Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BL1633

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
07/5095
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Het aan ex-echtgenote betaalde bedrag is niet aan te merken als een aftrekbare onderhoudsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/5095

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 4 juli 2008

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Apeldoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [00].H47) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd van € 2858, inclusief heffingsrente van € 267, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.434.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 19 november 2007, ontvangen bij de rechtbank op 20 november 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2008 te Arnhem.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is op 3 juni 1994 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [A] (hierna: [A]). Bij beschikking van de Rechtbank Zutphen van 3 december 2003 is de echtscheiding tussen eiser en [A] uitgesproken. In deze beschikking is onder meer het volgende opgenomen:

“(…..)

bepaalt dat de vrouw huurster is van de woning aan de [a-straat 1] te [Z];

bepaalt dat de man maandelijks voor betaling van de huur € 514,00 van genoemde woning zal zorgdragen totdat de schuld aan de “Stad Rotterdam” door de vrouw zal zijn afgelost;

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

[B] ….

[C] ….

aan de vrouw zal betalen € 135,00 (honderdvijfendertig euro) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen totdat de vrouw de schuld aan “Stad Rotterdam” heeft afgelost;

bepaalt dat de man, vanaf het moment dat bovengenoemde schuld is ingelost, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen aan de vrouw zal betalen € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

(….)”

In het verzoek tot echtscheiding van 14 augustus 2003 is onder meer het volgende vermeld:

“(….)

7.

De man heeft een bruto maand inkomen van € 2700,--. Er is behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man kan in de huidige situatie in staat geacht worden een bijdrage van € 135,-- per kind per maand te betalen.

In deze huidige situatie zal hij namelijk de huur van de echtelijke woning betalen totdat de schulden van partijen zijn afgelost.

Op het moment dat de man niet meer meebetaalt aan de huur kan hij in staat geacht worden een bijdrage ad € 311,-- per kind per maand te betalen.

(….)”

In de aangifte IB/PVV over 2004 is aan persoonsgebonden aftrek € 8808 aangegeven. Van dit bedrag heeft € 2640 betrekking op de uitgaven voor levensonderhoud van de kinderen en € 6168 op alimentatie aan [A]. Laatstgenoemd bedrag betreft de door eiser betaalde huur van 12 maanden maal € 514. De aanslag IB/PVV is conform de aangifte op 7 maart 2006 opgelegd.

Aan [A] is met dagtekening 7 september 2006 een aanslag IB/PVV over 2004 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.258. Na bezwaar is deze aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.090 omdat was gebleken dat [A] in 2004 geen alimentatie-uitkeringen had ontvangen.

Naar aanleiding van de aanslagregeling en het bezwaar van [A] heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser geen alimentatie aan [A] heeft betaald. Met dagtekening 21 april 2007 is de navorderingsaanslag opgelegd waarbij eisers belastbaar inkomen uit werk en woning is verhoogd met € 6168.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dat navordering rechtvaardigt.

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is in geschil of het bedrag van € 6168 kan worden aangemerkt als onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 6.1, tweede lid, letter a, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het nieuw feit

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren.

Volgens vaste rechtspraak mag verweerder bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is verweerder in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de inhoud van de aangifte verweerder geen aanleiding te geven om in afwijking van voormelde hoofdregel een nader onderzoek in te stellen.

Aan eiser is met dagtekening 7 maart 2006 de primitieve aanslag IB/PVV opgelegd. Eerst nadat aan [A] op 7 september 2006 de aanslag IB/PVV was opgelegd en zij daartegen bezwaar had ingediend, kwam aan het licht dat zij geen alimentatie had ontvangen en dat haar aangifte waarin de alimentatie was aangegeven, buiten haar om was ingediend. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 24 juli 2007, AWB 07/199 inzake het beroep van [A].

Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag aan eiser nog niet bekend was en ook niet kon zijn met het feit dat eiser geen alimentatie-uitkering aan [A] had betaald. Dit betekent dat er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Ten aanzien van het betaalde bedrag van € 6168

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef, letter a juncto het tweede lid, aanhef, letter a van genoemd artikel, van de Wet IB 2001 worden tot de persoonsgebonden aftrek onder andere de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen gerekend. Deze uitgaven voor onderhoudsverplichtingen zijn nader uitgewerkt in de artikelen 6.3 tot en met 6.7 van de Wet IB 2001.

Alimentatieverplichtingen aan de gewezen echtgeno(o)t(e) zijn op grond van artikel 6.3, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001 als onderhoudsverplichtingen aftrekbaar. Slechts in rechte vorderbare periodieke uitkeringen die voortvloeien uit het familierecht komen in aanmerking voor aftrek.

Op eiser rust de bewijslast aannemelijk te maken dat het in de aangifte in aftrek gebrachte bedrag van € 6168 kan worden aangemerkt als onderhoudsverplichtingen. Eiser is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

De gedingstukken bieden geen aanknopingspunt voor eisers standpunt dat door eiser een bijdrage in het levensonderhoud van [A] moet worden betaald. Noch in de beschikking van de Rechtbank Zutphen, noch in het verzoek tot echtscheiding is een onderhoudsverplichting van eiser jegens [A] opgenomen. Met verweerder is de rechtbank van mening dat de betaling van de huur door eiser tegenover de verplichting van [A] de schuld aan “Stad Rotterdam” af te lossen geduid moet worden als een verdeling van de huwelijksgemeenschap. Dit te meer nu eiser na aflossing door [A] wel tot een hogere bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen is gehouden doch niet (ook) tot een bijdrage in het onderhoud van [A].

De huurbetalingen door eiser kunnen dan ook niet worden aangemerkt als alimentatie-uitkeringen aan [A].

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.