Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH0106

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/2803, AWB 08/2805 en AWB 08/2808
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Functiewaardering FUWA-MET.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 08/2803, AWB 08/2805 en AWB 08/2808

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 13 januari 2009

inzake

[A],

wonende te [woonplaats A],

[B],

wonende te [woonplaats B],

[C],

wonende te [woonplaats C],

eisers

tegen

het Dagelijks Bestuur van Regio Rivierenland te Tiel,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Gelijkluidende besluiten van verweerder van 15 april 2008.

2. Procesverloop

Bij besluiten van 4 september 2007 heeft verweerder de functiebeschrijving van eisers, te weten medewerker bedrijfsafval, vastgesteld met als peildatum 1 januari 2004. Voorts heeft verweerder de functie gewaardeerd met 33 punten en is bij voormeld besluit het schaalniveau van de functie vastgesteld op schaal 4.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en daarmee de eerder genoemde besluiten van 4 september 2007 gehandhaafd, met dien verstande dat de waardering van de functie wel met één punt is verhoogd.

Tegen de bestreden besluiten zijn door eisers bezwaarschriften ingediend, welke bezwaar-schriften door verweerder op grond van artikel 6:15 van de Awb als beroepschriften aan deze rechtbank zijn doorgezonden. Door verweerder zijn verweerschriften ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 november 2008. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.F.M. Duquesnoy, beleidsmedewerker juridische zaken bij Regio Rivierenland en [Y], werkzaam bij Organisatieadviesbureau Buitenhekplus.

3. Overwegingen

Eisers zijn werkzaam bij de Regio Rivierenland in de functie medewerker bedrijfsafval (functiecode 1.66). Binnen de organisatie van verweerder heeft een functieonderhoudsronde plaatsgevonden. Blijkens de “Procedureregeling functiebeschrijving en functiewaardering Regio Rivierenland” heeft verweerder hierbij gebruik gemaakt van het functiewaarderingssysteem FUWA-MET.

Bij brieven van 5 april 2007 is eisers de gewijzigde concept-functiebeschrijving toegezonden waarbij eisers in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze kenbaar te maken. Eisers hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 4 september 2007 is de beschrijving van de functie vastgesteld met als peildatum 1 januari 2004. De functie wordt gewaardeerd met 33 punten, waarmee een indeling in functieschaal 4 correspondeert. Bij voornoemd besluit heeft verweerder deze schaal eveneens vastgesteld. Eisers waren het niet eens met deze inschaling en maakten bezwaar.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder meegedeeld dat het advies van de bezwarencommissie wordt overgenomen in die zin dat de score voor het onderdeel “mondelinge communicatie” wordt verhoogd, hetgeen leidt tot een totaalscore van 34 punten. Dit heeft echter niet geleid tot indeling in een hogere functieschaal zodat de bezwaren van eisers ongegrond zijn verklaard.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en hebben zich op het standpunt gesteld dat uit recentelijk verkregen informatie met betrekking tot vergelijkbare functies is gebleken dat het advies van de bezwaarschriftencommissie niet passend is. Eisers stellen dat de onderdelen “Kennis; ervaringsjaren”, “Zelfstandigheid” en “Communicatie; mondeling” opnieuw moeten worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank constateert allereerst dat verweerder bevoegd was tot het nemen van de bestreden besluiten. Op grond van artikel 24 van de Regeling Regio Rivierenland regelt het algemeen bestuur overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet 1929 de rechtspositie van de secretaris en de overige personeelsleden van het openbaar lichaam. Op basis van artikel 33 van de Wet gemeenschappelijke regelingen juncto artikel VIIIa van de Wet dualisering gemeentebestuur en artikel 156 Gemeentewet (oud) is het algemeen bestuur bevoegd deze bevoegdheid te delegeren aan het dagelijks bestuur. Deze delegatie is geschied bij besluiten van 17 april 2003 en 14 september 2005.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de directeur AVRI niet gemandateerd was tot ondertekening van de bestreden besluiten namens het dagelijks bestuur. Nu is gebleken dat de bestreden besluiten door het dagelijks bestuur bevoegd zijn genomen, is de rechtbank van oordeel dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan dit gebrek voorbij kan worden gegaan omdat eisers hierdoor niet zijn benadeeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet de rechterlijke toetsing in een geval als het onderhavige een terughoudende zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven of ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat eerst tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan als deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere, hogere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

De rechtbank stelt vast dat door eisers geen bezwaar is gemaakt tegen de functiebeschrijving. Het geding beperkt zich dan ook tot de functiewaardering waarbij van de juistheid van de functiebeschrijving wordt uitgegaan.

Het door verweerder gehanteerde functiewaarderingssysteem FUWA-MET waardeert de functies vanuit vijf verschillende karaktereigenschappen, waarbij een aantal karaktereigenschappen van een nadere verfijning zijn voorzien. Blijkens de beroepschriften en hetgeen ter zitting is verklaard hebben eisers bezwaren tegen de score die is gegeven voor de (verfijnde) karaktereigenschappen “Kennis; ervaringsjaren”, “Zelfstandigheid” en “Communicatie; mondeling”.

Kennis; ervaringsjaren

Volgens het FUWA-MET wordt bij dit onderdeel van de karaktereigenschap “Kennis” de voor een goede uitvoering van de functie benodigde praktijkervaring in ogenschouw genomen. Het gaat daarbij om die kennisaspecten van operationele aard die slechts in de praktijk kunnen worden opgedaan. Niet bedoeld wordt de voor de functie benodigde inwerktijd om, na het voltooien van de voor de functie benodigde opleiding, op niveau binnen een organisatie te kunnen functioneren. Het betreft dus alleen de extra ervaringsjaren die noodzakelijk zijn om kennis op te doen welke niet via de basis- of beroepsopleiding, dan wel aanvullende opleiding kan worden opgedaan.

Dit onderdeel is door verweerder gewaardeerd met score 1, hetgeen gelijk staat aan maximaal 1 vereist ervaringsjaar. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eenvoudige eerstelijns commerciële informatie, administratieve handelingen en het leren instrueren en begeleiden van invalkrachten tot het takenpakket behoren en dat de daarvoor benodigde kennis niet in de vereiste (aanvullende) opleiding kan worden opgedaan.

Eisers kunnen zich niet in deze waardering vinden en stellen dat het langer dan een jaar duurt om de routes en klanten te leren kennen, gezien de grote omvang van het werkgebied (9 gemeenten) en de grote diversiteit aan contracten (2000 klanten). Aldus verweerder valt inwerktijd voor het leren kennen van het werkgebied echter niet onder dit begrip. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het ook niet zozeer gaat om het leren kennen van de routes en de klanten, maar dat de medewerker bedrijfsafval moet kunnen omgaan met het rijden van steeds verschillende routes langs verschillende klanten en dat ze hier flexibel mee moeten leren omgaan. In dat verband heeft verweerder nog gewezen op de huidige navigatiesystemen waar gebruik van kan worden gemaakt en de binnendienst waarop kan worden teruggevallen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om deze motivering voor onjuist te houden.

Zelfstandigheid

Volgens het FUWA-MET gaat het bij deze karaktereigenschap enerzijds om de ruimte om beslissingen te kunnen nemen en/of initiatieven te kunnen ontplooien (naar eigen inzicht en zonder directe terugkoppeling) en anderzijds om de mate van gebondenheid aan regelgeving en de toezichthoudende/controlerende rol van de leidinggevende.

Verweerder heeft deze karaktereigenschap met score 2(A) gewaardeerd (waarbij A staat voor de eerste kolom), te weten een beperkte mogelijkheid tot het nemen van beslissingen bij een zeer grote mate van gebondenheid. Voor wat betreft de mate van gebondenheid heeft verweerder deze score gebaseerd op de omstandigheid dat wordt gewerkt met een vast schema voor het ophalen van bedrijfsafval waarbij de condities waaronder dit gebeurt schriftelijk zijn vastgelegd. Zowel het schema als deze condities vragen nauwelijks interpretatieruimte, aldus verweerder.

Niet in geschil is dat de mogelijkheid tot het nemen van beslissingen als beperkt kan worden aangemerkt. Wel verschillen de partijen van mening over de mate van gebondenheid.

Eisers voeren aan dat sprake is van een grote vrijheid bij het uitzetten van de route zodat de mate van gebondenheid (aan door de planning verstrekte routes) groot is in plaats van zeer groot, oftewel score 4(B). Vooropgesteld wordt dat het vaststellen van het ophaalschema, oftewel de planning, niet (als hoofdbestanddeel) in de functiebeschrijvingen van eisers is opgenomen. Dit wordt door de binnendienst verzorgd. Naar het oordeel van de rechtbank behelst de kern van de planning het aanwijzen van de die dag te bezoeken klanten en niet zozeer het bepalen van de te rijden route. Dat eisers deze route naar eigen inzicht mogen aanpassen, brengt dan ook niet mee dat een waardering met de score 2(A) op onvoldoende gronden berust. Voor zover eisers hebben beoogd te betogen dat zij in de dagelijkse praktijk ook de planning aanvullen of wijzigen, merkt de rechtbank nog op dat de organieke functiebeschrijving de basis is voor de functiewaardering en niet de feitelijke werksituatie. Indien eisers zich niet konden verenigen met de organieke functiebeschrijving, had het op hun weg gelegen om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden. Dat zij daarvan hebben afgezien moet voor hun rekening en risico komen.

Communicatie; mondeling

Volgens het FUWA-MET gaat het bij de mondelinge communicatie om de eisen die gesteld moeten worden aan de mondelinge uitdrukkingsvaardigheid van de functiehouder, gegeven de inhoud en positionering van de functie. Hierbij wordt de diepgang van de contacten afgezet tegen de omstandigheden waaronder het contact plaatsvindt.

Blijkens de bestreden besluiten heeft verweerder de waardering van deze (verfijnde) karaktereigenschap in bezwaar met 1 punt verhoogd naar 2(A). Daarbij is verweerder enerzijds ervan uitgegaan dat de voor de functie noodzakelijke mondelinge contacten plaatsvinden onder gelijke omstandigheden/doelstellingen waarbij nauwelijks sprake is van belangentegenstellingen en dat de aard van het contact overdragend en inwinnend is en anderzijds dat sprake is van enige diepgang in deze contacten. Voor wat betreft de aard van het contact heeft verweerder deze score onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat geen overtuiging van klanten op tactisch niveau vereist is, aangezien dit valt onder de verantwoordelijkheid van de accountmanager.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen de partijen geen verschil van mening bestaat over de diepgang van de contacten maar wel over de omstandigheden waaronder deze plaatsvinden. Eisers zijn van mening dat sprake zou moeten zijn van een waardering met score 3(B) omdat zij (nieuwe) klanten commercieel moeten overtuigen van hun diensten.

Volgens de functiebeschrijvingen zijn eisers belast met de (administratieve verwerking van de) inzameling van bedrijfsafval en het aanleveren van de logistieke en commerciële informatie over die inzameling aan de medewerker binnendienst. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat daaruit niet valt af te leiden dat in het contact met klanten overtuigingskracht vereist is, nu eisers werkzaamheden in de kern de uitvoering van door anderen gesloten servicecontracten betreffen. Daarbij verdient het nog opmerking dat ook de omstandigheid dat de functie van accountmanager, die volgens verweerder binnen de organisatie verantwoordelijk is voor de overtuiging van klanten op tactisch niveau, reeds geruime tijd feitelijk niet is ingevuld, niet afdoet aan de waardering van een organieke functiebeschrijving. Een waardering met de score 2(A) kan dan ook de rechterlijke toets doorstaan.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de functiewaardering niet op onvoldoende gronden berust. De rechtbank merkt daarbij nog op dat functiewaardering niet rekenkundig kan worden benaderd. In grensgevallen kunnen andere waarderingen verdedigbaar zijn waarbij de rechtbank terughoudend moet toetsen.

Tot slot hebben eisers ter zitting nog naar voren gebracht dat het hoofd bedrijfsafval, Marco Haakman, hen in het kader van het opnieuw beschrijven van de functies hoger loon heeft toegezegd. Reeds omdat deze vermeende toezegging niet op schrift is gesteld, komt eisers geen beroep op het vertrouwensbeginsel toe.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen de bestreden besluiten geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 13 januari 2009