Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2009:3628

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
ARN_08_490
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie op verzoek, geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

______________________________________________________________________________________

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 08/490 en AWB 08/491

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 MAART 2009

inzake

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Almelo, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres de volgende naheffingsaanslagen en boetes opgelegd:

- met dagtekening 27 december 2005 over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .A.01.050.0) loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) van € 71.588, heffingsrente € 13.482 en een boete van € 35.794 en

- met dagtekening 31 augustus 2006 over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .A.01.450.0) LB/PVV van € 239.110, heffingsrente van € 30.765 en een boete van € 40.545.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 november 2007 eiseres wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 en de ter zake daarvan opgelegde boete.

Bij uitspraak op bezwaar van 30 november 2007 heeft verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004, en de bijbehorende boetebeschikking, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brieven van 9 januari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 10 januari 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009 te Arnhem. Namens eiseres is daar verschenen [gemachtigde] , bijgestaan door [A] . Namens verweerder is verschenen drs. [gemachtigde] , bijgestaan door [B] .

Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

De ondernemingsactiviteiten van eiseres bestaan uit de handel in paarden. De aandelen van eiseres worden gehouden door [C] BV waarvan de heer [D] bestuurder en enig aandeelhouder is.

Verweerder heeft in 2005 een boekenonderzoek ingesteld bij [C] BV, waarbij onder meer onderzoek is gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004. Van de bevindingen van het boekenonderzoek is met dagtekening 28 juni 2006 door [B] een rapport opgemaakt. Een afschrift van het rapport behoort tot de gedingstukken. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen.

"(... ).

7.2

Administratieve verplichtingen

7.2.1

Loonbelastingverklaringen

De inhoudingsplichtige heeft niet volledig voldaan aan de administratieve verplichtingen die wettelijk zijn voorgeschreven. Van een aantal werknemers kon geen ingevulde en door de werknemer ondertekende loonbelastingverklaring worden getoond. Het uitbetaalde bedrag dient daarom te worden aangemerkt als loon waarop het tarief voor anonieme werknemers van toepassing is. De correctie loopt samen met de correctie bij het hierna genoemde punt. De omvang is daar vastgelegd. In een brief van 27-2-2006 wordt door gemachtigde gesteld dat de vorige gemachtigde de loonbelastingverklaringen gehad moet hebben want anders zou de vorige gemachtigde de lonen niet hebben verwerkt en ook niet kunnen verwerken. Dat men dan de lonen niet kon verwerken is naar mijn mening niet juist. Echter dit doet niet ter zake. Feit is dat de loonbelastingverklaringen nog steeds niet zijn getoond.

7.2.2

Identificatieplicht werknemers

Van enkele personeelsleden kon geen kopie van een wettelijk toegelaten identiteitsbewijs worden getoond. Voorzover deze bewijzen ontbreken dient het uitbetaalde loonbedrag te worden aangemerkt als loon waarop het tarief voor anonieme werknemers van toepassing is. Voor al deze werknemers was ook geen loonbelastingverklaring aanwezig. Voor 2 van deze werknemers werd op een later moment alsnog een kopie van een rijbewijs getoond. ( ... ).

In een brief van 27-2-2006 wordt door gemachtigde gesteld dat de vorige gemachtigde de kopieën van de identiteitsbewijzen gehad moet hebben want anders zou de vorige gemachtigde de lonen niet hebben verwerkt en ook niet kunnen verwerken. Dat men dan de lonen niet kon verwerken is naar mijn mening niet juist. Echter dit doet niet ter zake. Feit is dat de kopieën van de betreffende identiteitsbewijzen nog steeds niet zijn getoond.

Correctie:

2000 meer verschuldigde loonheffing € 33.675

2002 meer verschuldigde loonheffing € 286

Van één werknemer is wel een kopie van een identiteitsbewijs getoond. Dit was echter een kopie van een document dat is afgegeven in september 2005. Het is dus duidelijk dat de identiteit van de werknemer bij de aanvang van de dienstbetrekking niet is vastgesteld aan de hand van dit document. De mogelijkheden voor inhoudingsplichtigen om zaken te herstellen waren volgens de mededeling bij de aangifte loonbelasting van juni 2005 met ingang van 1-7-2005 afgelopen. Inhoudingsplichtige heeft deze mogelijkheid ongebruikt gelaten. De conclusie is dat de identiteit van de medewerker niet op de juiste wijze is vastgesteld en dat dus het tarief voor anonieme werknemers van toepassing is.

Correctie:

2000 meer verschuldigde loonheffing € 23.896

2001 meer verschuldigde loonheffing € 17.260

2002 meer verschuldigde loonheffing € 17.594

2003 meer verschuldigde loonheffing € 18.005

2004 meer verschuldigde loonheffing € 17.615

(...).

7.4

Loon

(... )

In 2002 zijn er problemen ontstaan met een personeelslid, de heer [E] . Aan de hand van de aangetroffen stukken kunnen de volgende gegevens worden vastgesteld. Op 1-10-2002 is de arbeidsovereenkomst met de heer [E] door de kantonrechter ontbonden. De heer [E] was ziek en er waren problemen over de werkhervatting van de heer [E] . Vanaf 18-4-2002 is belastingplichtige gestopt met de salarisbetaling. Over de periode 18-4-2002 tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst had de heer [E] nog recht op salaris. Op basis van het tot die datum betaalde maandloon is men tot de conclusie gekomen dat dit een bedrag van afgerond € 23.000 was. Uit het vonnis van de kantonrechter blijkt dat de arbeidsovereenkomst is ontbonden en dat aan de heer [E] een vergoeding wordt toegekend van € 77.000 als suppletie op een eventuele uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten, dan wel een elders te verdienen lager salaris. Het volledige bedrag van € 100.000 (€ 23.000 plus € 77.000) is vervolgens in termijnen uitbetaald aan de heer [E] . De eerste betaling heeft plaatsgevonden eind september 2002 en de laatste op 11-7-2003.

Uit de stukken is dus duidelijk dat het volledige bedrag van € 100.000 dat de heer [E] ontvangt rechtstreeks en uitsluitend voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst of het beëindigen daarvan. Het volledige bedrag was in 2002 vorderbaar en inbaar. Het uitbetaalde loon dient te worden aangemerkt als netto loon. In een brief van 27-3-2006 stelt gemachtigde dat ik heb toegezegd dat ik het enkelvoudige tarief zou toepassen. Dit is niet juist. Ik heb in het begin van de controle aangegeven dat ik wilde overwegen het bedrag als bruto loon aan te merken mits ook daadwerkelijk de loonheffing op de heer [E] verhaald zou worden en de heer [E] daarmee akkoord zou gaan.

Gemachtigde was het niet met mij eens dat het volledige bedrag als loon aangemerkt moest worden; mede ook ingegeven door antwoorden van de vorige gemachtigde. Daarna heb ik meegedeeld dat ik het volledige bedrag als loon zou aanmerken en gelet op het feit dat de € 100.000 volledig was uitbetaald ook dit bedrag als netto loon zou aanmerken. Verder stelt gemachtigde dat zij niet akkoord zijn met de naheffing vanwege het feit dat belastingplichtige mocht uitgaan van het advies van de vorige gemachtigde. Mijns inziens is dit niet relevant omdat belastingplichtige ten allen tijde verantwoordelijk is en blijft.

Correctie: 2000 meer netto loon € 100.000

(... ).

12 Boete

(... ).

12.3

Loonbelasting

Over de correcties genoemd bij punt 7.4 (de laatste 2 correctiepunten, onbekende werknemers en kwestie [E] ) leg ik naast de naheffingsaanslag een vergrijpboete ingevolge artikel 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 28 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 op. De vergrijpboete bedraagt 50%.

De grondslag van de boete is het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald. De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik deze vergrijpboete opleg betreffen:

-inhoudingplichtige heeft werkzaamheden laten verrichten door personen die niet zijn opgenomen in de loonadministratie. Inhoudingsplichtige wist dat deze personen werkzaamheden in dienstbetrekking verrichten en wist ook dat op de beloning loonheffing moest worden ingehouden. Inhoudingplichtige heeft deze personen bewust niet in de loonadministratie opgenomen,

-inhoudingplichtige wist dat de betalingen aan de heer [E] aangemerkt dienden te worden als loon. De bedragen waren in eerste instantie ook geboekt op de rekening netto lonen. Later is een correctieboeking gemaakt en daarmee is gepoogd het bedrag buiten de loonheffing te houden.

Er is daarom sprake van opzet. ( ... )."

Over een deel van de uit het boekenonderzoek voortvloeiende correcties is tussen eiseres en verweerder in juni 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Een afschrift van deze overeenkomst behoort tot de gedingstukken. In de overeenkomst is vastgelegd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de na te heffen enkelvoudige loonbelasting/premie volksverzekeringen ad € 74.034, exclusief heffingsrente en boete. Daarbij is vermeld dat de correcties genoemd bij de punten 7.2.2 (identificatieplicht werknemers) en 7.4 (met betrekking tot de betaling aan de heer [E] ) niet in het compromis zijn begrepen.

In de beschikking van de rechtbank Almelo d.d. 30 september 2002 met betrekking tot het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en de heer [E] heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:

"(... )

Beschikt:

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2002.

Kent aan [E] ten last van [X] een vergoeding toe van € 77.000 bruto ( ... )".

Op 25 augustus 2006 heeft verweerder de boetebeschikking ter zake van de nageheven LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 ambtshalve verminderd tot € 17.069.

3 Geschil

In geschil is het antwoord op de vragen of:

  • -

    eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000,

  • -

    de naheffingsaanslagen LB/PVV over beide tijdvakken terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd en

  • -

    aan eiseres terecht en op juiste gronden boetes zijn opgelegd.

Cijfermatig kunnen de in geschil zijnde loonheffing en boetes als volgt worden weergegeven:

Tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000

Ontbreken identiteitsbewijzen

33.675

Te laat aangeleverde identiteitsbewijzen

23.896

Totaal

57.571

Boete

12.187

Tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004

2001

Te laat aangeleverde identiteitsbewijzen

17.260

2002

Ontbreken identiteitsbewijzen

286

Te laat aangeleverde identiteitsbewijzen

17.594

Loonbetaling [E] afkoopsom

108.333

2003

Te laat aangeleverde identiteitsbewijzen

18.005

2004

Te laat aangeleverde identiteitsbewijzen

17.615

Totaal

179.093

Boete

18.158

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ontvankelijkheid bezwaar

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag LB/PVV en opgelegde boete over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000. De rechtbank onderschrijft dit standpunt, zodat het beroep om die reden gegrond dient te worden verklaard. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dient de rechtbank verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Van deze regel kan worden afgeweken als partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter of indien duidelijk is dat eiseres niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet (vgl. HR 9 juni 2006, VN 2006/33.7). Beide partijen hebben toegestemd met een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechtbank. De rechtbank zal derhalve de zaak niet terugwijzen naar verweerder, maar zelf in de zaak voorzien.

4.2.

Inzake de naheffingsaanslagen LB/PVV

Ten aanzien van de identificatieplicht werknemers

Ingevolge het bepaalde in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB) is het anoniementarief onder andere van toepassing ingeval de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel, ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, zijn identiteit niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB. Uit het bepaalde in artikel 29, vierde lid, van de Wet LB blijkt dat opgave van naam, adres en woonplaats van de werknemer aan de inhoudingsplichtige dient te geschieden door middel van de door de inspecteur uitgereikte of toegezonden loonbelastingverklaring. Artikel 28, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet LB bepaalt dat de inhoudingsplichtige gehouden is de identiteit van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de WID, alsmede de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen.

In de arresten van de Hoge Raad van 8 juni 2007 (BNB 2007/247 en 2007/248) en 29 juni 2007 (BNB 2007/249) is beslist dat het anoniementarief van toepassing is als de loonbelastingverklaringen in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige ontbreken, ook in het geval waarin de inhoudingsplichtige langs andere weg van de NAW-gegevens van een werknemer op de hoogte is, bijvoorbeeld aan de hand van een identiteitsbewijs.

Uit het boekenonderzoek is gebleken dat in de loonadministratie van eiseres afschriften van identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen van een aantal werknemers ( [F] , [G] , [H] en [I] ) ontbraken. Ter zake van werknemer [J] is de afgiftedatum van het in de administratie aanwezige identiteitsbewijs gelegen ná het moment van indiensttreding van deze werknemer. Derhalve is niet komen vast te staan dat voorafgaand aan zijn werkzaamheden zijn identiteit is vastgesteld overeenkomstig artikel 26b van de Wet LB.

Verweerder heeft dan ook terecht het anoniementarief toegepast voor de werknemers waarvan de loonbelastingverklaring ontbrak dan wel waarvan geen ID-bewijs is aangetroffen.

Volgens eiseres heeft verweerder in strijd met de toepasselijke beleidsregels gehandeld door haar niet in de gelegenheid te stellen de gebreken in de loonadministratie te herstellen. Verweerder heeft een afschrift van de "Mededeling Loonbelasting/premie volksverzekeringen" van juni 2005 overgelegd waarin onder punt 5 staat vermeld dat de Belastingdienst vanaf 1 juli 2005 niet langer de mogelijkheid biedt om gebreken te herstellen bij het vaststellen van de identiteit of bij het uitreiken van een loonbelastingverklaring.

Uit de formulering in voornoemde Mededeling "tot op heden kwam het voor dat de Belastingdienst de mogelijkheid bood om gebreken te herstellen ( ...)" volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze mogelijkheid aan de individuele beoordeling van verweerder werd overgelaten. In het onderhavige geval is niet aannemelijk geworden dat verweerder heeft toegezegd genoegen te nemen met de aanlevering van de identiteitsbewijzen achteraf. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat haar gelegenheid zou worden geboden om de verzuimen in de loonadministratie te herstellen.

Ook de stelling van eiseres dat haar loonadministratie destijds werd gevoerd door een professioneel adviseur en dat haar derhalve geen verwijt kan worden gemaakt, kan haar niet baten. Het inschakelen van een adviseur ontheft een belastingplichtige immers niet van de eigen verantwoordelijkheid als ondernemer om een deugdelijke en toegankelijke administratie bij te houden en om erop toe te zien dat de aangiftes conform die administratie worden gedaan. Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat toepassing van het anoniementarief geen strafsanctie inhoudt als bedoeld in artikel 6 EVRM (vergelijk Hoge Raad 28 januari 1998, nr. 32 732, BNB 1998/147). Ook het verloren gaan van de loonadministratie door wisseling van gemachtigde dient voor rekening van eiseres te komen.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de stelling van eiseres ten aanzien van de mogelijkheid tot het opleggen van verhaalbare aanslagen eveneens faalt. In de brief van 22 mei 2007 heeft verweerder hiervoor terecht als eis gesteld dat de mogelijkheid een verhaalbare aanslag op te leggen direct samenhangt met het door eiseres te leveren bewijs dat reeds ten tijde van de uitbetaling van het loon waarover is nageheven de mogelijkheid van verhaal rechtens en feitelijk bestond. Eiseres heeft dit bewijs niet geleverd. De inhoud van brief van 13 september 2007 van de gemachtigde van eiseres aan verweerder doet hieraan niet af aangezien in deze brief slechts zonder enige onderbouwing wordt opgemerkt dat de loonheffingclaims op de werknemer verhaalbaar zijn.

Ten aanzien van de afkoopsom

Tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder geconstateerd dat eiseres in 2002 met haar voormalig werknemer, de heer [E] , in het kader van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, een afkoopsom van € 100.000 is overeengekomen. Eiseres heeft dit bedrag in termijnen en zonder inhouding van loonheffing uitbetaald aan de heer [E] . Verweerder heeft dit gecorrigeerd door (eindheffing tegen) het gebruteerd tarief toe te passen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de afkoopsom voor de heer [E] sprake is van een brutobetaling van € 100.000. Eiseres verwijst hiertoe naar het vonnis van de Rechtbank Almelo van 30 september 2002 inzake de ontbinding van de arbeids-overeenkomst met de heer [E] . Voorts stelt eiseres dat de fiscale afwikkeling van de betaalde afkoopsom niet juist is verwerkt door haar toenmalige gemachtigde.

Daargelaten het antwoord op de vraag of de afkoopsom als een bruto-uitkering (standpunt eiseres) of een netto-uitkering (standpunt verweerder) moet worden aangemerkt, staat vast dat eiseres een totaalbedrag van € 100.000 zonder enige inhoudingen aan de heer [E] heeft betaald. Eiseres had zich bewust moeten zijn van het feit dat op deze betalingen LB/PVV had moeten worden ingehouden. De afkoopsom behoort immers tot het loon uit (vroegere) dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10 van de Wet LB. Eiseres stelt voorts dat zij voornemens was de in te houden loonheffing alsnog te verhalen op de heer [E] . Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat op het moment van het uitbetalen van het loon, deze verhaalsmogelijkheid ook rechtens en feitelijk bestond. Reeds hierom faalt deze grief.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht en op juiste gronden op de afkoopsom eindheffing tegen het gebruteerde tabeltarief heeft toegepast. De naheffingsaanslagen zijn derhalve terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.

4.3.

Inzake de opgelegde boetes

Verweerder heeft met inachtneming van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en paragraaf 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB) vergrijpboetes opgelegd aan eiseres.

Ter zake van de nageheven LB/PVV als gevolg van het ontbreken van diverse identificatiebewijzen heeft verweerder het standpunt ingenomen dat sprake is van grove schuld en hiervoor een boete van 25% opgelegd. Ten aanzien van de nageheven LB/PVV ter zake van de afkoopsom aan voormalig werknemer [E] heeft verweerder geoordeeld dat sprake is van opzet en dientengevolge een boete opgelegd van 50%.

Eiseres heeft aangevoerd dat de opgelegde boetes dienen te vervallen, aangezien zij zowel voor het voeren van de loonadministratie als voor de fiscale begeleiding met betrekking tot de afkoopsom voor de heer [E] gebruik heeft gemaakt van de diensten van een belastingadviseur. Eiseres verwijst in dat kader naar het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40.369, BNB 2007/151. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, wiens opzet of grove schuld wordt vastgesteld, niet het vermoeden rechtvaardigt dat ook bij de belasting-plichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest.

Weliswaar heeft eiseres gebruik gemaakt van de diensten van een adviseur, die wellicht fouten heeft gemaakt, maar eiseres heeft niets aangevoerd over de (reikwijdte van de) opdracht die zij destijds aan haar adviseur had gegeven en ook niets over de inhoud van de adviezen van die adviseur. Op basis van de gegevens die voorhanden zijn, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de onvolkomenheden in de loonadministratie te wijten zijn aan de schuld dan wel opzet van de toenmalige gemachtigde van eiseres.

Aangezien uit het rapport van het boekenonderzoek blijkt dat sprake is van het ontbreken van essentiële bescheiden in de loonadministratie, is eiseres tekortgeschoten in de op haar rustende administratieverplichting. Dit brengt mee dat het (mede) aan haar is te wijten dat er te weinig loonheffing is afgedragen.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure voldoende aannemelijk maken dat ten aanzien van de in geschil zijnde correcties sprake is van zodanige nalatigheid van eiseres dat sprake is van grove schuld bij eiseres zelf.

Ten aanzien van de correctie inzake de afkoopsom van de heer [E] is de rechtbank van oordeel dat eiseres had moeten begrijpen dat over de afkoopsom LB/PVV had moeten worden ingehouden. De heer [E] was immers een werknemer van eiseres en de uitkering had betrekking op de beëindiging van diens dienstverband. Mede gelet op de hoogte van de uitkering, acht de rechtbank aannemelijk dat één en ander bewust buiten de heffing van LB/PVV is gehouden. De rechtbank acht de opgelegde boete in dit geval passend en geboden.

Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

De naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 is gedagtekend op 27 december 2005. Dit is ook het moment waarop de boete aan eiseres is opgelegd en aan haar bekend is gemaakt. Dit brengt mee dat de redelijke termijn met meer dan één jaar (maar minder dan twee jaar) is overschreden, hetgeen leidt tot een vermindering van de in geschil zijnde boete met 20%, zijnde € 2.437 (20% van € 12.187) tot € 9.750. De rechtbank vermindert de totale boete derhalve tot € 14.632 (€ 9.750 plus € 4.882).

De boete ter zake van de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 is voor het eerst bekend gemaakt op 28 juni 2006 (zijnde de datum van dagtekening van het rapport van het boekenonderzoek). De redelijke termijn is in dit geval met minder dan één jaar overschreden, hetgeen leidt tot een vermindering van de in geschil zijnde boete met 10%, zijnde € 1.816 (10% van € 18.158) tot € 16.342. De rechtbank vermindert de totale boete derhalve tot € 38.729 (€ 16.342 plus € 22.387).

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000;

  • -

    verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de boeteschikkingen gegrond, vernietigt de uitspraken op bezwaar voorzover deze betrekking hebben op de boetes en vermindert de boetes tot € 14.632 (tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000) en € 38.729 (tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004);

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslag LB/PVV over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

  • -

    gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2009

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, en mr. E.C.G. Okhuizen en mr. I. Linssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 -bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 -het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.