de officier van justitie volstaan kan worden met een geldboete van nader te noemen hoogte.

De militaire kamer zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis tegen verdachte opheffen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 141 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een geldboete van € 410,- (vierhonderdtien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.A.M. Janssen, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 januari 2009.