Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:BH0102

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/2364
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens functionele ongeschiktheid. Verweerder heeft onvoldoende aangetoond dat eiser ongeschikt is voor zijn huidige functie. Verweerder heeft zich teveel laten leiden door de wijze waarop de functie in de toekomst vervuld moet gaan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2364

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 13 januari 2009

inzake

[A], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. V.L.S. van Cruijningen.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 maart 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder eiser met ingang van 1 december 2007 eervol ontslagen op grond van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten en/of gebreken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 26 november 2007 gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 november 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, vergezeld door [B]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Van Cruijningen voornoemd, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en [X], werkzaam bij de gemeente Wageningen.

3. Overwegingen

Eiser was als zelfstandige werkzaam bij de gemeente Wageningen toen hij op verzoek van de gemeente heeft gesolliciteerd naar de functie [naam functie] (afdeling [naam afdeling]). Eiser is, mede vanwege zijn kennis van het salarispakket EMIS, met ingang van 1 januari 2001 door verweerder in deze functie aangesteld.

Op 25 oktober 2004 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden tussen eiser, de heer [Y] (hierna: de afdelingsmanager) en mevrouw [X] voornoemd (hierna: de teamleider) die sinds 1 augustus 2004 bij verweerder is aangesteld.

In 2005 hebben partijen een traject doorlopen waarbij diverse gesprekken zijn gevoerd omtrent de verhoudingen binnen de afdeling [naam afdeling] en het functioneren van eiser. Een psychologisch onderzoek heeft eveneens deel uitgemaakt van dit traject en uit de rapportage van 21 juni 2005 van het op 24 mei 2005 gehouden onderzoek blijkt dat eiser in voldoende mate geschikt wordt geacht voor zijn huidige functie zoals deze is omschreven in de functie-omschrijving.

Op 22 december 2005 heeft wederom een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Uit het verslag blijkt dat de samenwerking binnen het team goed is en dat eiser qua kennisniveau voldoende is toegerust maar dat hij zich voor specifieke kennis gaat bijscholen. In het verslag staat eveneens dat de communicatie beter gaat maar dat het verstrekken van informatie aan het management nog beter moet.

Bij brief van 12 juni 2006 doet verweerder verslag van een bespreking van 7 juni 2006 tussen eiser, zijn teamleider en de afdelingsmanager. Middels deze brief wordt eiser aangesproken op zijn houding ten aanzien van de opleiding “pensioenadviseur overheid en onderwijs” en zijn afwezigheid bij de incompany training Awb. Verweerder wijst eiser voorts op zijn houding ten aanzien van bezettingsproblemen en stelt dat eiser niet betrouwbaar is in zijn communicatie. Eiser heeft de inhoud van de brief bij een schrijven van 26 juli 2007 weerlegd.

Tijdens een gesprek van 19 juli 2006 wordt eiser meegedeeld dat zijn functie door samenwerking van gemeenten zal gaan veranderen. Volgens verweerder zal de functie veel meer een advies- en voorlichtingsfunctie worden en nog maar deels een mutatiefunctie zijn. Volgens verweerder vraagt dit andere competenties dan dat eiser heeft en in dat kader wordt aangegeven dat het zaak is voor eiser om zich te bezinnen op de toekomst en dat gekeken moet worden naar het loopbaanperspectief van eiser.

Op 11 oktober 2006 heeft met eiser een functionerings-/ontwikkelgesprek plaatsgevonden over de periode 22 december 2005 tot datum resultaatsgesprek 2007. Uit het verslag blijkt dat, gezien de ontwikkelingen bij verweerder, de organisatie nu al en straks nog meer behoefte heeft aan meer sturingsinformatie. De functie zal meer een vraagbaakfunctie met expertise worden waarbij meer moet worden geadviseerd en dit sluit niet aan bij de competenties van eiser. Uit het verslag kan voorts worden opgemaakt dat eiser heeft aangegeven uit te zullen kijken naar een andere baan.

Bij brief van 19 juli 2007 wordt eiser meegedeeld dat verweerder concreet afspraken wil gaan maken over de datum van beëindiging van het dienstverband. Hiervoor zou volgens verweerder een ontslag wegens ongeschiktheid van toepassing zijn.

Bij brief van 23 juli 2007 geeft eiser te kennen het niet eens te zijn met de voorgestane gang van zaken.

Bij brief van 25 oktober 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om eiser met ingang van 1 mei 2008 te ontslaan op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de verdere invulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder zijn voornemen ten uitvoer gelegd en de ingangsdatum van het ontslag bepaald op 1 december 2007. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 december 2007 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 26 november 2007 gehandhaafd. Aan het ongeschiktheids-ontslag ligt ten grondslag dat verweerder de mening is toegedaan dat eiser de vereiste competenties mist. Eiser zou, kort gezegd, over onvoldoende (pensioen)kennis beschikken, op onbetrouwbare wijze communiceren en informatie aan het management niet juist aanleveren.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft de hem gemaakte verwijten gemotiveerd betwist.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Ingevolge artikel 8:6, eerste lid van de CAR/UWO kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

Volgens vaste jurisprudentie is van ongeschiktheid sprake indien de betrokkene niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist. Een zodanig ontslag dient te berusten op voldoende concrete gegevens waaruit die ongeschiktheid blijkt . Daarnaast geldt in het algemeen de eis dat de ambtenaar met zijn tekortkomingen is geconfronteerd op een zodanige wijze dat het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat bij gebreke van verbetering ontslag dreigde en op een zodanig tijdstip dat hij nog een reële kans had om de gewenste verbetering in zijn functioneren tot stand te brengen. De betrokken ambtenaar dient bij de pogingen om tot een verbetering van het functioneren te komen in voldoende mate te worden ondersteund middels een adequate begeleiding en eventueel aanvullende opleidingen.

Allereerst dient de rechtbank vast te stellen of de ongeschiktheid van betrokkene voor zijn huidige functie in voldoende mate is aangetoond. De rechtbank moet bezien of uit beoordelingen en uit overige documentatie die ongeschiktheid in voldoende mate blijkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van voornoemde stukken aangetoond dat eiser weinig genegen was om aan de wensen van zijn leidinggevende te voldoen, echter gelet op de processtukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van de geschiktheid van eiser te zeer is bezien in het licht van de toekomstige functie waarbij meer de nadruk zou komen te liggen op advisering en voorlichting dan wel dienstverlening. Verder is de rechtbank ter zitting gebleken dat het aanleveren van informatie aan het management bemoeilijkt werd door het niet compatibel zijn van twee systemen. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser dit niet worden verweten als ongeschiktheid. Verweerder heeft voorts ter zitting verklaard dat eiser bij het verstrekken van informatie voorlichting omtrent pensioenen te maken had met een slecht werkend Easypakket en dat derhalve eerder sprake was van een gebrek aan klantgerichtheid/communicatie bij eiser dan van gebrek aan kennis. Voorts is de rechtbank gebleken dat eiser ten aanzien van zijn wijze van communiceren door verweerder onvoldoende is ondersteund. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat tijdens teamoverleggen het onderwerp communicatie en het geven van feedback op de agenda heef gestaan, echter de rechtbank acht dit onvoldoende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard nog niet te zijn toegekomen aan het laten volgen van communicatiecursussen door eiser. Op dit punt is de rechtbank dan ook in onvoldoende mate gebleken van ondersteuning en adequate begeleiding.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat eiser ongeschikt is voor zijn huidige functie. Bovendien heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank teveel laten leiden door de toekomstige functie. Het bestreden besluit kan derhalve geen stand houden zodat dit besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 26 november 2007 te herroepen.

De rechtbank is niet gebleken van in beroep gemaakte proceskosten.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat uit voorgaande voortvloeit dat de herroeping het gevolg is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,-aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, waarbij 1 punt staat voor € 322,-).

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 26 november 2007;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de gemeente Wageningen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Wageningen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 143,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. P.L. de Vos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 13 januari 2009